Posts tonen met het label Johannes Cochlaeus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Johannes Cochlaeus. Alle posts tonen

dinsdag 29 september 2015

29-09; Boek IV.8.8 - IV.8.12

[8] In de Kerk mag er dus geen ruimte geboden worden aan wat niet in de Wet, Profeten. of bij de Apostelen te lezen valt. De apostelen hadden ook deze regel en mochten zich daarom geen meester laten noemen. En omdat ze in zekere zin ook onkundig waren, belooft Jezus hun de Geest der Waarheid om hen te leiden.

[9] Wie spreekt moet dan volop vertrouwend op de opdrachten van God de woorden van God spreken. Dit betekent dus de verzinsels van welke mens ook aan de kant schuiven. Dit Woord van God is de macht bij uitstek van de herders van de Kerk. Ze regeren door de kracht van het Woord. Apostelen waren wel als het ware de ware en oorspronkelijke secretarissen van de Heilige Geest en daarom moeten hun geschriften als de woorden van God beschouwd worden. Hun opvolgers hebben de taak te onderwijzen wat er in die geschriften geopenbaard en vastgelegd is. Dit geldt voor mensen, maar ook voor de Kerk als geheel. Paulus leert dit als hij zegt dat profetische getuigenissen beoordeeld moeten worden. Voor de Kerk geldt dat het geloof uit het horen is uit het woord van God, dus er is geen ruimte voor woorden uit de wereld. Plus dat God de enige is die nieuwe leerstukken kan maken omdat Hij de Enige is die niet kan liegen en bedriegen.

[10] Het verschil met macht en gezag in het pausdom is heel erg groot. Ten eerste gaan ze ervan uit dat concilies ware beelden van de Kerk zijn en rechtstreeks door de Heilige Geest geleid worden. Maar ze geven zelf vorm aan concilies en leiden deze. Daarom verdedigen ze hun eigen gezag en smeden nieuwe willekeurige leerstellingen met verachting voor het Woord. Hiermee moet men het eens zijn, anders mag men geen christen heten. Het is volgens hun aan de Kerk om nieuwe geloofsartikelen te maken.

[11] Hun argumenten voor deze taak van Kerk is dat de bruidegom nooit door Christus verlaten zou worden. Maar dit geldt niet minder voor de individuele gelovigen. Ook als Jezus de Geest der Waarheid belooft(Joh. 14), geldt dit voor de discipelen en de discipelen die er later bij zouden komen. Het gaat ook om de individuele gelovigen en hun troost hierin. Zeggen dat het alleen voor de Kerk gaat is verdraaiing, desondanks dit óók waar is. God staat de Zijnen altijd bij zodat ze steeds meer vooruitgang maken in hun heiliging.

[12] De Kerk krijgt van God wel gaven zodat deze in het hele Lichaam niet ontbreken, maar de Kerk zal nooit die opperste volkomenheid bevatten die de papisten wel claimen dat ze heeft. De Kerk maakt als geheel een proces door doordat haar leden van dag tot dag vernieuwd en geheiligd worden. Er blijven altijd wat vlekken en rimpels over. De heiliging van de Kerk is waar, maar we zien slechts het begin hiervan. De volheid van de heiligheid komt pas als Christus hiervoor zorgt. Anders moeten we betogen met de pelagianen dat de gerechtigheid van de gelovigen al in dit leven te bereiken is en met de katharen en donatisten dat we geen onvolkomenheden in de Kerk mogen toestaan. De Kerk is vast en pilaar van waarheid door de dienst van de prediking. De waarheid in de Kerk wordt door Jezus in stand gehouden. Als het hoeden van de waarheid ligt in de dienst van profeten en apostelen, is dit in het geheel afhnkelijk van het woord van de Heere.

Morgen lezen we boek IV.8.13 - IV.9.3

Lees deze en andere pots terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 16 september 2015

16-09; IV.5.16 - IV.6.3

[16] De verdeling van het geld zoals die vroeger was ingezet en was weergegeven door Calvijn in IV.4.7, is zo goed als afgeschaft. Priesters en bisschoppen verrijkten zichzelf met kerkelijk geld ten koste van de armen. Calvijn vindt dit zeer oneerbiedig en gewoonweg kerkroof.

