Posts tonen met het label zonde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zonde. Alle posts tonen

maandag 2 november 2015

02-11; Boek IV.15.9 - IV.15.16

De 44ste week.

[9] In het OT waren de zaken van de Doop, doding en afwassing, al voorafgeschaduwd. In de doorgang door de Rode Zee liet God zien dat Hij ons uit de slavernij leidt. In de wolk van het volk in de woestijn laat Hij zien dat Jezus ons een verkoelende wolk is en de ondraaglijke toorn van de Vader van ons weghoudt.

[10] Het is een misverstand om te denken dat de Doop de erfzonde weghaalt. De erfzonde is namelijk het bederf van de menselijke natuur die op zichzelf al vloekwaardig is, en de bron van alle werken van het vlees is. De Doop is de verzekering dat deze vloek weggenomen is van de gedoopte.

[11] Ten tweede blijft de erfzonde telkens nieuwe vruchten of werken van het vlees naar voren brengen, dit houdt pas op met het afleggen van het sterfelijk lichaam. Dit is geen excuus om dan maar te blijven zondigen, maar ook geen reden om te wanhopen, wie al een klein beetje vooruitgang maakt boekt winst.

[12] Dit is wat wordt beschreven in Romeinen 7. Paulus zegt daar dat we bevrijd zijn uit de klem van de Wet om met Christus verbonden te worden. De Wet is er om ons de onmacht en ellende te belijden. Dit laat Paulus zien bij zichzelf waarin hij te maken heeft met de overblijfselen van de zonde in zijn lichaam. Deze verhinderen hem om de Wet geheel te gehoorzamen. Maar gelukkig is de gelovige niet meer onder de Wet en wordt hij van schuld en oordeel vrijgesproken.

[13] De Doop is ook een belijdenis tegenover andere mensen om te laten zien dat de gedoopte bij God hoort. Dit is wat Paulus bedoelt als hij de Korintiërs vraagt naar hun Doop(1:13).

[14] Nu e dit weten mogen we ervan overtuigt zijn dat in de Doop we gesterkt en gevoed worden, dat god tot ons spreekt en ons wast en ons aan de heerschappij van satan ontrukt en dat Jezus één met ons wordt. Dit is even zeker als het water dat wast of waar de dopeling in ondergedompeld wordt. Want dat is een Sacrament en dat is hoe Jezus tot ons wilt spreken.

[15] Zo werd Cornelius de hoofdman gedoopt tot meer zekerheid in zijn geloof. Paulus werd gedoopt om de vergeving van zonden gerust te aanvaarden. Het is zeker een krachtig handelen van God naar ons toe, maar puur als symbool genomen is het een teken van ons vertrouwen in Gods barmhartigheid, onze reinheid in Jezus en onze eensgezindheid in de Kerk.

[16] Het maakt niet uit wie de doop bedient, want het is ten diepste het handelen van God, net zoals het niet uitmaakt welke postbode een brief bezorgt. Dit was vroeger de dwaling van de donatisten en in Calvijns tijd de dwaling van de wederdopers. Ook in het pausdom werden mensen in de naam van de Drie-enige God gedoopt en was de Doop met dezelfde inhoud.

Morgen lezen we boek IV.15.17 - IV.15.17.22

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 14 oktober 2015

14-10; Boek IV.11.14 - IV.12.4

[15] De pausen hebben in de loop van de tijd rechtsbevoegdheden naar zich toe getrokken door middel van trouwbreuk en wapens. en dat terwijl paus Gregorius de Grote nog een concilie met een banvloek heeft georganiseerd over bewakers van kerkelijke goederen die onrechtmatig bezit verkregen. Ze schreven een eigendomsverklaring voor een landgoed dat ze op het oog hadden. Het wordt duidelijk dat als pausen in de jaren daarna zich hier niets van aantrokken het ze niet om de eer van Christus te doen is.

[16] Door de eigendommen denken de kerkelijke heren ontslagen te zijn van verplichtingen. Ze denken dat de verhevenheid van de Kerk erin ligt ontheven te zijn aan wetten en verplichtingen die voor iedereen gelden. Dit is historisch ook onjuist. Juist in de tijd van Ambrosius was duidelijk dat de Kerk over kerkelijke zaken ging, ook over de keizer als die erbij betrokken was. De keizer ging over de wereldlijke zaken, mensen konden zelfs de keizer voor het gerecht slepen, dat was normaal. De landerijen zouden in Ambrosius tijd gewoon belasting hebben betaald. Ook werd de bemoeienis van de keizer met de zaken van de Kerk afgeweerd door Gregorius I(de Grote)

[17] Deze heiloige mannen hadden geen bezwaar als de keizer zijn gezag in kerkelijke aangelegenheden liet gelden, maar zorgen ervoor dat dit tot nut van de orde en tucht was, niet ter verstoring, met geweld en willekeurig. De overheid zou de godsdienst met wetten, verordeningen en strafmaatregelen in stand moeten houden, pmdat de Kerk niet kan dwingen in maatschappelijke zin.

[1] Nu wil Calvijn de laatste zaken over de tucht in orde brengen, hiervoor maakt hij allereerst een onderscheid tussen de gewone gelovigen en de gelovigen die een ambt bekleden, de geestelijkheid. Mensen met een afkeer van het woord tucht moeten beseffen dat als een gezin of maatschappij orde heeft, dit nog meer van toepassing moet zijn in de Kerk, de tucht is als de spieren in het lichaam van Christus. Zonder de tucht ontspoort het.

[2] De grondregel is dat er persoonlijke vermaning moet zijn, allereerst tussen alle gelovigen onderling, maar met de ambtsdragers in het bijzonder. Zo deed Paulus het ook. Luistert de persoon niet, dan moet deze bij de rechtbank van de Kerk, dat is de vergadering van de ouderlingen langs voor een vermaning. Als dat niet werkt moet hij uit de gemeenschap van gelovigen gestoten worden.

