donderdag 19 februari 2015

19-02; Boek I.16.4 - I.16.8

Maar waaruit bestaat voorzienigheid? Het is meer dan alleen vooruit zien wat er gaat gebeuren. He is ook niet dat Gods leiding over dingen in de dingen zelf opgaat en zo in een contigent, dat wil zeggen om het even(een minder sterk woord dan toevallig, denk ik) wereld resulteert. God bestuurt deze wereld actief.

Dit bestuur gaat over alle dingen. God heeft niet natuurwetten ingesteld om er daarna Zijn handen vanaf te trekken. als dat waar was dan zouden bijvoorbeeld de seizoenen ieder jaar op precies dezelfde manier verlopen. En ook als we alle ingewikkeldere factoren van het klimaat meenemen dan zouden we nog geen wetmatigheden op grotere termijn kunnen onderscheiden, om maar Calvijn bij te vallen. In de Bijbel staat vaak dat God Zelf regen of droogte geeft, als dit niet handelen van God is, kunnen we hierin niet Gods oordeel of gunst zien. N.B.: voorzienigheid wordt hier aan Gos oordeel of zegen gekoppeld, een Bijbels gegeven dat in onze tijd volgens mij minder speelt. Ik ben benieuwd of dit nog wordt uitgewerkt later.

Met een paar Bijbelteksten laat Calvijn zien dat ook menselijk handelen onder de voorzienigheid valt. Het gaat er niet om dat de mens in beweging wordt gezet door de mens, maar de mens handelt ook zoals God dat wilt.

Ook afzonderlijke gebeurtenissen worden door God bestuurt. Gods almacht wordt vaak gekoppeld aan buitengewone gebeurtenissen buiten de orde van de natuur om. Maar Calvijn beweert juist dat de gewone gang van zaken ook door God bestuurd wordt. Gods almacht richt zich niet allen op de natuurlijke orde om deze in stand te houden, maar ook het bijzondere doel dat ieder schepsel op zich heeft. Heel de schepping staat as het ware te wachten op Zijn bevel.

Dit roept wel wat vragen op natuurlijk, en misschien nog erger, een fatalistisch wereldbeeld. Het woord stoïcijns kan al bij iemand opgekomen zijn, en aangezien Calvijn verder gaat met een stuk om het verschil tussen zichzelf en de Stoïcijnen duidelijk te maken. Het verschil zit in Gods actief en betrokken handelen en niet een keten van oorzaak en gevolg, zoals de Stoïcijnen dachten. Dat is een verwijt dat Augustinus ook al eens is gemaakt. Hij citeert Augustinus dan ook uitvoerig om te laten zien dat Gods wil de drijvende kracht achter alles was. Zelfs als God iets toelaat, is dat Zijn actieve wil.

Zo, bij mij is in ieder geval alle D.V.'s op alle communicatie weer eens stevig afgestoft. Geloof niet in toeval, geloof in God.

Morgen lezen we Boek I.16.9 - I.17.2

woensdag 18 februari 2015

18-02; Boek I.15.8 - I.16.3

Nu beginnen we wel met de meer controversiële calvinistische leerstukken.

Calvijn wil niet weten van een vrije wil. In ieder geval niet bij de mens na de zondeval. Adam had een vrije wil, zijn wil stemde overeen met zijn redelijkheid. Hij kon hierdoor opklimmen tot God en de eeuwige gelukzaligheid. Dezelfde vrije wil zorgde ervoor dat Adam in zonde viel. We weten niet wat of waarom God hierin heeft gedaan, Adam heeft geen volharding ontvangen. Dat neemt niet weg dat hij wel verantwoordelijk bleef.

Volgend punt; de voorzienigheid!

