Posts tonen met het label Gregorius I. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gregorius I. Alle posts tonen

maandag 30 november 2015

30-11; Boek IV.17.46 - IV.18.1

De 48ste week van Lectio Calvini,in mijn druk nog 91 bladzijdes tot het einde.

[46] De verplichting om één keer per jaar deel te nemen aan het Avondmaal noemt Calvijn een uitvinding van de duivel en hij ziet het als een verdraaiing van een goede regel van Zepherinus(bisschop van Rome, 189- 217). Deze bepaalde dat de gelovigen één keer op een bepaalde dag samen belijdenis van het geloof door Avondmaal moesten afleggen in plaats van allemaal op verschillende tijden en daarom niet allemaal tegelijkertijd. Biuj Chrysostomus is al verval te bespeuren als hij zich beklaagd over mensen die soms wel en soms niet aangaan en soms rein en soms onrein, in de meest ongunstige combinaties uiteraard.

[47] Zo is ook de beker op het Concilie van Konstanz in 1415 weggevallen. Dit werd alleen voor de geestelijken beschikbaar. Er werd geredeneerd dat in het brood het hele lichaam van Jezus was, dus ook met bloed en dat daarin alles besloten lag. Calvijn vindt dit een voorbeeld van het verstand dat aan de haal gaat met de Bijbel. Jezus maakt vaak onderscheid tussen Zijn lichaam en bloed en dit moeten we allebei handhaven in het Avondmaal om de ondersteuning van het geloof vast te houden.

[48] Wat hier tegenover wordt gesteld is dat er aan één enkele gebeurtenis in de geschiedenis geen algemene regel gemaakt mag worden, maar Calvijn vindt dat we hier te maken hebben met een inzetting, de apostelen moesten ook zo Avondmaal vieren. Een tweede uitvlucht is dat de apostelen toen al tot de priesterorde hoorden. Maar het is voor Calvijn niet duidelijk waaruit blijkt dat de apostelen toen priesters waren geworden. Ook is dan niet te verklaren waarom in de eerste duizend jaar alle gelovigen wel aan brood en beker mochten. Dit is duidelijk bij Tertullianus, Ambrosius, Chrysostomus en Augustinus.

[49] Bij Gregorius I was de beker ook nog voor de leken. In die periode (rondom 600) werd het als een dwaling gezien om alleen het brood zonder de wijn te ontvangen. Cyprianus is ook ervan overtuigd dat je de twee niet van elkaar kan scheiden.

[50] Ook zegt Christus expliciet dat allen moeten drinken uit de beker. Ook is Calvijn benieuwd wie zich nu durft op te dringen in het Avondmaal, als het alleen bestemd was voor priesters. Ten slotte moet Paulus wel liegen als hij dan iedereen uit de beker wil laten drinken zoals hij schrijft in aan de gemeente in Korinthe.

[1] Calvijn ziet de satan een strijd voeren tegen het Avondmaal toen in de Kerk de overtuiging kwam dat men de mis ging beschouwen als offer dat opgedragen wordt om vergeving van zonde te krijgen. Er zijn veel scholastieke theologen die prima hierover kunnen discussiëren, maar daardoor juist het Avondmaal verduisteren. Calvijn zal dan ook niet direct met ze in discussie treden. De mis als zoenoffer is niet alleen in de opvatting veranderd in een zoenoffer, maar is ook opgezet om dit bewust over te brengen. Maar hoe mooi de mis ook is geworden, Calvijn zal haar toetsen aan de Bijbel en zo met wortel en tak omhakken omdat het Christus verduistert.

Morgen lezen we boek IV.18.2 - IV.18.7

woensdag 14 oktober 2015

14-10; Boek IV.11.14 - IV.12.4

[15] De pausen hebben in de loop van de tijd rechtsbevoegdheden naar zich toe getrokken door middel van trouwbreuk en wapens. en dat terwijl paus Gregorius de Grote nog een concilie met een banvloek heeft georganiseerd over bewakers van kerkelijke goederen die onrechtmatig bezit verkregen. Ze schreven een eigendomsverklaring voor een landgoed dat ze op het oog hadden. Het wordt duidelijk dat als pausen in de jaren daarna zich hier niets van aantrokken het ze niet om de eer van Christus te doen is.