[3] bedekte zonden, die verborgen zijn, moeten tussen mensen onderling besproken worden, openlijke zondes of die bij iedereen bekend geworden is moet in het openbaar bestraft worden, zoals Paulus aan Timotheüs schrijft(1 Tim. 5:20). Hij deed dit zelf ook bij Paulus. Bij verborgen zonden moet de eerst genoemde procedure gevolgd worden, bij openbare zondes moet er meteen overgegaan worden naar een officiële berisping.

[4] Een ander onderscheid is tussen overtredingen en misdaden of schanddaden. Bij de laatste soort moet ook men ook de ban uitspreken(1 Kor. 5:3). Als de Kerk zo mensen die blijven volharden in minachting voor de Kerk uitbant is dit haar door de Heere gegeven bevoegdheid. Het is niet iets menselijk, het is de bekendmaking van het vonnis van God Zelf. De Kerk kan dus ook de gelovigen na berouw weer opnemen in de Kerk. Mensen vergissen zich als ze denken dat de Kerk zich lang zonder te tucht kunnen handhaven.

Altijd spannend over de tucht. Ik heb zelf niet veel meegemaakt over de tucht, direct of indirect.

Morgen lezen we boek IV.12.5 - IV.12.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

zaterdag 6 juni 2015

05-06; Boek III.4.32 - III.4.35

Een dagje later, ik was gister op een conferentie vanaf verschrikkelijk vroeg. Misschien is dit onderdeel ook wel een van de moeilijkere gedeeltes in het calvinisme; de straffende God. Dit godsbeeld gaat in tegen het godsbeeld dat veel mensen hebben, het Moralistic Therapeutic Deism(https://en.wikipedia.org/wiki/Moralistic_therapeutic_deism) of het roept nare ervaringen of onbeantwoorde vragen over het levensloop bij jezelf of andere op. Maar ik denk dat Calvijn toch de moeite waar is om door te lezen.

We gaan weer verder met het onderscheid tussen straf en tuchtiging. [32] Calvijn noemt kastijding zelfs een zegen. De straf van de torn daarentegen wordt het voorportaal van de hel in dit leven genoemd. De Bijbelse personen hebben vaak gebeden om bewaard te worden van de toorn maar niet om de kastijding/tuchtiging af te houden. Er ligt zelfs vermindering van smarten in het overdenken van Gods bedoeling, aldus Habakuk. God slaat namelijk soms zo dat mensen zich niet ver van de hel verwijderd voelen, God zegt dat mensen Zijn toorn hebben verdiend en mensen beijveren zich om met God in het reine te komen. En toch is God mild en matig in het kastijden. Dat is ook wel nodig, Calvijn zegt dat mensen die zich toeleggen op de beoefening van vroomheid ook een stuk teerder in hun gemoed worden.

Een tweede verschil[33], de straf is een betaling van de zonden, de tuchtiging is gericht op bekering. Je zou kunnen zeggen dat de straf is gericht op het verleden van een persoon en de tuchtiging op de toekomst.  Dit is al bekend bij Augustinus en (Pseudo-)Chrysostomus, niets nieuws wat Calvijn ten berde brengt. God laat Zich ook vaak zien als verontwaardigd als Zijn volk zich niet bekeerd. Wat ook een aspect hierin is, is dat gelijke omstandigheden voor de een tot tuchtiging en voor de ander tot straf is, als ik mij niet vergis werkt Augustinus dit groots uit in de Stad van God, waar gelovigen en ongelovigen in Rome door de Visigoten werden getergd.

[34] Een gelovige moet zich sterken met deze gedachte in de bitterheid van beproeving. Het zou zomaar voorkomen dat een gelovige denkt dat hij gestraft wordt en zich onmogelijk kan voorstellen door God bemint te worden. Maar je komt verder als hij bedenkt dat God Zich over de zonden vertoornt, maar hemzelf genadig en goedgunstig is. Het is soms zwaar, zoals ook in de Bijbel de wanhoop dicht genaderd wordt. Het is ook een beproeving als ongelovigen ongestraft blijven en gelovigen de volle laag krijgen. Maar het is genade om terug naar de Wet gebracht te worden terwijl de goddelozen rondrennen op een weg die eindigt in het graf.

[35]Nu over de bestraffing van David na Batseba. God liet overduidelijk zien dat Hij doodslag en overspel niet wil. David is hierin ook een voorbeeld voor alle eeuwen na hem. Desalniettemin was het geen straf om iets aan God te betalen. Dit is ook de algemene vloek van de mensheid, hierin voelen we hoe serieus God de overtredingen van Zijn Wet opneemt en laat ons verlangen naar het hoogste geluk. God straft op die manier verschillend bij verschillende personen, maar God laat zien dat Hij meteen vergevingsgezind is als de getuchtigde zich bekeert, en dat het onze halstarrigheid is die hiertoe in de weg staat. David wordt uitgebreid besproken, andere voorbeelden laten vaak vergeving uit genade zien., het verhaal van David is in die zin meer een uitzondering.

Wat mij opvalt is dat hier God actief op het mensenleven wordt betrokken, in onze tijd lijkt God wel op afstand te staan, zeker in zaken die je overkomen. Misschien wil de mens vandaag nog wel het positieve aan God toeschrijven, maar echt alles en zo direct als Calvijn het schetst kunnen we misschien nog wat van leren.

Volgende week lezen we Boek III.4.26 - III.5.2

Lees deze en andere post terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 2 juni 2015

02-06-2015; Boek III.4.16 - III.4.20

Vanochtend weigerde mijn wekker dienst dus moest ik direct door naar college. Daarom nu wat later de lectio van vandaag. Ik voeg ook per alinea toe welke paragraaf het betreft. Overzicht is een schone zaak.