We eren God niet alleen als Scheper door te erkennen dat Hij alles gemaakt heeft, maar ook door te erkennen dat Hij nog steeds actief op deze schepping betrokken is. Daarin verschillen christenen van filosofen. Dit leidt ertoe dat we als gelovigen niet kunnen zeggen dat er toeval bestaat. God bestuurt alles. Net als bij de zon. Dit is slechts een middel. Als God het wil blijft deze staan of beweegt deze tien graden.
God is voorzienend omdat Hij almachtig is. Calvijn plaatst God dichter op de schepping betrokken dan Thomas Aquino, die God als de eerste oorzaak van alles ziet. Ook is God dichter betrokken dan kille natuurwetten. De gelovige mag namelijk weten dat God alles in Zijn hand heeft en dat in feite niets hem kan deren, Gods goedheid blijkt ook uit Zijn almacht. Daarom hoeven we niet bang te zijn voor omstandigheden. Dat is misschien wel dat rotsvaste vertrouwen dat refo's vooral in he verkeer demonstreren, in ieder geval wel hier in Kampen waar ze oversteken zonder te kijken of er nog fietsers aankomen.


Morgen lezen we Boek I.16.4 - I.16.8

dinsdag 17 februari 2015

17-02; Boek I.15.4 - I.15.7

Calvijn gaat door over het beeld van God, volgens hem kunnen we het beste zien wat dit precies inhoudt, als we kijken naar het herstel van de mens. Om de zaligheid terug te krijgen moeten we immers het beeld van God herstelt in ons krijgen. In de vernieuwing van de mens gaat het om kennis en ware gerechtigheid gepaard met heiligheid. Dus is het beeld van God zichtbaar in het licht van het verstand, de oprechtheid van het hart en in de volkomenheid van alle delen. Dit geldt ook voor vrouwen, mocht iemand daar over twijfelen. Het beeld van God is, aldus Calvijn, de onbedorven staat van de mens voor de zondeval.

We moeten niet weer terugkeren naar de dwaalleer van de Manicheeërs die de ziel zien als een stukje god, een aftakking van God. Dat zou ons menselijk veranderlijk en zondig gedrag toeschrijven aan het goddelijk wezen. De menselijke ziel is geschapen, net zoals engelen geschapen zijn. Als we vernieuwd worden werkt de Heilige Geest wel in ons, maar wij worden niet wezensgelijk aan de Heilige Geest.

Hierna een lekker theoretisch gedeelte over hoe Calvijn de ziel en haar vermogens ziet.
De ziel is met het lichaam verbonden en was oorspronkelijk om het lichaam te besturen tot gerechtigheid. Dat mensen zich druk maken om een goede naam bij anderen laat dit zien, je kan je daar namelijk alleen druk over maken als je een besef hebt van wat goed en kwaad is. Mensen zijn er om de gerechtigheid in ere te houden, dat noemt Calvijn de kiem van de godsdienst.
De filosofen hebben een hoop geschreven over de ziel met allerlei onderscheidingen. Calvijn onderscheid drie kenvermogens:
  • de geest
  • de rede
  • de fantasie
Door deze zaken kan je tot nieuwe kennis komen. Dit is ook de rangorde zoals Calvijn dat ziet, als ik mij niet vergis.

Je kan de ziel ook indelen naar hoe je tot handelen komt, maar daar kom je volgens Calvijn in haarkloverij van de filosofen. Calvijn maakt het onderscheid voor zichzelf en voor de lezers in twee zaken in de ziel: het verstand en de wil. Het is de taak van de wil om naar het verstand te luisteren, mensen willen immers dingen waarmee ze instemmen.

Als ik meer tijd heb ga ik dit hoofdstuk eens uittekenen, het is wel vruchtbaar om eens na te denken over hoe een ziel nu precies in elkaar zit, dan heb je een beter beeld van jezelf en mensen in het algemeen.

Morgen lezen we boek I.15.8 - I.16.3

maandag 16 februari 2015

16-02; Boek I.15.1 - I.15.3

We beginnen over de mens. Calvijn begon de Institutie met de nadruk op de tweevoudige kennis,die van God en die van de mens. Hier komt hij daar weer op terug, we moeten namelijk weten hoe onze staat was voor en na de zondeval. Hierdoor voorkomen we dat mensen de schuld van hun zonde aan God toeschrijven. Dat is een neiging bij goddeloze mensen. De trots van de mens wordt allereerst al beperkt doordat de mens uit stof en modder is geschapen.

