Posts tonen met het label uitverkiezing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uitverkiezing. Alle posts tonen

vrijdag 6 november 2015

06-11; Boek IV.16.14 - IV.16.19

[14] OVer het wel of niet kind zijn van Abraham en op welke manier brengt Calvijn in zijn verdere betoog Romeinen 9 ter sprake. Daar bewijst Paulus met de voorbeelden van Ismaël en Ezau dat nakomelingschap naar het vlees in zichzelf geen waarde heeft. Desondanks maakt Paulus dit niet helemaal waareloos, de Joden waren wel de eerste die Gods belofte kregen, dat ze zelf het verbond braken is hun eigen ondankbaarheid, maar daarna komen pas de geestelijke nakomelingen van Abraham als ontijdig geborenen, als een tak geënt op een andere stam. Daarom mogen we het volk Israël niet verachten, desondanks ze strijd voeren tegen het Evangelie.

[15] Desondanks de verkiezing van God houdt Calvijn eraan vast dat de kinderen van de Joden geheiligd waren door hun ouders(Rom. 11:6) en dat dit ook in de Kerk geldt. Daarom is het gek om te stellen dat de besnijdenis een zinnebeeld was van de geestelijke wedergeboorte na de opstanding van Jezus. Het is in zekere zin wel zinnebeeldend, maar ook zeker wel letterlijk wat God belooft, net als in het tweede gebod.

[16] Andere verschillen zijn inqonsequent gehandeld, zoals de besnijdenis en de Doop die in de ene keer precies het tegenovergestelde betekenen als de andere keer. Er wordt gespeeld met de allegorische betekenis van de besnijdenis. De Doop zou een begrafenis zijn van mensen die al gestorven zijn. Het verwijt dat vrouwen niet gedoopt zouden mogen worden omdat alleen mannen besneden konden worden als spottende karikatuur van Calvijn weerlegd hij door de stellen dat de vrouwen in een andere manier deel hadden aan de besnijdenis dan fysiek.

[17] De tegenstanders menen een sterk argument te hebben als ze zeggen dat kinderen vanwege hun leeftijd niet snappen wat er in de Doop wordt aangeduid, wat dus de geestelijke wedergeboorte is die niet op die leeftijd kan plaats vinden. Calvijn redeneert dat de baby's dood zijn in hun zonden en dat Christus hun leven is, daarom moeten ze één worden met Hem. Hoe baby's worden wedergeboren is voor ons een mysterie, we kunnen het niet met ons verstand bevatten. Maar ze blijven door God gehaat als ze niet gerechtvaardigd worden. Uit de Bijbel blijkt met het verhaal van Johannes die in de baarmoeder opspringt dat God wel in die leeftijd kan werken. Want dat is de moederschoot die wordt bedoeld.

[18] De kinderjaren van Jezus laten zien dat de kindertijd niet tegenovergesteld is aan de heiliging. Het staat voor Calvijn vast dat geen enkele uitverkorene dit leven verlaat zonder wedergeboren te zijn. Dat mensen het onvergankelijke zaad van Gods prediking(1 Pet. 1:23) als tegenargument gebruiken is onterecht. dit gaat over gelovigen die door de prediking van het Evangelie onderwezen worden. Gods almacht moet niet aan banden gelegd worden.

[19] Ook de argumenten dat geloof uit het horen en begrijpen dus van de prediking komt, of dat Mozes zegt dat kinderen geen besef van goed en kwaad hebben(Deut. 1:39) wil Calvijn niet aan. Het eerste is de gebruikelijke manier, niet de enige manier die God Zichzelf oplegt als beperking. De tweede weerlegd hij door te zeggen dat er geen gevaar schuilt dat God op wonderlijke manier kinderen een klein vonkje geeft van wat Hij later in het volle licht zal openbaren. Alle onwetendheid zal pas verdwijnen met het verlaten van dit leven. Niet dat Calvijn wil speculeren over het soort geloof van dit soort, maar hij wil mensen niet de kans geven om alles zomaar te ontkennen.