Calvijn zal nog eens de roomse biechtleer afdrogen. [16]Later in boek IV zal Calvijn nog terug komen op de biecht. Allereerst is het vreemd dat alle zonden gebiecht moeten worden, als we kijken naar de uitspraken van David in de Psalmen waarin hij weliswaar spreekt over veel, afgrijselijk veel zonden, maar niet over iedere zonde afzonderlijk in een opsomming.

[17]De casuïstiek van de roomse theologen doet de mens verstikken in eindeloze onderverdelingen zonder echte oplossingen te bieden. Niemand kan hierdoor getroost worden, zeker als iemand zich bedenkt hoe moeilijk het is om alle zondes van een dag boven water te krijgen, laat staan van één jaar tijdens de verplichte biecht.

[18]De kerkelijke wet dat niemand de hemel inkomt zonder (het voornemen tot) de biecht maakt van mensen dus wanhopers, ze kunnen hieraan niet voldoen, en ook huichelaars omdat een lijstje opsommen niks anders is dan de echte kennis van hoe ellendig ze eraan toe zijn. Dit is een besef dat zondigheid groter is dan wat de mens ervan gezien heeft en ervan weet. dit drukt de tollenaar uit(Luk. 18:13). Niet dat Calvijn bedoelt dat een enkele zin genoeg is om gegarandeerd vergeven te zijn, maar we moeten erkennen dat we zondiger zijn dan we zelf hebben bedacht en kunnen beseffen. Krachtig tegenargument tegen de biecht is dat Christus zonder te biechten vergaf. Ook in de eerste eeuwen van de kerk bestond de biecht niet. De opsteller(in de Summa) van de biechtregel heeft zichzelf tot rechters aangesteld.  Maar het is geen zaak van de rechter om te weten of de zondaar wordt vrijgesproken, vrijspraak van zonden bestaat in geloof en bekering, dus het is de zaak van de zondaar die het voorwaardelijke Woord zich toegeëigend dat door de dienaar van het Woord gesproken wordt.

[19]Desondanks een paar schijnvoordelen wil Calvijn de oorbiecht afgeschaft zien. Schijnvoordeel is de schaamte die bij de biecht komt, dit zou vervolg van de zonde tegengaan. Alsof het roepen voor het gerechtelijk onderzoek door God de mens niet genoeg verootmoedigt. Praktijk is dat de priester een losplaats is voor zonden waar verder niet over nagedacht wordt in de rest van het jaar.

[20]Calvijn vindt de priesters geen opvolgers van de apostelen en daarom bezitten ze niet hun dierbare sleutelmacht. De sleutelmacht wordt namelijk gegeven met de Heilige Geest, weliswaar aan de apostelen, maar pas op de tweede plaats. Calvijn is er niet van overtuigd dat de priesters deze hebben. Bewijs daarvoor vindt hij in het onderwijs waarin met bedekte termen wordt gesuggereerd dat vergissen mogelijk is met de sleutelmacht, maar de Heilige Geest vergist Zich niet.

Morgen lezen we boek III.4.21 - III.4.26

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

vrijdag 22 mei 2015

22-05; Boek III.3.11 - III.3.15

Calvijn beweert dat wee door wedergeboorte weliswaar niet van de zonde zelf, maar van de schuld van de zonde worden verlost. Dit in aansluiting op Romeinen 7:6. Ook zou dit ontkennen uiteindelijk tot de consequentie moeten leiden dat de overtreding van de Wet geen zonde is. We moeten namelijk met heel hart, ziel en kracht liefhebben. Dit lukt niet, dit bewijst dat de ziel niet helemaal vol is met de liefde tot God.

Maar een mens is toch geschapen door God met begeertes? Ja, zegt Calvijn, maar die zijn tuchteloos en onmatigheid verbonden. Het gaat om de begeertes die natuurlijk zijn èn onbeheersbaar of ongeregeld.

Met Augustinus bewijzen wordt aangetoond dat de wet van de zonde er nog is, maar dat de schuld hiervan vergeven is. Mensen voeren vaak Jac. 1:15 hiertegen in. Maar als de zonde pas de daadwerkelijke zonde is, kan de kwade wil geen zonde meer zijn. De vruchten zijn zonde en niet los te zien van de begeerte die dan ook zonde wordt genoemd.

Er waren in die tijd bepaalde wederdopers die beweerden dat je je geen zorgen hoefde te maken over he beteugelen van het vlees, het onderscheid tussen goed en kwaad is van de zondeval en uit de wereld geholpen door Christus. Dit is een gedachte die vandaag de dag nog steeds wel hier en daar de kop opsteekt. Mensen hoeven niet bang te zijn of ze iets verkeerd doen, de Geest maakt dat wel duidelijk. Maar christenen(zo expliciet door Calvijn genoemd) kennen de Geest uit de Bijbel waarin Hij een Geest van heiliging is en ons gehoorzaam aan God maakt. Hij maakt ons heilig zo lang we leven en helpt ons in de strijd tegen de zondige begeertes.

Calvijn typeert de bekering aan de hand van zeven gemoedsgesteldheden die hij ziet in 2 Kor. 7:11. Droefheid over de zonde, verantwoordelijkheid die een verontschuldiging is in een gebed om vergeving, vrees voor de toorn de ons nederig maakt, verlangen naar gehoorzamen aan God, wraak die de erkentenis is van Gods gerechtigheid. Bij deze laatste moeten we niet vervallen tot wanhoop, dat is een list van de duivel om van de bekering af te brengen.