[16] Door de eigendommen denken de kerkelijke heren ontslagen te zijn van verplichtingen. Ze denken dat de verhevenheid van de Kerk erin ligt ontheven te zijn aan wetten en verplichtingen die voor iedereen gelden. Dit is historisch ook onjuist. Juist in de tijd van Ambrosius was duidelijk dat de Kerk over kerkelijke zaken ging, ook over de keizer als die erbij betrokken was. De keizer ging over de wereldlijke zaken, mensen konden zelfs de keizer voor het gerecht slepen, dat was normaal. De landerijen zouden in Ambrosius tijd gewoon belasting hebben betaald. Ook werd de bemoeienis van de keizer met de zaken van de Kerk afgeweerd door Gregorius I(de Grote)

[17] Deze heiloige mannen hadden geen bezwaar als de keizer zijn gezag in kerkelijke aangelegenheden liet gelden, maar zorgen ervoor dat dit tot nut van de orde en tucht was, niet ter verstoring, met geweld en willekeurig. De overheid zou de godsdienst met wetten, verordeningen en strafmaatregelen in stand moeten houden, pmdat de Kerk niet kan dwingen in maatschappelijke zin.

[1] Nu wil Calvijn de laatste zaken over de tucht in orde brengen, hiervoor maakt hij allereerst een onderscheid tussen de gewone gelovigen en de gelovigen die een ambt bekleden, de geestelijkheid. Mensen met een afkeer van het woord tucht moeten beseffen dat als een gezin of maatschappij orde heeft, dit nog meer van toepassing moet zijn in de Kerk, de tucht is als de spieren in het lichaam van Christus. Zonder de tucht ontspoort het.

[2] De grondregel is dat er persoonlijke vermaning moet zijn, allereerst tussen alle gelovigen onderling, maar met de ambtsdragers in het bijzonder. Zo deed Paulus het ook. Luistert de persoon niet, dan moet deze bij de rechtbank van de Kerk, dat is de vergadering van de ouderlingen langs voor een vermaning. Als dat niet werkt moet hij uit de gemeenschap van gelovigen gestoten worden.

[3] bedekte zonden, die verborgen zijn, moeten tussen mensen onderling besproken worden, openlijke zondes of die bij iedereen bekend geworden is moet in het openbaar bestraft worden, zoals Paulus aan Timotheüs schrijft(1 Tim. 5:20). Hij deed dit zelf ook bij Paulus. Bij verborgen zonden moet de eerst genoemde procedure gevolgd worden, bij openbare zondes moet er meteen overgegaan worden naar een officiële berisping.

[4] Een ander onderscheid is tussen overtredingen en misdaden of schanddaden. Bij de laatste soort moet ook men ook de ban uitspreken(1 Kor. 5:3). Als de Kerk zo mensen die blijven volharden in minachting voor de Kerk uitbant is dit haar door de Heere gegeven bevoegdheid. Het is niet iets menselijk, het is de bekendmaking van het vonnis van God Zelf. De Kerk kan dus ook de gelovigen na berouw weer opnemen in de Kerk. Mensen vergissen zich als ze denken dat de Kerk zich lang zonder te tucht kunnen handhaven.

Altijd spannend over de tucht. Ik heb zelf niet veel meegemaakt over de tucht, direct of indirect.

Morgen lezen we boek IV.12.5 - IV.12.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 13 oktober 2015

13-10; Boek IV.11.8 - IV.11.13

[8] Kortom, Calvijn vindt de geestelijke macht van de bisschoppen niet geestelijk en al helemaal niet bijbels. Over de zwaardmacht laat Calvijn het even voor wat het is. Hij gaat niet zozeer om bepaalde mensen, maar om de gemeenschappelijke zonde van de geestelijkheid. Ze houden de Kerk van het woord weg en zouden zich niet zoveel met wereldlijke regering moeten bemoeien, alleen Mozes bekleedde twee ambten, geestelijk en ambtelijk, en maar voor korte tijd.