Volgende week lezen we boek IV.16.20 - IV.16. 24

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 5 november 2015

05-11; IV.16.7 - IV.16.13

[7] Jezus roept de kinderen bij Zich, dus wie zijn wij dan om de kinderen niet te dopen. Als het een goede zaak is om kinderen bij Jezus te brengen, waarom zou het niet goed zijn om hen tot de Doop toe te laten, het teken van onze eenwording en gemeenschap met Christus? Het is onbillijk om dan de kinderen weg te jagen. Het gaat in de tekst om echte baby's en kleine kinderen die nog aan de borst waren. Het gaat om die concrete kinderen, niet voor iedereen als een kind.

[8] Zo wordt duidelijk dat de kinderdoop niet door mensen is bedacht. Degene die zeggen dat er niet in de bijbel staat dat er kinderen gedoopt werden moeten beseffen dat er nergens staat dat ze niet gedoopt werden wanneer een gezin gedoopt werd. Als we zo redeneren moeten we ook geen vrouwen toelaten tot het Avondmaal, omdat dit ook nergens in de bijbel staat. Maar onze leesregel laat zien voor wie het Avondmaal is ingesteld, ook voor vrouwen. Net als de Doop; wat het betekent laat zien voor wie het is, dus ook voor vrouwen.

[9] Wat voor een nut heeft de kinderdoop nu voor ouders en de kinderen zelf? voor de ouders is er stof om te roemen van de trouwe God die trouw wil zijn tot in het duizendste geslacht. Ook wordt de wederliefde aangespoord als God Zich over de kinderen ontfermt. Daarom moeten ouders hun kinderen meenemen naar de Kerk voor het teken van ontferming en te zien dat het verbond van de Heer in hun lichaam wordt gegrift. Voor de kinderen betekent het dat ze aan de grote zorg van andere gemeenteleden worden toevertrouwd ook worden ze aangespoord tot ernst omdat God hen heeft aangenomen toen ze zo jong waren dat ze Hem nog niet als hun Vader konden erkennen. In de laatste plaats zou iedereen zich bevreesd moeten weten voor de toorn van God voor wie het teken minacht.

[10] Er zijn dus wederdopers die de gelijkstelling van Doop en besnijdenis proberen te ontkrachten door te wijzen op grote verschillen ertussen. De zaken, de verbonden en de benaming kinderen zijn anders. Ze beweren dat de besnijdenis een beeld was van de afsterving en niet van de Doop, wat Calvijn hun gelijk geeft, want daarom kan hij zeggen dat de Doop ipv de besnijdenis is gekomen. Ze schilderen de Joden als beesten af en zeggen dat hun verbond alleen maar tijdelijke goederen betrof. Daarom was de besnijdenis een letterlijk teken en de beloften lichamelijk.

[11] Calvijn vindt dat ze dan hetzelfde moeten zeggen van de Doop. In Kol. 2 staat dat de Doop en besnijdenis dezelfde inhoud en vervulling hebben, aangezien ze het beeld zijn van dezelfde zaak. De eerste beloften van het verbond met de Joden waren geestelijk en hadden betrekking op het eeuwige leven. Meer hierover staat in II.10 waar Calvijn over het oude en nieuwe verbond schrijft.

[12] Het volgende argument was dat de kinderen van het OT de natuurlijke nakomelingen van Abraham waren en in het NT iedereen die zijn geloof navolgen. Zit een kern van waarheid in, vindt Calvijn, maar het is niet juist om te ontkennen dat aan de vleselijke kinderen van Abraham de geestelijke belofte was gegeven. We moeten hoger kijken.

[13] De grenzen van Gods koninkrijk staan nu open voor alle volken zonder onderscheid, maar in het begin had God het Joodse volk uitgekozen en als teken hiervan de besnijdenis gegeven ook ter versterking van de verwachting van het eeuwige leven. Maar juist in Rom. 4 laat de apostel zien dat allebei de groepen nakomelingen van Abraham even hoog worden geacht.

Morgen lezen we boek IV.16.14 - IV.16.19

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 26 augustus 2015

26-08; Boek IV.1.1 - IV.1.4

De eerste drie boeken van de Institutie waren over de innerlijke zaken, nu komt het laatste boek over de uiterlijke middelen waardoor God werkt. Hierdoor wordt het geloof zichtbaar in de werkelijkheid.