Volgende week lezen we boek III.3.14 - III.3.20

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 21 mei 2015

31-05; Boek III.3.5 - III.3.10

Nu gaat Calvijn de bekering in fijnere lijnen uitwerken. Dat de Bijbel een onderscheid maakt tussen bekering en geloof moet ons niet in de war brengen. Het zijn twee zaken die wel te onderscheiden zijn, maar niet te zaken. De bekering van poenitentia hoort bij de hele bekering(conversio). Calvijn definieert de bekering als volgt:"zij is de ware omwending van ons leven tot God, die voortkomt uit een oprecht en ernstig vrezen van God en die bestaat uit de doding van ons vlees en van de oude mens, en de levendmaking van de geest." Zich bekeren of terugkeren, tot inkeer komen, zich boetvaardig betonen zijn allemaal termen die ook kunnen worden gebruikt in de Schrift voor de bekering.

De bekering is een innerlijke verandering die plaatsvindt voordat er vruchten van werken kunnen komen. Het tweede aspect is het vrezen van God. De gedachte aan het oordelen van God spoort de mens aan om zijn leven anders in te richten. Hierbij hoort ook het verafschuwen van de zonde, de mens heeft droefheid naar God en een afschuw van zonde omdat hij in de zonde de reden voor Gods toorn ziet.
Ten derde komen hier de doding en de levendmaking weer voor de dag. De profeten vertolkten dit in het OT met de simpele woorden stop met slechte zaken, doe goede dingen voor de Heer. Dit betekent dan het doden van de oude mens, zelfverloochening voor de aardse begeertes. En door de vernieuwing van de Geest kan je dan vruchten van het geloof tevoorschijn brengen, daar wezen de profeten ook altijd op.  Het woord doding laat zien hoe lastig en radicaal het afleggen van aardse verlangens en begeerte is.

Bekering is wedergeboorte in de ogen van Calvijn. In de doding en de levendmaking van de mens delen we in de dood en opstanding van Christus. In de wedergeboorte worden we vernieuwd tot de oorspronkelijke staat waaruit Adam was gevallen. Bekering is geen moment of een periode, maar een levenslange krijgsdienst. Je bent dus nooit uitbekeerd. De gerechtigheid bezitten is niet alleen voor in de hemel, zoals ene Staphylus tegen Calvijn polemiseert.

Desondanks blijven de gelovigen zonde bezitten. Alle theologen zijn erover eens dat de wedergeboren mens nog steeds in zichzelf een vboedingsbodem voor het kwaad hebben zitten. Hierdoor kunnen christenen tot zondes aangezet en geprikkeld worden. Verschil tussen Calvijn en Augustinus is er over wat nu zonde in de wedergeboren mens is. Calvijn moet de begeerte, het geprikkeld worden tegen de Wet van God in een zonde, Augustinus wil de instemming met de begeerte pas zonde noemen, niet de begeerte op zichzelf. Als je niet kan voorkomen dat een vogel op je hoofd land, maar wel kan voorkomen dat hij daar een nest bouwt, noemt Augustinus pas het nestje de zonde, en Calvijn het landen van de vogel.

Morgen lezen we boek III.3.11 - III.3.15

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 9 april 2015

09-04; Boek II.53 - II.8.59

De Wet en de profeten hebben ons geleerd dat geloof op de eerste plaats komt en daarna de liefde. Zo is dus de tweede tafel niet uitvoerbaar zonder de eerste tafel van de Wet. Zo kan je je naaste niet dienen als je God niet dient.

Opvallend is dat er in de Wet geen enkel gebod staat dat persoonlijk voordeel oplevert voor jezelf. De eigenliefde is van nature sterk genoeg en dit blijft een mens altijd houden. Het is zelfs zo dat God deze eigenliefde heeft genomen als maatstaf voor je naaste.

En natuurlijk is onze naaste zo'n beetje ieder willekeurig mens op deze planeet. En om deze lief te hebben moeten we niet naar de mens kijken omdat deze vaker haat dan liefde oproept. We moeten op God zien.

En dit is wat anders dan de Roomse kerk die deze regel optioneel maakt voor gewone gelovigen en alleen voor monniken bindend maakt. Dan moeten we ook uit de Bijbel schrappen dat God alle wraak toekomt. Chrysostomus en Augustinus, eigenlijk alle oude kerkvaders hebben geen blijk gegeven dat dit gebod niet als een volwaardig gebod voor iedereen moeten gelden.

Ook is de 'vergeeflijke zonde' Calvijn een doorn in het oog. Dat is een begeerte die kort zonder toestemming in de mens zit. In het laatste gebod gaat het om het begeren. En een begeerte kan er alleen komen als het hele hart, ziel en verstand niet God zoekt. Ik moet zelf denken aan een uitspraak dat e niet kan voorkomen dat een vogel over je hoofd vliegt maar wel kan voorkomen dat een vogel een nest bouwt op je hoofd. Calvijn zou daar iets van vinden, vermoed ik. Iedere zonde is doodzonde, een onderscheid tussen verschillende zondes is onbijbels en volgens het woord van Augustins een bedrieglijke weegschaal.

Morgen lezen we boek II.9.1 - II.9.5

woensdag 1 april 2015

01-04; Boek II.8.15 - II.8.19

We beginnen midden in een stuk waarin Calvijn de inleiding van de wet uitlegt.

Als God zegt dat Hij ons uit het land Egypte heeft geleid, is dit een herinnering aan een weldaad. Zo laat hij Zich kennen als de bewerker van vrijheid en claimt Hij die titel tegenover anderen goden en namen. Voor ons geldt dat God ons uit de zonde heeft bevrijdt en in Zijn koninkrijk heeft gebracht.