[9] De zwaardmacht is pas aan de bisschoppen gegeven nadat ze de geestelijke macht naar zich toe hadden getrokken en gedelegeerd om te voorkomen dat ze helemaal niks deden. Dat is ten dage dan ook de voornaamste bezigheid van hun omdat ze denken dat de waardigheid van het koninkrijk Gods verbonden is aan hun eigen waardigheid. Als het waar is dat Christus gediend is met voor de bisschop sidderende vorsten gaat er iets fout volgens de leer van Christus. Ze zouden wat kunnen leren van de apostelen, die zelfs de bediening van de tafels aan andere toedeelden omdat ze zich op hun kerntaak stortte.

[10] Stukje bij beetje hebben de bisschoppen door dreiging en bangmakerij macht afgedwongen van de vorsten. Het gaat blijkbaar door middel van wereldlijke rechtspraak en geweldadige partijvorming. Of ze hebben misbruik gemaakt van vrome bedoelingen van toegeeflijke vorsten. Zo zijn de bisschoppen blind door begeerte de afgrond ingesleurd.

[11] De Paus was niet tevreden met kleine rijkjes of koninkrijken, maar wilde het keizerrijk dat hij toen roofde. Dit wordt op allerlei manieren onderbouwd, maar het kan gewoonweg niet apostolisch zijn, aldus Bernardus van Clairvaux. Voor aardse zaken zijn er aardse rechters. Geestelijken moeten zich niet schamen als ze dat ambt niet krijgen.

[12] Het document Donatio Constantini(https://nl.wikipedia.org/wiki/Donatio_Constantini) is een vervalsing. Maar we kunnen ook kijken naar Gregorius de Grote die de keizers hun heer en slaaf tegelijk noemen. Dat is wat anders dan de vorsten alleen slaven van zichzelf zien.

[13] Blijkbaar is rond het jaar 1000 door Hendrik IV een kans geboden aan Gregorius VII. De keizer Hendrik bracht delen van zijn rijk op de markt en het leek een vrome zaak voor velen als Gregorius VII deze overnam. Het fijne van de kwestie wordt niet door Calvijn vermeld.

Morgen lezen we boek IV.11.14 - IV.12.4

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 24 september 2015

24-09; Boek IV.7.18 - IV.7.22

[18] Eén man trok dus de macht naar zich toe en werd niet geremd door de bisschoppen die toch in deze machtsstrijd een onbekwame tegenpartij waren. Bij Bernardus van Clairvaux is te lezen hoever de Kerk in verval was geraakt. Rome was een plaats van ontucht, corruptie en onrecht. Er geldt het recht van de sterkste.

[19] En dan naar de tijd van Calvijn is de vergelijking van de paus met eerdere pausen ook tekenend. De pausen claimen gezag en met de stem van Petrus te spreken. Ze hebben zich het laatste woord gegeven in alle kerkelijke regelingen. En boven hen is er geen rechterlijke instantie om de macht in toom te houden. Het is buiten proportioneel dat een man over allen regeert zonder zelf aan welk oordeel dan ook onderworpen te zijn.

[20] Pausen zetten valse namen oud de geschiedenis onder verordeningen om te doen alsof het een heel oud besluit is. Dat terwijl de macht van de paus van recentere datum is dan de concilies. Zo heeft Gratianus ergens de naam Anastasius van Constantinopel gezet, die toch in de geschiedenis meer als de rivaal van de bisschop van Rome te zien is. ER zijn verzamelingen van decreten die wreedheid en tirannie vertonen, maar toch voor godsspraak voor moeten gaan.

[21] Calvijn wil de zaken niet op de spits drijven, maar stelt de woorden van Cyprianus voor, waarin niemand zich bisschop der bisschoppen mag noemen. En er zijn in de geschiedenis sowieso veel uitspraken te vinden die hetzelfde zeggen. Gregorius heeft de banvloek gesproken over de titel van universeel bisschop, de verdedigers van de stoel van Rome moeten zich maar eens verdedigen hiertegen. Een paus die willekeurig zijn macht uitbreidt is even onvroom als onmenselijk.