[1] Om onze zwakheid van verstand te hulp te komen heeft God middelen gegeven zodat we zouden komen tot het einddoel van het geloof. De middelen zijn de Kerk, de herders en leraren, en de Sacramenten. Daarom worden deze in dit boek besproken, net als een politiek standpunt voor de Kerk in de wereld. Allereerst bespreekt Calvijn de Kerk omdat hierin de kinderen van God vergaderd worden. Wie de Kerk niet als moeder kan hebben, kan ook niet God als Vader hebben.

[2] De kerk is de zichtbare kerk, maar bestaat ook uit alle uitverkorenen van God.
Als we 'een Kerk geloven', zoals het Apostolicum zegt, valt er te twisten over 'een kerk geloven' of 'in een kerk geloven'. De eerste manier van spreken is oud en was om aan te geven dat de manier van een kerk geloven anders is dan in God geloven. Het geloof betekent dat de genade van Christus ondanks alle aanvechting altijd vrucht zal dragen.
Het is te nauw om de kerk alleen te zien als alle uitverkorenen, het geloof is ook in de eenheid van de Kerk, daarom wordt ze ook algemeen of katholiek genoemd. Met meerdere kerken zou Christus aan stukken gescheurd zijn. En Hij is het ene hoofd van Zijn Kerk. Desondanks alle tegenspraak van alle kanten en schijnbare verdeeldheid moeten we blijven geloven dat de dood van Christus vrucht draagt en de kerk wordt bewaard, al is het in schuilhoeken.

[3] Het artikel heeft betrekking op de uiterlijke kerk. Je moet je als schaap van de kudde gedragen. Het is de gemeenschap der heiligen. Zo moet je je dan ook gedragen, dat ze elkaar kunnen laten delen in de weldaden van God. Niet dat iedereen hetzelfde bezit in geestelijke zin, maar ook dat het niet de maatschappelijke orde doorbreekt en eigen bezit afschaft. Het is eenheid in het Hoofd van de Kerk en vanuit daar delen in elkaars bezit.
Als in een Kerk geloven betekent dat steun voor ons omdat de Kerk altijd bewaard zal worden en wij er lid van zijn, ze staat vast in de uitverkiezing. In de tweede plaats zit de gelovige zo vast aan de Kerk als een lichaamsdeel aan een lichaam zit, in dit geval het Lichaam van Christus. In de Kerk is de waarheid te vinden en God zal in Zijn Kerk vertoeven.
Deelgenoot van de kerk zijn vermag zoveel dat het ons in de gemeenschap van God bewaart. Door lid te zijn van de Kerk zijn we Gods eigendom. De Kerk is een kwestie van het geloof en we moeten geloven dat ze niet minder bestaat als we het niet zien of begrijpen.

[4] Maar de zichtbare kerk mogen we ook moeder noemen, wat ons veel leert. Er is namelijk geen andere toegang tot het leven buiten de Kerk. Er is buiten geen vergeving en geen zaligheid te verwachten, wat de Ot profeten al verkondigden. We mogen de Kerk pas verlaten als we ons hele leven leerlingen van haar geweest zijn.

Morgen lezen we boek IV.1.5 - IV.1.8

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 19 augustus 2015

19-08; Boek III.24.12 - III.24.17

Hoe zit het met de verharding? Calvijn wijdt er een paar paragrafen aan.

[12] God heeft dus sommige mensen geschapen tot de ondergang om werktuigen van Zijn toorn te zijn en toonbeelden van Zijn strengheid. Deze verworpenen krijgen soms geen prediking, en als ze wel prediking krijgen worden ze blinder en dwazer. Het eerste is te zien in de vierduizend jaar voordat Jezus kwam, er was geen Evangelie, maar de mensen daarna verdienden net zo min het Evangelie als de mensen ervoor, aldus Maleachi. De reden hiervoor is diep verscholen in Gods geheime raad. Het tweede is te bewijzen aan de ervaring van vandaag de dag en in de Bijbel, waarin duidelijk staat dat niet iedereen het Evangelie aanneemt.