Het eerste gebod, dit betekent niet alleen geen andere goden hebben, maar ook wat God toekomt niet op een ander overdragen. God komt toe onze aanbidding geestelijke gehoorzaamheid van het geweten, het vertrouwen, de aanroeping en de aanbidding. Het 'voor Mijn aangezicht' laat de ernst van het gebod zien. God maakt daartegenover echter duidelijk kenbaar dat alles wat wij op touw zetten wat wij beramen en wat wij ten uitvoer brengen, Hem onder ogen komt. He geweten moet daarom rein zijn, zelfs van de meest verborgen gedachten aan afvalligheid, als wij onze godsdienst aangenaam willen maken.

Het tweede gebod, geen gesneden beelden. God geeft zelf aan hoe Hij is en hoe Hij vereert wil worden. We moeten niet denken dat we God kunnen vatten in beelden, en we moeten beelden niet gebruiken in de godsdienst.

God zet met de dreigende woorden dit gebod kracht bij, deze is in feite hetzelfde als dat God zou zeggen dat Hij de enige is om aan te hangen. Maar dan met donkere tinten geschilderd. Net als in een huwelijk belooft de Kerk met dit gebod haar trouw aan God. Als haar Bruidegom zelf heiliger en kuiser leeft zal Hij meer ontvlammen als Hij ziet dat Zijn vrouw dit niet doet.

Calvijn behandelt hier ook over de straf door de generatie heen. Hier gaat het over de straf tot in het vierde geslacht terwijl God in Ezechiël duidelijk maakt dat Hij niet de zoon laat opdraaien voor de zonden van de vader. Er zijn wat uitvluchten bedacht zoals dat God tijdelijke straffen bedoelt. Maar Calvijn benadrukt dat de zonde zo groot is en de straf zo zwaar dat deze niet beperkt kan blijven tot het grenzen van het tegenwoordige leven. En je kan ook niet verwachten dat een goddeloze vader voorbeeldig vrome zoons krijgt.

Volgens mij is dit laatste gedeelte altijd het moeilijkst te verkroppen, zeker voor geïndividualiseerde 21ste eeuwers. Maar misschien ook wel ontnuchterend dat zonde niet alleen consequenties hebben voor de zondaar, maar ook voor meerdere mensen. Laat ons dit aansporen om ons nog meer toe te leggen op het goede, wie weet heeft dit ook gevolgen voor meerdere personen.

Morgen lezen we Boek II.8.20 - II.8.26

vrijdag 27 maart 2015

27-03; Boek II.7.13 - II.8.1

Voor gelovigen is de Wet niet meer een vloek maar een aansporing om goed te doen, als een soort persoonlijke trainer. De zedelijke wet is in die zin afgeschaft, maar blijft ook van gelding om ons te leren, vermanen, berispen en te verbeteren om ons tot alle goede werken te vormen en toe te rusten.

De vloek van de Wet was dat ze beval wat ze leerde, gelovigen zijn bevrijd van de eis van de Wet, waarin er geen vergeving is en alleen maar vergelding. Christus heeft die vloek gedragen. Je zou kunnen zeggen dat de Wet van een hysterisch krijsende bureaucraat die ook nog eens een keertje volledig gelijk heeft, naar een kalme en wijze basischoolleraar is geworden(hangt natuurlijk van je basisschool af, ik had best relaxte leraren).

De ceremoniële Wet is ook zijn haar gebruiken afgeschaft. Met de komst van Christus was er geen verhulling meer nodig, het voorhangsel is gescheurd. De ceremonieën in het OT waren volgens Calvijn niet zozeer gericht op de verzoening, als wel op de belijdenis van schuld. Ieder offer was een bekentenis dat de Israëliet verdiende te sterven, maar dit afkocht met een offerdier. Zo kan Paulus zeggen dat het handschrift dat tegen ons was(Kol. 2:13) op de ceremonieën sloeg en vernietigd was. II.7.17 lijkt me tegen het New Perspectives on Paul(https://en.wikipedia.org/wiki/New_Perspective_on_Paul) aan te schuren wat betreft onderwerpen, met name de scheiding dor de ceremoniën tussen Jood en heiden.

Nu door naar de verklaring van de Tien Geboden. Eerst herinnert Calvijn ons eraan waarom de Wet was gegeven. Eerst geeft God met de Wet aan hoe eerbied voor Hem eruit ziet. Vervolgens laat de Wet zien dat de mensen dit niet lukt. Buiten de Wet om heb je ook de wet in het hart van de heidenen, deze komt overeen met de stenen tafelen, maar de laatste verduidelijken de eerste.

Maandag lezen we Boek II.8.2 - II.8.7

woensdag 25 maart 2015

25-05; Boek II.7.2 - II.7.7

Zowel de lijn van Levi, dat zijn dus de priesters, en de lijn van David was een spiegel voor Christus. Het waren allebei aspecten van de Wet die tot Christus leiden. Jesaja heeft het namelijk over een enkel offer dat zonden verzoent, Hebreeën heeft het over een Priester in de orde van Melchisedek en Daniël heeft het over een ander zalving. Zo is Christus het einddoel van de wet. We leren uit de Wet wat zonde is en dit zou ons niet helpen als Christus ons niet te hulp kwam.

We leren dus uit de wet wat volmaakte gerechtigheid is, we leren dat iedereen faalt om hierin te gehoorzamen, Het goed van de belofte is, werkt dan zo dat de eigen ellende eraan af te lezen is.

We blijven door de Wet op afstand staan van wat de Wet belooft. Maar de Wet heeft wel nut voor ons. Want onze halve gehoorzaamheid neemt God en deelt ons dankzij genade in het goed dat de Wet belooft.