[17] Er zijn mensen die deze praktijken verdedigen door te wijzen op de waardigheid en de eer van de kerk. Per slot van rekening zijn er teksten die de luister van het koninkrijk beschrijven met termen als goud en zilver. Calvijn vindt het niet de moeite waard om ze te weerleggen, maar vraagt zich wel af wat de lieden zelf zouden vinden als een Jood deze teksten op zichzelf toepast en de geestelijke zaken niet-geestelijk opvat. Er zijn wel momenten geweest in de kerkgeschiedenis dat keizers hun keizerlijke kleren aflegden en met het volk boetedoening deden voor het aangezicht van God. Maar toen baadden de priesters niet in overdaad van geld en goud. Ambrosius heeft op het Concilie van Aquileia benadrukt dat priesters moeten roemen in hun armoede.

[18] Calvijn vat het samen. Er is een Bijbelse norm voor wat mag worden uitgegeven ter versiering van de kerkgebouwen in de aard van de versierde dingen zelf. Nu wordt het geld besteed aan zaken waar Christus gen opdracht heeft gegeven, en dat terwijl het armen van de honger omkomen. Sterker nog, waar het geld dan wel aan wordt uitbesteed is beargumenteerd met bijgeloof van de priesters en bisschoppen.

[19] Ook is het dwaasheid om de kerkregering te betrekken op het huis- en landerijenbezitten van de geestelijken. Het staat in tegenspraak met de soberheid en matigheid die ons wel in de Bijbel wordt voorgehouden voor ambtsdragers. Waarschijnlijk vinden de ambtsdragers van nu het veel te streng van Hieronymus als deze schrijft dat armen en vreemdelingen en met heb Christus als gasten aan hun tafel moeten zijn. De titel van diakenschap is toen in ieder geval verloren gegaan.

[1] Calvijn heeft het verval van de inzettingen van de vroege Kerk laten zien. Nu gaat hij het hebben over de paus, de waarborg dat de Roomse kerk de echte katholieke Kerk is. Het primaat van de stoel van Rome is niet een inzetting van vroeger of van de Bijbel. Iedereen probeert de protestanten te overtuigen dat de enige band van kerkelijke eenheid in de gehoorzaamheid aan de stoel van Rome ligt.Er wordt gedacht vanuit het axioma dat de paus van Rome, als plaatsvervanger van Christus die het Hoofd van de Kerk is, in Zijn plaats de leiding over de hgehele Kerk heeft en dat er slechts dan een goede kerkinrichting is indien deze stoel het primaat boven alle bisschopszetels houdt.

[2] De vraag is dus of er een primaat van een bisschopzetel nodig is, zodat deze het hoofd van het lichaam wordt? Het hogepriesterschap wordt aangevoerd als argument, ten onrechte. Voor het land Israël was één man genoeg om de eenheid te bewaren, maar om alle macht over Oost en West in de handen van een man te leggen is te gek. Maar de hogepriester was ten diepste ook een type van Christus, en dus moet het priesterschap en het recht overgedragen worden, maar niet aan de paus, maar aan Christus.

[3] Het tijdelijke priesterschap was dus geen eeuwige wet. In het NT is er dan ook geen bevestiging behalve Matth. 16:18, waarbij nog moet worden aangetoond dat het gaat over gezag voeren over de hele wereld is. Ook moet worden aangetoond dat er meer aan PEtrus is gegeven dan aan de andere discipelen. Die tekst leert uiteindelijk dat alle apostelen de opdracht als dienaren van het Evangelie mensen te verzoenen met God en de macht hebben om straffend op te treden als ze niet luisteren.

Morgen lezen we boek IV.6.4 - IV.6.9

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 12 augustus 2015

12-08; Boek III.23.1 - III.23.5

Calvijn begint met het tegenspreken van aantijgingen die zijn verkiezingsleer heeft opgeroepen.