[13] God verkiest sommigen dus en gaat aan anderen voorbij, er is, met Augustinus, niks anders op te zegen dat dit gods wil is en dat God wilt wat Hij wilt. Chrysostomus legt dan weer teveel de nadruk op de beslissing van de mens, terwijl in de Bijbel bijvoorbeeld staat dat Lydia God vreesde, maar toch door God haar hart geopend kreeg voor de leer van Paulus. Evenzo staat in de bijbel dat God Zijn Woord stuurt naar mensen om hen te verharden, zoals de Farao. God geeft Zijn onderwijs soms om te verdwazen.

[14] Waarom verharden sommige mensen hun hart? Wat is de reden? Er zijn er die zeggen dat de mensen dit hebben verdiend(zoals Erasmus blijkbaar), maar dat is nog niet de diepste reden. De diepste reden ligt eraan dat de mensen gemaakt zijn om de Naam van God over de aarde bekend te maken. Hun verdoemenis draagt bij aan de eer van God. Het is duidelijk dat halsstarrigen niet verontschuldigt worden als de aanneming van de genade alleen kan door de Heilige Geest. Mensen klagen om deze leer en zeggen dat God Zijn macht misbruikt. Maar de gelovigen weten dat er niemand is die het oordeel kan doorstaan en dat er dus niemand onschuldig is.

[15] Er zijn Bijbelteksten die het tegenovergestelde van deze leer lijken te zeggen.
Ezechiel 33:1, God wil niet de dood van de zondaar. Deze tekst gaat zo tegen de ervaring in, dat de conclusie wel moet zijn dat de tekst geen recht wordt gedaan als men de wil uit deze tekst opvat als tegenovergesteld aan Gods eeuwige raad. De profeet spreekt hier hoop op vergeving te wekken bij de mensen die zich bekeren. Gods barmhartigheid komt altijd de boetvaardigheid tegemoet, en wie boetvaardig is hoeven niet bang te zijn dat God hun dood in de zin heeft. De goddelozen worden dubbel gestraft omdat ze geen gehoor geven aan Gods vriendelijkheid.

[16] 1 Tim 2:3-4; God wil dat alle mensen zalig worden. Deze tekst moet vooral uit de contekst zijn betekenis krijgen. anders moet de vraag beantwoord worden waarom God zoveel volken en mensen niet het Evangelie heeft gegeven. Alle mensen slaat niet op de getalsmatige som van alle mensen, maar op alle soorten mensen. Er is geen categorie mensen uitgesloten. God ontfermt Zich over wie Hij Zich wil ontfermen. Het gaat niet om afzonderlijke mensen, maar om alle mensen.

[17] Sommige mensen halen hieruit dat Gods beloften in strijd zijn met Zijn eeuwig raad en dus minder betrouwbaar. Zeker niet, maar de belofte moet wel in geloof aangenomen worden. God belooft alles aan diegene die gelooft, en die gelooft gelooft omdat hij gepredestineerd is. De goddelozen wijzen de belofte af. Het is inderdaad niet goed om God twee willen toe te schrijven, maar twee willen zijn alleen het resultaat van slechte exegese.

Morgen lezen we boek III.25.1 - III.25.3

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 18 augustus 2015

18-08; Boek III.24.6 - III.24.11

[6] Bij de uitverkiezing komt ook de belofte dat Jezus trouw over de uitverkorenen waakt. Als we twijfelen aan de uitverkiezing moeten we nagaan of in aan de zorg van Christus zijn toevertrouwd, mochten we hieraan twijfelen, dan komt Hij ons tegemoet. We moeten Christus omhelzen. Er zijn veel dingen in de Bijbel die ons soms aan het twijfelen kunnen brengen, zoals 'vele geroepen, weinig uitverkoren', maar Christus bidt voor ons en belooft dat Hij niet zal afwijzen wat Hij uitverkoren heeft.