[22] Calvijn wil niet alles wat te bespreken is stuk voor stuk behandelen, maar vraagt de verdedigers van het pausdom of ze het aandurven om de het pausdom te verdedigen nu het in zo'n verdorven staat is. Erger dan bij Gregorius en Bernardus. Gregorius klaagt dat aardse zaken hem teveel bezig houden, maar toch kan hij preken, bemoedigen en vermanen en leiding geven aan zijn kerk. Ook Bernardus klaagt over de gebreken. Nu verschilde het in zijn tijd niet veel van de tijd van Calvijn. Het is onbeschaamd om in de tijd toen Gregorius en Leo te gebruiken als rechtvaardiging.

Morgen lezen we boek IV.7.23 - IV.7.30

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogpost.com

woensdag 23 september 2015

23-09; Boek IV.7.11 - IV.7.17

[11] In de geschiedenis zijn er veel brieven met onzin geschreven over het pausdom. Maar ook zinnige brieven, van bijvoorbeeld de geleerde paus Leo I. Hij stond bekend als een machtsbelust man. Hij heeft in andere landen plaatsvervangers van zichzelf aangesteld. Maar deze plaatsvervangers mochten de metropolieten niet hinderen in hun werk. Het was een vorm van bemiddelen op afstand.

[12] In de zesde eeuw bij Gregorius I waren er veel crisissen in Europa en Africa en zochten de bisschoppen eenheid in het geloof door zich aan te sluiten bij Rome. De macht van de paus werd hierdoor vergroot desondanks het nog geen ongeremde alleenheerschappij van één man was. Hij is er wel trots op maar deed niet zelf iets om zijn macht te vergroten.

[13] Gregorius was een buitengewoon middel pom anderen te ondersteunen, niet om tegen te staan. Ook was het wel tegen zijn zin, hij wilde bisschop zijn en was bang nu te veel met wereldse verwikkelingen bezig te zijn in plaats van bisschop te zijn. Hij zag zichzelf primair als gelijke en was geen werelds heerser, hij stelde zich onder de keizer.

[14] Innocentirus I in de 5de eeuw was verwikkeld in de machtsstrijd tussen Rome en Constantinopel, waar de zetel van het Romeinse rijk naartoe was verplaatst. Op het Concilie van Turijn was bepaald dat de bisschops- of metropolietzetel in de belangrijkste bestuurlijke stad moest staan, wast Innocentius tegensprak. Maar men moet het concilie boven de uitspraak van een man die voor eigen belang pleit verkiezen.

[15] Op het Concilie van Constantinopel was het besluit genomen dat deze stad de privileges van Rome zou krijgen omdat het het nieuwe Rome was, op Chalcedon was dit ook besloten. Leo sputterde heftig tegen.Dit vindt Calvijn een uiting van machtswellust. Als de politieke situatie veranderd moet de Kerk hier van tijd tot tijd op inspelen. De erepositie kan toegekend worden en ook weer zo opgeheven worden.

[16] Daarna was er een Johannes die de grenzen van zijn bisdom wilde laten samenvallen met de grenzen van het rijk. Gregorius heeft zich hiertegen verzet. Hij wilde zich ook niet 'algemene paus' laten noemen.

[17] En byzantijnse keizer Phocas stelde in de 6/7de eeuw door toedoen van Bonifacius III in een decreet dat Rome het hoofd van alle kerken werd. Dit scheen niet veel te helpen in de geschiedenis. De band met Griekenland en Klein-Azië is later doorgeknipt en Frankrijk gehoorzaamde alleen naar believen en moest eerst veroverd worden voordat er gehoorzaamd werd. Later werd de macht van Rome ook met Karel de Grote gevestigd. Er was verval en afwijking van de oude situatie.