[1] De leer roept weerstanden op en zoveel strijd dat het soms wel oorlog lijkt. Veel mensen willen wel van verkiezing weten, maar niet van verwerping. Maar het is gek om te denken dat als God sommige uitverkiest, de anderen of toevallig of door eigen inspanning de erfenis krijgen. Mensen zouden niet moeten twisten met hun Maker en luisteren naar de woorden van Jezus, die elke boom die niet door de Vader is geplant uitrukt. Misschien moeten ze luisterne naar Paulus die zegt dat God vaten van Zijn toorn en vaten van Zijn ontferming heeft gemaakt er meerdere glorie van Zichzelf. En daarmee dus Zijn macht en geduld laat zien in alles wat hij bestuurt. De tekst gaat ook over de verharding van de vaten van toorn die rust in Gods besluit.

[2] Een ander bezwaar tegen de uitverkiezing is dat het van God een tiran zou maken. Mensen stellen God verantwoordelijk oor hun daden Mensen worden zo omdat God het wil gepredestineerd tot de eeuwige dood. Dus God lijkt meer op een willekeurige tiran dan op een rechtvaardige rechter. Maar dat is een vraag naar wat God wil, een vraag die vrome mensen niet durven te stellen. Want dat zou impliceren dat er iets buiten God bestaat waar Zijn wil zich naar te gedragen heeft. Maar Gods wil is de hoogste norm voor wat rechtvaardig is. Een antwoord op de waarom vraag is dus, 'omdat God het wilde'. Het is echter niet zoals Plato zegt dat God ook rekenschap van Zijn wil moet afleggen en al helemaal niet aan ons. Alhoewel ik het jammer vind dat Calvijn en de vertaler/uitgever, hier niet vermelden waar dit in Plato terug te geven is. Let ook weer op de nadruk van Gods wil.

[3] Als mensen vragen waarom er mensen verworpen worden voordat ze bestonden, moeten we terugvragen wat God aan de mens verschuldigd is. Door de zonde verdienen we allemaal Gods haat. Dat is geen willekeur, dat is gerechtigheid. Niemand kan een onderzoek door God doorstaan en dan als onterecht verworpen uit de bus komen. Het is een diepe verdorven neiging die de reden tot veroordeling wegdrukt in mensen.

[4] Maar, die ellende van de mens is juist toch gekomen door de predestinatie, zegt Erasmus dan. Maar Calvijn zegt dan dat we weer bij het besluit van God uitkomen. En hieruit volgt niet dat we God hierom mogen beschuldigen, want we zijn maar klei en God is de pottenbakker. En dit is de crux, bedenken wie god is, God laat geen onrecht toe Hier kan het verstand van de mens niet bij en hier mag het verstand van de mens niet eens komen.

[5] We kunnen dus alleen zeggen dat God dat God van te voren wist wie er verdorven zouden gaan en dat dit gebeurde omdat Hij het wilde, maar waarom God het wilde ligt buiten het bereik van ons menselijk verstand. Je mag mensen, vindt Calvijn met een beroep op Psalm 26:7, verwijten dat ze telkens weer God beschuldigen dat Hij feitelijk buiten hun verstand om gaat. Met Augustinus kunnen we beter zeggen dat we meer hebben aan gelovige onkunde, dan onbezonnen wetenschap. Discussie is zinloos.

Morgen lezen we boek III.23.6 - III.23.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 16 juli 2015

16-07; Boek III.19.1 - III.19.7

De titel van het nieuwe hoofdstuk, de Christelijke Vrijheid, belooft veel goeds! Uiteindelijk gaat het christendom om vrijheid in de ultieme zin van het woord.

[1] Een juist begrip van vrijheid neemt alle aarzeling om te handelen weg. Tich is erover spreken niet al te makkelijk, de discussie haalt het slechtste naar boven in de mensen die christelijke vrijheid gebruiken als smoesje om hun slechte leven achter te verbergen. Het is toch de moeite waard om erover na  te denken, in de christelijke vrijheid is Christus te kennen, net als de waarheid en de innerlijke vrede.