Er is een verschil tussen lichaam en ziel. De ziel wordt soms ook geest genoemd, maar deze twee begrippen zijn in principe gelijk. De ziel heeft een eigen wezen, dat wordt bewezen door een aantal zaken, zoals dat de ziel bang kan worden, en het lichaam niet. In de ziel zit ook het begripsvermogen. Dat de ziel het edelste gedeelte van de mens is, wordt bewezen doordat de Bijbel de ziel als pars pro toto gebruikt. Waar op sommige plaatsen ziel wordt gezegd, wordt de hele mens bedoeld.

Het beeld van God zit dan ook in de ziel. Volgens Calvijn ook wel een klein beetje in het lichaam, maar toch echt hoofdzakelijk in de ziel. Hij spreekt hier de lutherse hoogleraar Osiander(http://en.wikipedia.org/wiki/Andreas_Osiander) tegen, die het beeld van God op lichaam en ziel betrekt. Ook zou Christus toch mens zijn geworden als de mens niet was gevallen in zonde. Consequentie hiervan is dat de Zoon ook het beeld van de Geest kan worden, doordat Hij mens wordt. Zo wordt het verschil tussen de personen van God opgeheven, of op zijn minst vaag. Adam is naar het beeld van God geschapen. Ook zijn er mensen die een verschil maken tussen beeld en gelijkenis. Onterecht vindt Calvijn. Dat is gewoon een Hebreeuwse manier van uitdrukken met twee woorden die een en hetzelfde uitdrukken.

Waar denken jullie dat het beeld van God zit? En hebben jullie wel eens afgevraagd of Jezus ook naar de aarde zou zijn gekomen als er geen zondeval was? Dat is een gedachte die soms wel vaker wordt uitgewerkt, zoals bij bijvoorbeeld Alexander Comrie(http://nl.wikipedia.org/wiki/Alexander_Comrie). Het valt wel op dat de Drie-eenheid onder druk komt te staan met dit soort theologieën.

Morgen lezen we Boek I.15.4 - I.15.7


zaterdag 14 februari 2015

13(stiekem 14)-02; Boek I.14.19 - I.14.22

Een dag later, maar daar issie dan!

Allereerst drukt Calvijn ons op het hart dat duivels en demonen realiteit zijn, zo zijn ze te vinden in de Bijbel. Net zoals de engelen geen influisteringen of gedachtes zijn, zijn de duivelen ook geen oprispingen van het vlees of een slecht humeur.

Nieuwe paragraaf, nog een keer over de schepping.
Calvijn noemt deze wereld een schitterend schouwtoneel, de orde die hierin naar voren komt is niet het belangrijkste, maar wel het eerste bewijs van geloof. Wrang om te leze is dat Calvijn gelooft dat God alle diersoorten in stand houdt en dus niet laat uitsterven. Ik ben benieuwd wat Calvijn van het verhaal over dodo's zou hebben gezegd.

Hoe moeten we naar Gods werken in de schepping aankijken? We mogen de deugden van God herkennen in de schepping. Alles in de schepping moet een eigenschap van God laten zien als een spiegel. Deze herkenning moeten we diep op ons in laten werken. Calvijn heeft het volgens De Niet over diep in ons hart geraakt worden. Geen koele overpeinzing, maar goed nadenken met alle gevoelens die je hebt.

We moeten na die overdenken dan ook God aanroepen en op God vertrouwen dat Hij voor ons zorgt en God van harte liefhebben als Vader.

Als Calvijn vandaag de dag zou leven zou ik zeker weten dat hij natuurdocumentaires zou kijken op tv. Wat zijn jullie ervaringen met God zien in de natuur? Zelf vind ik opgaan in de natuur voor hippies en is mijn ervaring dat natuur jeukt.

Maandag lezen we boek I.15.1 - I.15.3

woensdag 11 februari 2015

12-02; Boek I.14.12 - I.14-18

OK, volgens mij loop ik goed met de telling.

Engelen moeten ons helpen op god te vertrouwen, niet afleiden van God. Ze kunnen immers alleen hun diensten verlenen dor tussenkomst van Christus

En dan nu over de duivelen.