Morgen lezen we Boek IV.7.18 - IV.7.22

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 15 september 2015

15-09; Boek IV.5.8 - IV.5.15

[8] In vroegere tijden was het niet mogelijk om monnik te zijn en te behoren tot de geestelijkheid. ER zijn pausen geweest die dit gebruik met een woord aan de kant hebben geschoven. En dat terwijl Hieronymus zegt dat hij zijn priesterschap niet uitoefent als hij onder de monniken is, en dat hij zich ziet als man uit het volk. Het is nooit de bedoeling geweest van Christus om monniken in hun schuilhoekje de mis te laten prevelen. Een presbyter is er om leiding te geven aan een gemeente. En juist monniken moeten geen openbare dienst beleggen, in hun klooster blijven en al helemaal niet de sacramenten bedienen.

[9] Daarnaast heb je dus de wereldgeestelijken, die voor een gedeelte bestaan uit de beneficiarissen, en mensen die leven van het onderhouden van de mis. Allebei de soorten wereldgeestelijkheid hebben te maken met misbruik en perverteringen. Ze doen de waardigheid van de presbyter teniet, Calvijn vindt het geen wettig ambt, omdat ze de inzetting van vroeger niet uitvoeren.

[10] Er zijn ook veel functies, die buiten de pracht en praal van ceremonieën geen enkele waarde hebben, er zit geen dienst aan de Kerk in door bijvoorbeeld woordverkondiging, tucht of zorg voor Sacramenten. Ze zullen niet eens weten wat de vereisten in de Bijbel zijn voor een presbyter.  Kanunniken hadden ouderling(presbyter) moeten worden, andere titels hebben weinig tot niets te maken met degelijke kerkregering. Ze beweren wel presbyters te zijn, maar dat is gewoonweg niet waar.

[11] Bisschoppen en bestuurders van de parochies hebben een vroom en uitnemend ambt, maar voeren hier niet veel van uit. Meestal hebben ze de taken aan iemand anders overgedragen. Vaak komen ze niet een keer per jaar in hun kerk. Of ze houden alleen zaken in de gaten die opbrengst kunnen leveren.

[12] Bij Gregorius is al te lezen dat er een kiem van dit kwaad bestond in de Kerk. Hij schrijft erover dat de bestuurders nalatig werden in het geven van onderwijs. Hij klaagt in preken erover dat herders de taken laten liggen. Ook Bernardus van Clairvaux maakt in zijn tijd nog werk van dit probleem in zijn preken.

[13] Met het pausdom zoals Calvijn het kende was er geen grotere roversbende te vinden. Alles was in strijd met de inzetting van Christus en de oude Kerk en logisch nadenken. En toch verdedigen mensen zoals Pighius deze eerbiedwaardige hiërarchie als overgeleverd van vroeger. Maar de inzetting van vroeger heeft niets te maken met de chaos van die tijd. Nu is alles versplinterd en verward.

[14] Ook is er in de levenswandel van de priesters niks te zien van het zout der aarde zijn  of het licht van de wereld zijn. Priesters zitten vol met ondeugden en zijn asociale lui. Veel, zo niet alle priesters zouden geëxcommuniceerd moeten worden volgens de maatstaven van de tucht van de oude kerkelijke bepalingen.

[15] En diakenen doen nu niet meer datgene waar ze voor aangesteld zijn, namelijk armenzorg. Behalve dan heel misschien als ze voor de consecratie de offergaven ophalen. Desondanks vroeger de kerkgangers eerst elkaar een kus gaven en hun gaven zelf naar voren brachten. Tegenwoordig(toen in Calvijns tijd dus) kan je beter je offergaven in zee gooien, dan heb je even grote kans dat ze bij de armen komen. Het fantasiediaconaat is de draak steken met de kerk. Het licht van Gods Woord is gedoofd en na zo de Kerk als het ware vermoord te hebben hebben ze de buit geplunderd.

Morgen lezen we boek IV.5.16 - IV.6.3

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 9 september 2015

09-09; Boek IV.4.5 - IV.4.10

En dan nu over de diakenen.