[2] De vrijheid bestaat uit drie onderdelen. De eerste is dat de christen de Wet loslaat en erboven staat. De Wet speelt dan wel geen rol, maar heeft nog wel betekenis om aan te sporen tot een heilig leven. Maar vrije christenen zoeken voor de rechterstoel van God hun gerechtigheid in Christus en niet in werken van de Wet.

[3] Dit is ook de spil van de brief aan de Galaten. Het gaat daar niet, zoals Cochlaeus uitlegt, om een bevrijding van de ceremonieën. De hele kwestie kon opgelost worden in zaken van hogere orden dan de ceremonieën. Ceremonies waren schaduwen van Christus die verkondigd werden door valse leraren('huurlingen'). De Galaten hoeven geen nieuwe godsdienstige verplichting aan te nemen.

[4] Tweede onderdeel is dat de wil nu uit zichzelf de wil van God gehoorzaamt, zonder daartoe gedwongen te worden door de Wet. De Wet eist volmaaktheid van daden en liefde, wat geen mens kan opbrengen, daarvan moet de mens verlost worden. Want het is ook niet zo dat er iets goeds in zit dat God wel aanvaard.

[5] Wie meet met de Wet wordt geoordeeld door de Wet. De harde eis van de Wet maakt ons tot angstige en onzekere slaven, de vaderlijke zachtmoedigheid van God maakt ons tot Zijn kinderen waarin we blij kunnen antwoorden en onze onvolkomen bewijzen van gehoorzaamheid door genade aan God kunnen opdragen. Dit kan alleen vanuit vertrouwen op God.

[6] Dat is ook de toon van de brief aan de Hebreeën, waarin de goede werken van de patriarchen uit het OT die uit geloof zijn gedaan. De brief spoort aan om jezelf als wapen van gerechtigheid van God te hanteren. De schrijver troost en spoort aan met de gedachte dat de christenen niet meer dor de Wet geoordeeld worden. Dit is een aansporing om het goede te doen, niet om te blijven zondigen.

[7] Het derde en laatste aspect is de vrijheid in het gebruik van middelmatige dingen, de adiaphoroi. De onbelangrijke zaken, waar veel mensen het belang ook niet van zien om over te discussiëren. Maar ze zijn belangrijk in die zin dat ze een geweten verschrikkelijk kunnen strikken. Bij alles wat een mens doet of aanraakt moet hij zich afvragen of het wel mag, toegestaan is, er niet iets bestaat wat beter is. Zulke mensen lopen kans gekweld te worden door hun geweten.


Morgen lezen we boek III.19.8 - III.19.12

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 15 juli 2015

15-07; Boek III.18.6 - III.18.10

En weer verder. [6] Het vergaderen van schatten in de hemel. De goede werken worden vergeleken met rijkdommen die we kunnen genieten in het geluk van het eeuwige leven. Dit is te vergelijken met mensen die gaan emigreren, die sturen hun spullen ook vast naar het buitenland naar hun nieuwe adres alvorens ze zelf gaan reizen. En dit doen mensen door middel van geven aan de armen.

[7] Er zijn ook een paar teksten waarin het lijden omwille God op een verdienste lijkt te komen(2 Thess. 1:5; Hebr. 6:10). De eerste tekst gaat over de gelijkvoormigheid aan Christus door verheerlijkt te zijn ná het lijden. De littekenen van de Here zijn kentekenen van Gods kinderen. De tekst uit Hebreeën gaat meer over de waarheid van Gods belofte dan om de billijkheid van de betaling van schuld.

