Posts tonen met het label Jakob. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jakob. Alle posts tonen

maandag 10 augustus 2015

10-08; Boek III.22.4 - III.22.7

De 32ste week van Lectio Calvini. Direct maar weer de uitverkiezingsdraad oppakken waar we hem vrijdag hadden gelaten.

[4] Allereerst over Rom. 9:11 en gelijksoortige passages. Omdat he volk hoofmoedig was, ging de erfopvolging niet voor iedere Israëliet op terwijl elk was gezegend met de rechten van erfgenaam. Het is hun eigen schuld, maar ten diepste zit hier Gods uitverkiezing achter. De oorsprong zit, nogmaals, dus niet in de mens. Het is net als met Jakob en Ezau, hoewel onnatuurlijk is het een teken van verkiezing en verwerping. Paulus snijdt hier de pas af door de mogelijkheid door de verkiezing te plaatsen vóór de geboorte en voor de mogelijkheid tot verdienste. Als het wel uit verdienste zou zijn dan zou Paulus het niet hoeven te bespreken bij de ongeboren Jacob. Dat slaat dan nergens op.

[5] Mensen weten wel een plaats te redeneren voor verrichte en te verrichten werken, maar Paulus schrijft hier niet over. We mogen aannemen dat als Paulus dit wist, hij het ook gezegd had. Maar nu eren we dat de grond van de verkiezing Gods voornemen is, Jakob is hier een toonbeeld van.

[6] Maar eerstgeboorterecht is iets anders dan het eeuwige leven. Dat weet Calvijn ok, maar hij volgt de apostel hierin dat dit een aards teken is van de geestelijke verkiezing. Als het een aardse verkiezing was geweest heeft Jakob er niet veel aan gehad, zijn leven is niet echt aards gezegend geweest. Maar Kanaän is ok het onderpand van het hemels koninkrijk, we mogen aannemen dat Jakob is ingelijfd in Christus en dat het gaat over de uitverkiezing. En die uitverkiezing gaat vanuit de barmhartigheid en ontferming naar Gods wil van Hem uit. Zo komen we bij het gedeelte van het volk uit waar Petrus op doelt in Handelingen 2. Die heeft het met voorkennis ook over de predestinatie. God is hierin net zo actief als dat Hij was met het opwekken van Christus.
Paulus laat ons twee volken zien, het nageslacht van Abraham en de anderen die hiervan afgezonderd worden en voor mensenogen verborgen zijn.

[7] Ook Jezus getuigt van de uitverkiezing. Hij laat niemand die aan Hem door de Vader gegeven is verloren gaan. Mensen komen tot Hem als de Vader trekt. Hij bidt niet voor de wereld, maar voor hen die de Vader Hem gegeven heeft. Judas was wel uitverkoren tot apostelschap, wat a een grote gunst is, maar niet tot de zaligheid.

Morgen lezen we boek III.22.8 - III.22.11

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 15 april 2015

15-04; Boek II.10.14 - II.10.20

Jakob, Bileam en David geven er blijk van dat ze nog meer heil verwachten na de dood.

Als we de psalmen van David lezen zet hij vaak de tijdelijkheid van de schepping tegenover de eeuwigheid van het heil of van God. Zie bijv. Ps. 102. Daarop richt David ook vaak de aandacht van de gelovigen op in zijn psalmen. Dit geldt des temeer wanneer gelovigen in dit leven in verdrukking komen. Hieruit kunnen we opmaken dat de gelovigen van het OT wisten dat God Zijn belofte vaak niet in dit leven vervult. Het koninkrijk van God zal zich openbaren als de gedaante van deze wereld verandert. Zo konden ze ook zeggen dat beproeving een ogenblik duurt, terwijl hun leven vaak te typeren valt als een grote beproeving.

Job doet in Job 19:25-27 een bijzondere uitspraak die niet alleen kan slaan op een dag dat het hem weer voorspoedig gaat. En anders had hij daar niet aan kunnen komen door alleen naar het aardse te kijken. De dood ontnam Job de hoop niet. Job was zo een leraar die verborgenheden van het geloof openlijk uitsprak.

God heeft de inhoud van Zijn verbond duidelijker gemaakt naar mate de tijd vorderde. Ook de profeten hebben wel tijdelijke zegeningen genoemd, maar wel op zo'n manier dat de gelovigen wel moesten nadenken over het geluk van het toekomende leven.

Morgen lezen we boek II.10.21 - II.11.3