Het volbrengen van de wet is onmogelijk. Er is niemand geweest die dit kon, zelfs niet de legendarische heiligen, en er zal ook niemand komen die de Wet kan volbrengen. Calvijn laat zien dat de Bijbel ervan uitgaat dat iedereen onder de Wet onder de vloek leeft.

Er zijn drie functies van de Wet, de eerste is dat deze laat zien waar de zonde in de mens zit, hiervan overtuigt en zo de mens tot erkenning brengt van zijn probleem door het vertrouwen in zichzelf weg te nemen. De Wet is iets wat tegenover hem staat en alle slechte begeertes uit hoeken en gaten tevoorschijn haalt. Het gaat hier dan wel om de zogenaamde zedenwet.

Dit zegt niks negatiefs over de Wet maar strekt haar tot roem.

Morgen leen we Boek II.7.8 - II.7.13

maandag 23 maart 2015

23-03; Boek II.5.18 - II.6.2

Calvijn was bezig wat bewijsplaatsen van tegenstanders te behandelen.

Ecclesiasticus(Jezus Sirach, deuterocanniek) 15:14-17
Calvijn noemt eerst de auteurschap twijfelachtig. Ik zou hier persoonlijk zelf wat meer van willen weten. Er zijn ook protestantse stemmen die het belang van de deuterocanonieke boeken voor het verstaan van het NT benadrukken. Niet dat ze daarmee canoniek zijn. Maar Calvijn gaat voor de aardigheid mee met zijn tegenstanders. Er staat dat de mens vanaf zijn schepping de keus had tussen goed en kwaad. Dat mag dan wel zo zijn, maar dan wil Calvijn graag daarbij zeggen dat dit allemaal verloren is gegaan door de zondeval. Dan erkennen Calvijn en zijn tegenstanders samen dat de mens geen advocaat maar een arts nodig heeft.

Lucas 10:30
Dit is het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Mensen hebben hier in gezien dat de reiziger halfdood werd achtergelaten. Dus er is nog iets achtergelaten. Calvijn stelt hier duidelijk onderwijs over dat de mens dood is voordat hij wordt geroepen door God. Je kan alleen de vergelijking op de mens betrekken door middel van een allegorie, maar een allegorie heeft de rest van de Bijbel als norm.

Het blijft gewoon staan, het verstand van de mens is door de zonde zo verduisterd dat er niks goeds uit kan komen en dat het hart doordrenkt is met het gif van de zonde dat het alleen nog maar een walgelijke stank kan verspreiden.

Nieuw hoofdstuk waarin Christus aan bod komt.
De mens is door de zondeval van het leven in de dood gevallen en kan buiten Christus om geen kennis verkrijgen die leidt tot heil. Nu komen we overal de vloek van God tegen. We kunnen God niet zien als onze Vader door de wereld. We beroven God hierdoor van Zijn eer. Zijdelings wil ik opmerken dat naar mijn idee er vaak over het hoofd wordt gezien dat God eren een belangrijk aspect van geloof is, geloof heeft een sterk liturgisch aspect. Calvijn denkt sterker liturgisch en minder sterk juridisch, in tegenstelling tot wat veel mensen van hem denken. De enige weg om in de hemel te komen is door Christus, dit geldt voor alle mensen in alle tijden. Alle andere volekn waren niet in staat om zonder onderscheid en bedrog God te aanbidden, daarom heeft nooit een godsdienst God behaagd omdat deze niet naar Christus wees.

Dit gold ook in het OT. Het volk heeft nooit op genade gehoopt buiten de Middelaar om. Dit blijkt door de lijn van het nageslacht van Abraham. Het nageslacht van Abraham komt telkens terug in de gebeden en psalmen van David. Ook zijn deze terug te vinden bij Jeremia. De Middelaar was nog niet geboren. Dat wisten alle oude vaderen van het OT.

Morgen lezen we Boek II.6.3 - II.7.1


donderdag 12 maart 2015

12-03; Boek II.3.5 - II.3.9

De wil is slaaf van de zonde, dat wil zeggen dat de wil noodzakelijk zondigt, maar hier niet toe gedwongen wordt. Hij heeft zelf gekozen voor de slavernij en deze slavernij is niet tegen zijn zin. Net zoals God niet tegen Zijn wil goed doet, maar omdat Hij goed is. Augustinus en Bernardus van Clairvaux leerden dit al, maar Petrus Lombardes' misinterpretatie zorgde ervoor dat mensen noodzakelijkheid ging zien als dwang, wat in de latere tijden bij theologen ontspoorde.

Het grootste bewijs voor de onmacht van de wil tot het goede blijkt wel uit wat de bekering is. Dat is een goed werk van God dat Hij in ons hart begint. Het begint met liefde tot gerechtigheid en wordt voltooid in volharding geven. Dit is een nieuw hart van vlees geven in het binnenste. Nergens blijkt dat de mens een zwakke wil heeft die wordt ondersteund door God. En als de mens het goede wil na de bekering is dit niet zijn eigen wil, maar het doorgaande werken van God in hem.

Twee redeneringen brengt Calvijn ter bewijs aan. Alleen de uitverkorenen hebben een goede wil, maar de oorzaak van de uitverkiezing ligt buiten de mens. Waarschijnlijk komt dit ook wel terug als we het daadwerkelijk over de uitverkiezing gaan hebben. Ten tweede het goede wil en hand liggen in het geloof, maar geloof is weer een genadegave van God.
De gebeden die we in de Bijbel zien, demonstreren dit ook. 1 Kon. 8:58, Ps. 119:36, Ps. 51:12.
Ook na de bekering houdt God niet op om de wil naar het goede te trekken, er zijn genoeg dingen die de wil van de gelovigen aftrekken van het goede.