[8] Er is ook een groepje teksten met de liefde als thema, 1 Kor. 13:2; 1 Kor. 13:13; Kol. 3:14;. Tegenstanders zeggen daarom dat de mens door liefde gerechtvaardigd word. Maar de eerste tekst gaat niet over het ware geloof en de tweede tekst gaat over de vruchtbaarheid van de deugden, niet over de verdienstelijkheid. De tegenstanders willen van de liefde een verdienste maken en zo langs Christus die de spil van de gerechtigheid is. Calvijns interpretatie van het stukje heeft te maken met dat er een paar keer het woord geloof staat in bredere en smallere betekenis. De derde tekst zou volgens de tegenstanders af te leiden zijn dat als de band van de liefde volmaakt is, deze het ook is van de gerechtigheid, want dat is niet anders dan de gerechtigheid. Maar daar gaat volgens Calvijn de tekst niet over, en dan nog, wie heeft dan die liefde volkomen verwerkelijkt?

[9] Calvijn besluit met een algemene opmerking van een tekst die door alle tegenstanders van de universiteit van Sorbonne wordt geliefd. De rijke jongeling van Matt. 19. Een sluitend argument omdat Jezus zegt dat de geboden het eeuwige leven verdienen. MAar uit de context blijkt dat Jezus Zich aanpast aan de vragensteller.  Terecht wordt deze op de Wet als spiegel van de gerechtigheid gewezen. Maar pas bij het verschil tussen de volmaakte gerechtigheid en het eigen leven is de noodzaak van Christus zichtbaar. De man leert nu iets over zichzelf.

[10] Er zijn nog wat slimmigheden waar Calvijn niet op in wil gaan, te vermoeiend voor de beste man. Toch is er een schijnbaar redelijk argument waar hij niet aan voorbij wil gaan. Er zijn mensen die één maatstaf voor zonde en goede werken lijken te hanteren. Iedere zonde op zich is een ongerechtigheid, maar ieder goed werk is een gerechtigheid op zich. Ze gaan hier voorbij aan het feit dat de volmaaktheid zit in de voortdurende onderhouding van de Wet, niet een enkel werk. En dat aan één gebodsovertreding de hele Wet overtreden wordt.


Morgen lezen we boek III.19.1 - II.19.7

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 14 juli 2015

14-07; Boek III.18.1 - III.18.5

Uit de massa's van misverstanden en tegenwerpingen kiest Calvijn een paar nieuwe om te weerleggen als het gaat om de rechtvaardiging door geloof en niet door werken.

[1] Nu de teksten die beloning op werken noemen(2 Kor. 5:10; Rom. 2:6vv; Joh. 5:29; Matt. 25:34) of het eeuwige leven als beloning voor werken noemen(Spr. 12:14; Spr. 13:13; Matt. 5:12; Luk. 6:23;  1 Kor. 3:8). Dat God vergeldt naar werken is als volgt uit te leggen, de rekst(Rom. 2:5) is geen opsomming van dingen die elkaar opsommen, maar zaken die God geeft, Hij opent de weg voor goede werken, die beloond zullen worden. Zo werken mensen hun eigen zaligheid(Fil.2:12), waar 'werken' niet tegenover 'genade' staat, maar de zaak waarop men zich richt.

[2] Denken in werken is ook wel gek als de Bijbel vaak spreekt over  het koninkrijk der hemelen als een erfenis voor kinderen, niet een loon voor slaven. Christus zelf noemt het koninkrijk een zaak van beërven, naast het vergelden van loon en Paulus roept slaven op om het koninkrijk te beërven(Kol. 3:24). Het voorbeeld van de Izaäk-offerende Abraham laat zien waarom de Bijbel dan alsnog over werken spreekt; voor de geboorte van Izaäk kreeg Abraham de belofte van nageslacht. Toen hij bijna Izaäk had geofferd kreeg hij opnieuw de belofte die God al gegeven had als beloning voor zijn gehoorzaamheid. God beloont voordat de mensen er zelfs maar aan denken, aangezien God barmhartigheid is.