[5] Diakenen zijn er geweest om het geld en de kerkelijke goederen te beheren en de armen te verzorgen, onder toezicht van de bisschop. Bisschoppen mochten ook niks financieels doen zonder medeweten van diaken en presbyter. Onderdiakenen zijn later toegevoegd als hulp, maar het onderscheid en tussen onder- en normale diaken is geleidelijk verdwenen. Aartsdiaken was de opzichthouder en waren eindverantwoordelijken. Ook mochten diakenen in de eredienst het Evangelie voorlezen, aansporen tot gebed en de beker aanreiken tijdens het Heilig Avondmaal. Dit om te laten zien dat het zeker wel een geestelijk ambt was.

[6] Vroeger was al duidelijk dat alles wat de Kerk aan land en geld heeft, geldt als vermogen van de armen.  Er is altijd opgeroepen om zuiver met het geld om te gaan en de diakenen zonder aanzien van het persoon uit te delen onder de armen. Dit doen bijvoorbeeld Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus. Ambtsdragers leefden ook van het kerkelijke geld. Het was dan ook niet de bedoeling van ambtsdragers om luxe te leven in weelde. Er zijn presbyters die in vrijwillige armoede leefden door hun erfenis aan de Kerk te geven.

[7] Op een gegeven moment zijn er regels voor het verdelen van geld ingesteld. Het geld had vier doelen. Onderhouding van de geestelijken, van de armen, van de kerkelijke gebouwen en nog een vierde deel voor de armen die van elders kwamen en behoeftigen in de eigen stad. Onder het toezicht van een bisschop waarvan verwacht werd dat hij dit geld niet gebruikte als een leuk zakcentje, maar zelf ingetogen en sober leefde met voedsel en kleding.

[8] Kerk leefde altijd bescheiden. Tijdens een hongersnood in Jeruzalem heeft de bisschop Cyrillus zelfs vaatwerk en kleding van de kerk verkocht om voor de armen te kunnen zorgen. Zo ook verhalen over Ambrosius en een zekere Acatius en een Exuperius. Ambrosius heeft benadrukt dat alles wat de Kerk en bisschop bezit het vermogen van de armen is en daarom mag al het goud gebrukt worden om de armen te onderhouden.

[9] Bovenstaande zijn de ambten van de vroege Kerk. Andere diensten waren een soort voorbereidende diensten voor mensen. Er waren jongens die van jongs af aan geschoold werden om later een ambt goed te kunnen aanvaarden. Deze werden clerici genoemd. Calvijn is ongelukkig met de naam, maar ziet zo'n opleiding van jongs af aan wel zitten. Ze oefenden zo in het geestelijk leven. Eerst werden dit soort jongens aangesteld om deuren te open of te sluiten en heetten ze deurwachters(ostiarii), later werden ze volgelingen(acolieten) genoemd omdat ze altijd bij de bisschop waren en de Schriftlezing mochten doen en onderdiaken werden als oefening. Wat Calvijn hiermee wil aantonen is dat deze functies geen ambten waren, maar voorbereidende oefeningen.

[10] Net als de apostelen deden moeten we ook nu eerbiedig te werk gaan en gelovige vrome mensen tot het ambt kiezen. Op een gegeven moment werd er meer gevraagd dan Paulus de bisschop vraagt, zoals ongehuwd blijven. Wat verschilde tussen gemeentes onderling was de manier waarop de ambtsdragers aangesteld werden. Cyprianus laat in een brief zien dat hij zich grondig verontschuldigt voor het aanstellen van een lector zonder het medeweten van de gemeente. Praktische rompslomp zorgde dat voor kleinere functies de gemeente niet geraadpleegd hoefde te worden. Alle functies behalve bisschop werden door de bisschop en presbyters gekozen. Een presbyter voor een parochie werd wel door de gemeente gekozen.

Morgen lezen we boek IV.4.11 - IV.5.1

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 8 september 2015

08-09; Boek IV.3.16 - IV.4.4

[16] En hoe bevestigen we een ambtsdrager? Met handoplegging, zoals de apostelen dat deden. Waarschijnlijk een uitvloeisel van een gewoonte van de Hebreeën en gebruikten de apostelen die om aan te geven dat ze de onder handen genomen ambtsdrager aan God opdroegen. Dit gebruik mag weer opnieuw ingevoerd worden als betekenis symbool, niet als iets bijgelovigs.