Als de bijbel de duivel beschrijft, is het om ons voorzichtig en wakzaam te laten zijn voor zijn werk. We moeten niet zorgeloos of lafhartig zijn, maar volhouden en Gods hulp inroepen.
Er worden meerdere duivels beschreven, we moeten dus niet al te makkelijk denken over de strijd. Deze strijd voert de duivel tegen de eer van God. We kunnen elren uit Gen. 3 dat de duivel de strijd wint als we God Zijn eer onthouden. De duivel is van nature slecht, Johannes beschouwt hem als de bewerker en bouwmeester van het kwaad.

Desondanks is zijn slechtheid bederf en is hij niet zo geschapen. Dit weten we uit de Bijbel, veel meer niet. God heeft het blijkbaar goed gedunkt om niet teveel hierover te openbaren, waarschijnlijk omdat het niet veel opbouwt, vermoedt Calvijn.

De Bijbel leert dat God boven de duivel staat en dat hij net zoveel macht heeft als God hem gunt. Niet dat de duivel Gods wil gehoorzaamt, maar alles wat hij kan doen, is simpelweg datgene wat God hem laar doen, God heeft de tteugel in handen.

god bestuurt zo ook de strijd, de gelovigen worden wel aangevohten door de demonen, maar nooit overwonnen. De strijd kan hevig zijn, waar gehakt wordt vallen spaanders, maar Gods kinderen zullen niet sterven en altijd weer opkrabbelen. De kop van de slang zal verbrijzeld worden, zoals beloofd, door het stichten van het koninkrijk van God. Zo heeft de duivel alleen het bewind over de goddelozen en ongelovigen.

Morgen lezen we Boek I.14.19 - I.14.22

11-02; Boek I.14.6 - I.14.12

Boek II komt al een beetje in zicht op de planning zag ik net, we zijn lekker bezig!

Over de engelen dus. Heeft iedereen zijn eigen beschermengel? Calvijn durft het niet te zeggen. eer zijn wel wat impliciete bewijzen uit de Bijbel, hij kan in ieder geval wel zeggen dat mensen geen goede en slechte engel hebben om zich te laten leiden. Verder wil Calvijn benadrukken dat er een heel leger engelen voor het welzijn van de mens is, we hoeven niet zuinig te denken door te zoeken naar één engel voor onszelf.

Calvijn kan wel wat zeggen over een paar specifieke of soorten engelen, maar hij ziet niet in hoe je engelen op rangen en posten in kan delen. Er zijn maar een paar gegevens en namen in de Bijbel, laten we gewoon niet te nieuwsgierig zijn. We kunnen zeggen dat er veel engelen zijn.

Wat we wel met zekerheid kunnen stellen is dat engelen niet gedachtes zijn die God de mensen inblaast of krachten die God laat zien, daarvoor is de Bijbel dan wel weer te duidelijk. Het zijn rare fratsen van de Saduceeën. Als Christus zelf ook een engel wordt genoemd mogen deze zich wel achter de oren krabben.

En natuurlijk zijn er mensen zo onder de indruk gekomen van engelen dat ze deze zijn gaan vereren, zo onthouden ze God de eer die Hem betoond moet worden. Christus is duidelijk als Bron van het Goede boven de engelen gesteld en de engelen verwachten hun goeds ook van Christus. Ze roepen dan zelf ook op om God te aanbidden en niet engelen, zoals in Op. 19:10.

God gebruikt Zijn engelen vanwege ons. Als we niet het vertrouwen op God alleen kunnen stellen in onze zwakheid, mogen we weten dat God ook Zijn dienaren voor ons heil heeft ingesteld. dit is en gave van god, die mogen we ook niet veronachtzamen.

Toch wel verhelderend om eens duidelijk zaken over engelen uitgelegd te krijgen, ook in onze tijd zijn engelen soms een onderwerp van gesprek. Een paar weken geleden op catechisatie hebben ik het ook over engelen gehad, op verzoek van de catechisanten. Zijn jullie bekend met engelen ervaringen of verhalen? Ik ben we benieuwd, Calvijn geeft ze een bescheiden, maar terechte plaats in het geloof, ik ben benieuwd of dat voor ons ook zo is of hoe de plek van ons voor hun er uitziet.

Morgen lezen we boek I.14.12 - I.14.18