[3] Dat is geen flauwigheid, God wil ons zo door goede werken oefenen om ons te richten op de vervulling van Zijn beloftes en het genieten van Zijn beloftes. God heeft laten zien in een vergelijking van de wijngaardbezitter die alle werklui van over de hele dag hetzelfde loon geeft dat de beloning niet afhankelijk is van menselijk werken(Matt. 20). DIt wordt bevestigd door een werk van (Pseudo-)Ambrosius. Verder moet gezegd worden dat in de teksten het loon van het eeuwig leven niet de eeuwige gemeenschap met God in Christus is, maar het geluk van het eeuwig leven. De aanneming tot kinderen is uit genade en geschiedt bij de opstanding.

[4] De beloning is niet als een verkooppraatje gegeven om ons warm te maken, maar is vanwege onze zwakheid gegeven en houdt ons klein en nederig. God zorgt ervoor dat mensen wanhopen als ze kijken naar de dingen van deze wereld, dat is de oefening in het zelf verloochenen en het loochenen van de wereld. God leert ons om hoger te kijken om een gelukzaligheid die niet in de wereld te vinden is bij Hem te vinden. Dit is de vergelding die een vergoeding is voor de verdrukking, het loon is dat al het slechte wat christenen meemaken in een veel groter goed wordt veranderd. Scholastici zien dit doel niet en leggen daarom een verband tussen verdienste en beloning.

[5] Aan de kroon die God als een rechtvaardige rechter geeft(2 Tim. 4:8) moet toch eerst de genade als barmhartige Vader gegeven zijn. De waarde van goede werken is afhankelijk van dat ze in God in vergeven worden aanvaard, net als Augustinus zegt.
Morgen lezen we boek III.18.6 - III.18.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 13 juli 2015

13-07; Boek III.17.11 - III.17.15

De 28ste week van Lectio Calvini.

 [11] De tegenstanders van Calvijn zeggen dat hij zijn handen vol moet hebben met het Bijbelboek Jakobus. Het gaatg om de tegenspraak tussen rechtvaardiging, niet alleen door geloof(Jak. 2:21ec) en rechtvaardiging door geloof alleen(Rom. 4:3). Hoe zijn deze teksten overeen te stemmen. Jakobus schrijft tegen mensen die zonder de kenmerkende werken voor gelovige, zichzelf toch nog lieten voorstaan op hun geloof. Uit de tekst blijkt dat Jakobus het onterechte zelfvertrouwen van die mensen ook 'geloof' noemt, iets wat er op lijkt maar het niet is. Het is het geloof dat God bestaat, niet meer dan dat. Het geloof rechtvaardigt niet omdat het kennis over het bestaan van God brengt, maar omdat het doet rusten in de zekerheid van Gods ontferming.

[12] Bij Jakobus blijkt uit het schrijven dat rechtvaardigen een andere betekenis heeft dan bij Paulus. Bij Jakobus is Abraham pas gerechtvaardigd door het offeren van Izaäk. Maar Genesis vertelt dat Abraham al lang daarvoor gerechtvaardigd is, er moet dus een andere betekenis aan het woord zitten dan bij Paulus Jakobus bedoelt hier. Jakobus gebruikt rechtvaardigheid hier dan ook om rechtvaardigheid te bewijzen door middel van gehoorzaamheid en goede werken.

[13] Ook halen de tegenstanders Rom. 2:13 aan. Hier gaat het om de Joden wakker te schudden die een grote kennis had van de Wet, maar de Wet niet deden. Het doel van het stukje is om te laten zien dat iedereen tekort geschoten is in het doen van de Wet, Joden en heidenen samen. Het is niet de bedoeling om te laten zien dat mensen door de Wet gerechtvaardigd worden.

[14] Ook worden er door sommige teksten aangehaald, voornamelijk uit de Psalmen, waarin mensen hun gerechtigheid bij God in herinnering roepen(bijv. Ps. 7:9). De teksten zijn vaak beter te verklaren als je let in welke context of samenhang ze staan, het gaat ook om de teksten eromheen. Dan blijkt dat in de eerste plaats het om een bijzondere omstandigheid wanneer zoiets wordt gezegd, en niet aan de maatstaf van Gods volmaaktheid, maar in vergelijking met de verdorvenheden van andere mensen. Als het gaat om rechtvaardigheid, wordt dit altijd gezegd over iemands hele leven. De mensen houden het vertrouwen op God en roepen Hem aan omdat ze als onschuldigen worden verdrukt. Ze roepen God op als Rechter tussen hen en hun tegenstanders.