Morgen lezen we Boek II.3.10 - II.3.14

woensdag 11 maart 2015

11-03; Boek II.3.1 - II.3.4

De mens is volgens de Schrift het beste te kenmerken als vlees, en omdat de gehele mens wedergeboren moet worden kunnen we concluderen dat niet alleen het lagere zinnelijke gedeelte van de ziel vlees is. Paulus bewijst dit door een korte uitwerking van Romeinen 3. Niet bij iedereen treden wandaden aan de dag, maar de verdorvenheid zit in ieders hart.

Hoe het kan dat de wereld dan nog niet een grote chaos is geworden? God beteugelt door Zijn voorzienigheid de mensen. Behalve bij uitverkorenen, die geneest Hij. Maar, brengen sommige tegenstanders in, er zijn toch voortreffelijke mensen geweest, zoals Camillus, schijnbaar een voortreffelijke Romein, beroeps-toffe peer en toonbeeld in de geschiedenis van een goed mens. Calvijn lost dit op door te zeggen dat niet iedereen dezelfde gaven van God krijgt, sommige meer dan anderen. Ook zijn sommige erfelijke leiders door Gods voorzienigheid voortreffelijker geboren dan de gemiddelde mens.Maar de voortreffelijkheid van mensen wordt altijd bedorven door de ambitie en alle deugden zijn geen knip voor de neus waard voor Gods rechtertroon. Het helpt je geen centimeter de hemel in.

Morgen lezen we Boek II.3.5 - II.3.9


dinsdag 10 maart 2015

10-03; Boek II.2.24 - II.2.27

De mensen kunnen van nature niks bedenken wat op de eerste tafel van de Wet staat, misschien wel van de tweede tafel, maar dan alleen in zoverre dat het maatschappelijke verhoudingen betreft. Maar wat belangrijker is, is dat de aandacht eens moet worden gevestigd op de zondige begeertes die leven in de mens. Al zijn deze alleen bij zichzelf te merken, het zijn ook zondes, in tegenstelling tot wat filosofen hebben beweerd.

De mens kan van nature niks bedenken wat goed is. Dit doet pijn voor de meeste mens want zijn redelijk verstand is zijn trots. Maar Paulus zegt dat de mens tot niks bekwaam is uit zichzelf. Daarom moet ons denken vernieuwd worden en van dag tot dag verlicht worden door de Heilige Geest.

We moeten een onderscheid maken tussen zoeken wat fijn en goed is zoals de dieren dat doen, en wat werkelijk goed is in eeuwige zin. De eerste komt vanuit de natuur van de mensen voort, ieder ding streeft naar zijn eigen ontplooiing en verwerkelijking van zijn potenties. Maar dit is geen neiging van de wil, die zit namelijk meer in het verstand en kan verschillende opties beoordelen en kiezen uit wat hij onderscheidt.

Het is ook niet zo dat mensen in navolging van Origenes mogen denken dat de mens een klein beetje vrije wil heeft die geholpen moet worden. Dit berust op een verkeerde uitleg van Rom. 7:15, 19. Dit gedeelte gaat namelijk over de christen, niet over de natuurlijke mens. Zo zeggen Paulus en Mozes dat alles wat een mens bedenkt en wilt gewoonweg verkeerd is. Er zijn geen goede bewegingen van de wil buiten de Geest om.

In de kerkgeschiedenis komen wel vaker discussies voort waaruit de uitleg van het zevende hoofdstuk van de Romeinenbrief een belangrijke rol speelt. Of dit hoofdstuk slaat op een wedergeboren of onwedergeboren persoon bepaalt voor een groot gedeelte je theologisch denken over de mens. Het is dan ook niet voor niets dat de reformatoren zoals Calvijn en Luther en ook Augustinus(alhoewel die geen reformator, maar kerkvader was) zich goed hebben ingelezen in de Romeinenbrief. Ook Barth begon zijn carrière met de Römerbrief.

vrijdag 6 maart 2015

06-03; Boek II.2.12 - II.2.17

Calvijn gaat door over de mens.

Door de zondeval is de mens de bovennatuurlijke gaven, licht van het geloof, gerechtigheid die nodig is voor het eeuwige leven, verloren. Deze krijgt een mens pas weer door wedergeboorte. Het bederf van onze natuur zit in de verdorvenheid van de natuurlijke gaven, dat zijn dan zuiverheid van het verstand en oprechtheid van hart.

Toch blijft Calvijn de mens als redelijk wezen zien. En er is wel wat te bereiken met die redelijkheid. De mens is wel op zoek naar waarheid, maar hij is door de zonde gedesoriënteerd en heeft de neiging tot desinteresse.

Om de kracht van de rede te verduidelijken maakt Calvijn een onderscheid tussen hemelse en aardse zaken. Zo kan hij verduidelijken waar het verstand goed werkt, namelijk in de aardse zaken. De rede helpt gewoon niet bij de zuivere kennis van God, de aard van de ware gerechtigheid en de verborgenheden van het hemels koninkrijk.

De aardse zaken zijn politiek en economie, bedrijvigheid en vrije kunsten. Dat over de hele wereld mensen een ordelijke samenleving zoeken en dat volken over de hele wereld hierin overeenstemmen en dit zoeken laat zien dat de kiemen van de ordenende wetten zijn ingeplant bij iedereen. Discussies over wat recht en billijk is gaan over details, over de grote lijn stemmen mensen overeen wat recht en billijk is.

Mensen kunnen op het gebied van de wetenschap en een vak iets weten, inzicht hebben en zich ontwikkelen, of het vakgebied ontwikkelen. Dat is een bijzondere genade van God. We moeten daar dankbaar voor zijn en gebruik van maken als we kunnen, God is immers de bron van alle goed en alle waarheid.
God rust dus mensen toe om goed te zijn in hun vak.