[7] Er vallen ook christenen af. Dit zijn mensen, naar de mening van Calvijn, die Christus nooit hebben nagevolgd met een geloofsvertrouwen waarin de verkiezing haar bevestiging vindt. Misschien leken ze wel op gelovigen, maar ze hadden niet het zekere middel om hun verkiezing vast te maken, namelijk het Evangelie. Als Paulus tekeer gaat in de bijbel is dat niet om mensen bang te maken of onzeker, maar om makkelijke vleselijk denkende mensen aan te sporen en te leren uitzien op God. En hij schrijft niet over concrete individuelen personen, maar over groepen en sekten in het algemeen.

[8] De roeping van velen en de verkiezing van weinigen(Matt. 22:14) hoeft met al het bovenstaande niet meer bang te maken. Er is een algemene en een bijzondere roeping. De eerste is de prediking voor iedereen en uitwendig. De tweede is innerlijk voor de verkondiging, het is de verlichting door de Heilige Geest. De laatste is soms ook voor korte tijd bij mensen die ondankbaar blijken te zijn. Dit zijn mensen uit de vergelijking uit Matt. 22, die geen bruiloftskleren, dat is de heiligmaking van Christus, aan hebben, maar lompen.

[9] Judas was niet uitverkoren, hij was wel geroepen, maar niet op de bovenstaande manier, hij was aangesteld tot apostel. Maar als Christus over de uitverkiezing preekt, wordt Judas uitgesloten(Joh. 13:18). Daarom moeten we ook niet Gregorius I aanhoren als die zegt dat we alleen kennis hebben van onze roeping en niet van onze verkiezing. Hij maakt verkiezing afhankelijk van werken juist om mensen in vrees te brengen en houden. Dit alles beschouwd laat zien hoe de uitverkiezing een bron van versterking voor het geloof is.

[10] Uitverkorenen worden in de loop van hun leven geroepen en in de kudde geplaatst. Er is geen zaad van de verkiezing, dat in de harten van gedoopten wordt geplant, waardoor ze altijd geneigd zouden zijn tot dienen en vrezen van God. Dit wordt door sommigen beweerd met Bijbelse voorbeelden die dus niet kloppen(Cornelius was al wedergeboren). Plus dat de Efezebrief niks laat zien over zaad van verkiezing. En waar Paulus schrijft over het nieuwe leven is er een duidelijk rijtje dingen die de mensen deden, maar nu niet meer moeten doen.

[11] Paulus schrijft nergens dat de bekeerden God moeten danken dat ze door het zaad zijn beschermd van verkeerde dingen. Net als Petrus die gewoon een tijd van begeerte als afgelopen ziet(1 Petr.4:3). Denken in het zaad van de verkiezing is buiten de Schrift omdenken. God laat mensen in hun zonden en beschermt alleen tegen de onvergefelijke zonde, tot het tijd is om te roepen.

Morgen lezen we boek III.24.12 - III.24.17

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 17 augustus 2015

17-08; Boek III.24.1 - III.24.5

De 33ste week van Lectio Calvini.
Dit is het laatste hoofdstuk over de verkiezing.

[1] De roeping van de uitverkorenen en de verharding van de verworpenen worden nu behandeld. De roeping is het certificaat van de uitverkiezing, mensen weten dat ze uitverkoren zijn door de roeping, en ze weten andersom ook dat de geroepen zijn doordat deze uitverkoren zijn. Maar vanuit de prediking komt ook de verwerping tot de verworpenen. Wie wordt geroepen komt tot Christus, het is niet mogelijk dat Christus roept en de mens komt niet. Dat is wat Calvijn van Augustinus geleerd heeft. Hier komt geen greintje menselijke wil of lopen bij kijken. Het is Gods ontferming alleen.

[2] De roeping krijgt gestalte door de verlichting door de Heilige Geest, dit bewijst meer dat het om de mens heen gaat. Het volk dat niet gezocht en geroepen heeft vindt God. God bestraalt mensen met het licht van Zijn Woord. God laat Zijn goedheid zo zien, maar voor de verworpenen is dit slecht een bewijs van Gods liefde die ze afwijzen en daarom meer tot hun oordeel. De innerlijke roeping is een onfeilbaar onderpand van de zaligheid. De roeping is alleen uit genade omdat tot in de laatste instantie de verkiezing erbij van beslissende betekenis is.