[1] Hoe was de kerkregering geregeld voor het pausdom? In de vroege kerk hadden de bisschoppen veel regelingen ingezet die schijnbaar tegen de Schrift ingingen, maar toch stevig door de Bijbel genormeerd was. Bij Hieronymus kom je vijf geledingen in de Kerk tegen, bisschoppen(opzieners), presbyters(ouderlingen of priesters), diakenen, gelovigen en doopleerlingen. Meer geestelijkheid of clerus en monniken kent hij geen plaats toe.

[2] De leerambten was dus de presbyter die uit hun midden per stad een bisschop kozen. Desondanks was de bisschop niet de baas over de priesters, hij was iemand die leiding gaf aan alles wat gebeurde met adviezen, raad en het peilen van meningen. De bisschop is een menselijk besluit om tweedracht in de gemeente te voorkomen. Presbyters moeten weten dat ze ondergeschikt aan de leiding zijn, bisschoppen moeten weten dat ze uit gewoonte boen de presbyters staan. Het is wel een oude gewoonte. Iedere stad had dus een groep presbyters, dus herders en leraren, die de taak die Paulus aan opzieners geeft, op zich te nemen. De bisschop stond er in zekere zin wel boven, maar moest zich toch voegen naar het besluit van deze vergadering. Er waren ook nog landbisschoppen, chorepiscopi, aangesteld als hulp in een groot gebied. Deze vertegenwoordigde de bisschop in minder belangrijke taken.

[3] Presbyters en bisschoppen moesten zich in ieder geval wijden aan de bediening van het Woord en de Sacramenten. Alleen in Alexandrië was een uitzondering omdat Arius daar de kerk in beroering had gebracht. In ieder geval werd van alle ambtsdragers door alle eeuwen heen verlangd dat ze hun taken uitvoerden. Ook in de tijd van Gregorius de Eerste was een niet prekende bisschop niet de bedoeling.

[4] Aartsbisschoppen en patriarchen, weer twee tredes boven de bisschop, werden op het concilie van Nicea ingesteld voor de handhaving van de tucht. Dit had echter beperkt praktisch nut. Zo werd er een hierarchie gekweekt, een woord waar Calvijn niet dol op is. Plus dat het meer is dan de Bijbel leert en meer dan de oude bisschoppen aan wilden.

Morgen lezen we boek IV.4.5 - IV.4.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 18 augustus 2015

18-08; Boek III.24.6 - III.24.11

[6] Bij de uitverkiezing komt ook de belofte dat Jezus trouw over de uitverkorenen waakt. Als we twijfelen aan de uitverkiezing moeten we nagaan of in aan de zorg van Christus zijn toevertrouwd, mochten we hieraan twijfelen, dan komt Hij ons tegemoet. We moeten Christus omhelzen. Er zijn veel dingen in de Bijbel die ons soms aan het twijfelen kunnen brengen, zoals 'vele geroepen, weinig uitverkoren', maar Christus bidt voor ons en belooft dat Hij niet zal afwijzen wat Hij uitverkoren heeft.

[7] Er vallen ook christenen af. Dit zijn mensen, naar de mening van Calvijn, die Christus nooit hebben nagevolgd met een geloofsvertrouwen waarin de verkiezing haar bevestiging vindt. Misschien leken ze wel op gelovigen, maar ze hadden niet het zekere middel om hun verkiezing vast te maken, namelijk het Evangelie. Als Paulus tekeer gaat in de bijbel is dat niet om mensen bang te maken of onzeker, maar om makkelijke vleselijk denkende mensen aan te sporen en te leren uitzien op God. En hij schrijft niet over concrete individuelen personen, maar over groepen en sekten in het algemeen.