Dat niet iedereen dit heeft of evenveel excelleert of juist totaal niet laat zien dat God deze gaven aan niemand verplicht is en maakt ons afhankelijk. God rust mensen uit op een manier die bij hun roeping past.

Het onderscheid dat Calvijn hier in deze paragrafen maakt gaat terug op Augustinus en zijn twee steden. We zitten hier op een stukje denkwerk dat rechtstreeks in de theologische discussie van vandaag die vooral in Amerika gevoerd, te weten de twee-rijken, bekend als w-w, 2k-theology of r2k. Voor verdere info is dit een leestip: http://opc.org/os.html?article_id=224 Voor kritiek hierop van gereformeerde kring zelf zie http://rcsprouljr.com/blog/ask-rc/rc-r2k-theology/ . Het staat tegenover het transformatie-denken, theonomisme en Kuyperiaans geen-duimbreed-op-het-erf-des-mensenleven-denken.

Wat vinden jullie, zinnige onderscheiding?

Maandag lezen we Boek II.2.18 - II.2.23

dinsdag 3 maart 2015

03-03; Boek II.1.9 - II.2.3

We moeten niet onderschatten waar de zonde allemaal inzit, hij is niet beperkt tot onze zinnelijke vermogens, maar zit ook in onze beste delen van de ziel. Dat we helemaal vernieuwd worden is daarvoor ok het bewijs. Ook moet ons gemoed worden vernieuwd volgens Paulus, aldus Calvijn.
Het is altijd iets vreemds, zonde hoort niet bij onze natuur. Daarom zijn wij en niet god ervoor verantwoordelijk. Omdat de menselijke natuur zo bedorven is en aan de erfzonde de losse zondes ontspringen spreken we van natuurlijke zondigheid, niet omdat de zonde bij de menselijke natuur hoort.

Nieuw onderwerp; vrije wil. Of beter, het gebrek aan vrije wil. Altijd een lastig onderwerp. Er zijn allereerst twee gevaren in deze discussie. De mens wordt ofwel passief omdat hij weet dat hij toch geen vrije wil heeft, o hij wordt verwaand omdat hij zich op een vrije wil kan beroepen tegenover God. Calvijn wil dus de mens wel duidelijk maken dat hij in ellende zit, maar toch moet streven naar het goede wat hij niet heeft. De mens moet leren dat hij zich niet moet beroepen op en roemen in iets wat hij niet heeft. Hij moet eerder erkentelijk en dankbaar naar God zijn.

Eerst gaat Calvijn weergeven wat anderen hebben gezegd over de vrije wil. De filosofen hadden het beeld van de ziel die in drie trappen was opgebouwd; verstand, wil, begeerte. Luistert de begeerte niet naar het verstand, dan woekeren er ondeugden in de ziel die moeilijk onder controle te brengen zijn. Kort gezegd zijn de filosofen ervan overtuigt dat de wil vrij is om het verstand te volgen.

Morgen lezen we Boek II.2.4 - II.2.7

maandag 2 maart 2015

02-03; Boek II.1.5 - II.1.8

Adam zette de wereld op zijn kop en draaide alles wat er aan orde bestond om met zijn eerste zonde. Het is dan ook begrijpelijk dat een zonde van deze grootte doorwerkte in zijn nageslacht. De gaven die Adam ontvangen had werden hem ontnomen toen het beeld van God i hem werd uitgewist. Zo komen we bij de erfzonde. Calvijn lijkt wel de eerste die het expliciet behandelt, dat alle mensen vanwege de fout van een persoon boeten is namelijk een onpopulair onderwerp.
In ieder geval werd het onderwerp verder onderzocht toen Pelagius beweerde dat er geen erfzonde was en de erfzonde door navolging en niet door erving door de geslachten heen werd gebracht. Calvijn vraagt zich af hoe Pelagius dan Ps. 51:7 leest.

We leren dus dat de onreinheid van de ouders overgaat op de kinderen, als we deze lijn volgen komen we bij Adam uit. Daarom lezen we in de Bijbel dat Adam een soort Christus is, of in ieder geval vergelijkbaar. Als we in Christus redding krijgen, moeten we dus in Adam wel de noodzaak tot die redding hebben gekregen. Ook staat er in de Bijbel dat we allemaal in Adam dood zijn(1 Kor. 15:22). Ook pleit de wedergeboorte als toegang tot het koninkrijk van God vóór de erfzonde.

Erfzonde komt dus bij Adam vandaan. Toen hij de hemelse gaven verloor, was dit niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn nageslacht. Hier is de veronderstelling van Calvijn uiteraard dat zonde en kwaad geen eigen substantie hebben maar alleen bestaan als bederf en gebrek.

In de volgende paragraaf maakt Calvijn dit expliciet met zijn definitie van erfzonde: een erfelijke tekortkoming en verdorvenheid van onze natuur die alle delen van de ziel doortrekt.
In de eerste plaats is het dus dragen van het verderf, waardoor zelfs kinderen voor hun geboorte en handelen schuldig tegenover God staan. In de tweede plaats ontspringt er aan de erfzonde telkens nieuwe vruchten van ongerechtigheid, of werken van vlees, of zonden. Erfzonde kan je omschrijven als een verkeerd begeren, als het niet alleen maar tot de begeerte beperkt blijf.

Zo, een lekker onderwerp voor de maandagmorgen. Erfzonde is een van de lastigere zaken voor ongelovigen en ook voor christenen. Je zou er bijna moedeloos van worden en geen kinderen meer willen krijgen! Vinden jullie de erfzonde abstract? Kunnen jullie er wat mee? Herkennen jullie de erfzonde in jezelf, mensen of wat er gebeurt in de wereld? Ervaringen met (niet-)christenen die niks mosten weten van de erfzonde?

Morgen lezen we Boek II.1.9 - II.2.3