[15] Er zijn meer teksten die ongeveer hetzelfde bedoelen als bovenstaand. Maar er is niemand zo volmaakt, dus moet iedereen wel omkomen of vertrouwen op Gods barmhartigheid.  Hun werken zijn in het genadeverbond opgenomen. Niet op de manier van de Scholastiek, dat de werken nu wel de zaligheid verdienen.
Er zijn gebeden van de apostel waarin volmaaktheid van de gelovigen werd gewenst. Dit is in het verleden door aanhangers van ene Coelestius aangehaald om te betogen dat volmaaktheid in dit leven kan worden behaald. Met Augustinus vindt Calvijn dat dat pas zal lukken in de hemel na de aardse dood. Desondanks zijn gelovigen volmaakt te noemen, ook omdat ze ootmoedig zijn en weten van hun onvolmaaktheid.

Morgen lezen we boek III.18.1 - III.18.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 9 juli 2015

09-07; Boek III.17.1 - III.17.5

Calvijn gaat vrolijk verder met het behandelen van de tegenargumenten uit de scholastiek.

[1] Interessante tegenwerping is dat de beloften van de Wet niet krachteloos zijn. Er zijn veel teksten in de Bijbel die dit lijken te zeggen. Maar Calvijn heeft al duidelijk gemaakt dat dit alleen geldt voor degene die de Wet volmaakt onderhoudt. Voor ieder is er dus de vloek van de Wet waar de mens van bevrijd moet worden. En dat geschiedt uit genade.

[2] Niemand zou aan de voorwaarde van de Wet kunnen voldoen, dus op die wijze is de belofte van de Wet krachteloos. Daarom is Christus gegeven, niet als aanvulling op onze werken, maar om door geloof te rechtvaardigen. Het is niet de belofte van de Wet, maar onze mogelijkheden om de Wet te vervullen waar het probleem ligt.

[3] Op zichzelf genomen zou de Wet net zo goed niet gegeven kunnen zijn. Maar de beloften in het licht van het Evangelie maakt dat we goede werken kunnen doen. Daartoe de Wet dus. Zo vallen de intrinsieke waarde van werken op hun plaats als echt intrinsiek, en niet binnen een verbond toegekend.

[4] Sommigen concluderen op basis van Hand. 10:34e.v. dat een mens dus weer Gods gunst verwerft. Maar ze letten er niet op dat de mens niks heeft en alleen maar kwaad wil, dus dat er geen aanleiding is voor een goddelijke roeping. Ook werd Cornelius in hetzelfde hoofdstuk niet voorbereid op het krijgen van Gods genade door zijn gebeden en aalmoezen. Het is meer andersom. De aanneming van God is pure goedheid en de mensen zijn het eigenlijk onwaardig.

[5] God rust de mens toe om goede werken te doen en deze goede werken zijn God aangenaam. In die zin bemint God de trekken van Zijn eigen gelaat in de mensen.

Morgen lezen we boek III.17.6 - III.17.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 8 juli 2015

08-07; Boek III.16.1 - III.16.4

[1] Calvijn weerlegt enkele lastsprekers die op de leer gereageerd hebben. Er zijn mensen die zeggen dat Calvijn de goede werken afschaft en mensen niet meer hiertoe aanspoort door de nadruk te leggen op rechtvaardiging door geloof. Ze zijn treurig als er meer geloof is en minder werken. Maar Calvijn stelt dat werken juist het geloof versterken, slechts de rechtvaardiging is uit geloof en niet uit werken. We kunnen de rechtaardiging van Christus ons niet toeeigenen zonder de heiligmaking toe te eigenen(vgl. 1 Kor. 1:30).

[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.

[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse  gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.

[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?

Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.

Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com