[8] De roeping van velen en de verkiezing van weinigen(Matt. 22:14) hoeft met al het bovenstaande niet meer bang te maken. Er is een algemene en een bijzondere roeping. De eerste is de prediking voor iedereen en uitwendig. De tweede is innerlijk voor de verkondiging, het is de verlichting door de Heilige Geest. De laatste is soms ook voor korte tijd bij mensen die ondankbaar blijken te zijn. Dit zijn mensen uit de vergelijking uit Matt. 22, die geen bruiloftskleren, dat is de heiligmaking van Christus, aan hebben, maar lompen.

[9] Judas was niet uitverkoren, hij was wel geroepen, maar niet op de bovenstaande manier, hij was aangesteld tot apostel. Maar als Christus over de uitverkiezing preekt, wordt Judas uitgesloten(Joh. 13:18). Daarom moeten we ook niet Gregorius I aanhoren als die zegt dat we alleen kennis hebben van onze roeping en niet van onze verkiezing. Hij maakt verkiezing afhankelijk van werken juist om mensen in vrees te brengen en houden. Dit alles beschouwd laat zien hoe de uitverkiezing een bron van versterking voor het geloof is.

[10] Uitverkorenen worden in de loop van hun leven geroepen en in de kudde geplaatst. Er is geen zaad van de verkiezing, dat in de harten van gedoopten wordt geplant, waardoor ze altijd geneigd zouden zijn tot dienen en vrezen van God. Dit wordt door sommigen beweerd met Bijbelse voorbeelden die dus niet kloppen(Cornelius was al wedergeboren). Plus dat de Efezebrief niks laat zien over zaad van verkiezing. En waar Paulus schrijft over het nieuwe leven is er een duidelijk rijtje dingen die de mensen deden, maar nu niet meer moeten doen.

[11] Paulus schrijft nergens dat de bekeerden God moeten danken dat ze door het zaad zijn beschermd van verkeerde dingen. Net als Petrus die gewoon een tijd van begeerte als afgelopen ziet(1 Petr.4:3). Denken in het zaad van de verkiezing is buiten de Schrift omdenken. God laat mensen in hun zonden en beschermt alleen tegen de onvergefelijke zonde, tot het tijd is om te roepen.

Morgen lezen we boek III.24.12 - III.24.17

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 10 juni 2015

10-06; Boek III.5.9 - III.6.1

Gisteravond was er een Corpsvergadering van FQI, daarom nu de lectio van vandaag.

Terug naar het vagevuur![9] 1 Korinthe 3:12. Maar deze tekst heeft het over een beproeving of kruisdragen voor alle gelovigen, i.t.t het vagevuur. De gedachte van mensen worden hier hout, hooi en stoppels genoemd dat verbrand wordt door het werk van de Geest,  de metafoor slaat op verzinsels in minder belangrijke zaken.

[10Je lijdt dus schade als je iets hebt gebouwd, wat niet bij het fundament past. Paulus uitleg veegt ook het argument van tafel dat de kerk dit altijd heeft geloofd, dat geldt dus niet voor de apostolische kerk. Er wordt niet gebeden naar doden in de Schrift, ook niet bij uitvoerige beschrijvingen van begrafenissen. Wat je wel zou verwachten als het zo'n belangrijke zaak is. Ook de kerkleraars die de gebeden uitspraken missen een concrete opdracht en voorbeeld in de Bijbel. Calvijn noemt het lichtgelovigheid en kopiëren wat alle heidense godsdiensten ook doen, waarschijnlijk om het leed van verlies te verzachten. Gelovigen rusten na hun dood, en doen dus geen voorbede.

Nu volgt een hoofdstuk waarin Gods gerechtigheid de aanleiding is om ons als Gods kinderen gehoorzaamheid te laten zien, hoe we moeten leven. [1] Hier is al veel over geschreven. Calvijn wil geen uitgebreid vertoog, maar een korte regel. Want hij houdt van kort en bondig. NEt als de filosofische systemen kent de Bijbel ook een afbakening van wat goed en eerbaar is, alleen niet systematisch omdat de Geest niet wordt gedreven door eerzucht, in tegenstelling tot de streberige filosofen.

Morgen lezen we boek III.6.2 - III.7.2

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com