[3] Er zijn twee vergissingen die mensen bij de verkiezing maken. De eerste is dat mensen mee willen werken met God door de verkiezing met een eigen keuze te bekrachtigen, de tweede is om de verkiezing afhankelijk te maken van iets wat achter de verkiezing ligt. We hebben de bevestiging van de verkiezing in de roeping, dus moeten we deze zoeken in het objectieve Woord. Het is niet dat de verkiezing pas bevestigd wordt na onze aanvaarding en hieraan haar kracht ontleent. De werking van de uitverkiezing ligt dus niet in het subject, is niet subjectief. We moeten het in het Woord zoeken, het zou ook gek zijn om hier niet naar te kijken als onze ogen verlicht zijn door de Geest.

[4] De kracht van de uitverkiezing is dus niet afhankelijk van of mensen wel of niet in (hun) uitverkiezing geloven, maar er zijn wel tekenen die volgen op de uitverkiezing als zekere bewijzen. Er zijn geordende wegen, die mensen moeten nemen en niet proberen te zoeken in de verborgen besluiten van God als ze door de duivel aan het twijfelen gebracht. Fatalisme ligt bij iedereen op de loer, verkiezing ligt vast en wat kan een mens er dan aan doen behalve twijfelen? Zoals sommige mensen die buiten het Woord om iets te weten willen komen over hun uitverkiezing en in diepe afgronden vallen, zo zijn er ook mensen die vruchten van vertroosting uit de uitverkiezing plukken. De roeping is voor sommige zwak, maar het is in feite helder en duidelijk, zoals Bernardus van Clairvaux onder woorden brengt.

[5] Jezus Christus is de spits van de uitverkiezing, alles wat we hebben in de uitverkiezing is door Christus, dus moeten we op bij Hem onze ogen slaan. In Hem zijn we uitverkoren, Christus is de spiegel van de uitverkiezing. En buiten Christus kunnen we het niet zoeken. De uitverkiezing moet dan ook te horen zijn in onze gebeden, maar niet op de manier van "verhoor mij, als ik uitverkoren ben..."

Morgen lezen we boek III.24.6 - III.24.11

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

vrijdag 14 augustus 2015

14-08; Boek III.23.11 - III.23.14

[11] Sommige mensen vinden het onbillijk omdat God niet dezelfde handelswijze naar iedereen is. God zou voor iedereen barmhartig moeten zijn. Maar God is ook billijk als Hij Zich in het straffen laat zien als een rechtvaardige rechter. Met Augustinus laat Calvijn zien dat God de straf voor allen laat zien en Zijn barmhartigheid bij enkelen.

[12] Sommige mensen zeggen dat de uitverkiezing mensen zorgeloos maakt om goed te doen, het is een excuus om lekker los te gaan omdat je zaligheid al in het besluit van God ligt, wat kan je dan nog veranderen daaraan. Maar de uitverkiezing is juist een aansporing om dit mysterie te overdenken en te leren verootmoedigen en te sidderen voor het oordeel terwijl je wacht op barmhartigheid. We zijn uiteindelijk uitverkoren om een heilig leven te leiden(Ef. 4:1). Dit moet alle lasteraars de mond wel snoeren.

[13] Een andere tegenwerping in het verlengde van de voorgaande, uitverkiezing zou aanmaningen zinloos maken. Paulus ontkracht dit, die heeft het vaak genoeg over de uitverkiezing maar laat het niet na om zijn brievenlezers aan te sporen om het goede te doen. De prediking moet er zijn om tot geloof te brengen, maar ook bewaren in volharding. Dat er mensen niet luisteren betekent niet dat de predestinatie niet waar is. Het moet gepredikt worden, naast de aansporingen dus.

[14] De waarheid moet op passende manier gezegd worden, het heeft geen zin om tegen mensen die niet geloven te zeggen dat dit komt omdat ze niet uitverkoren zijn. Dat geeft voedsel tot luiheid en slechtheid. Dit is meer een vervloeking uitspreken en dit soort mensen moeten uit de kerk verdwijnen. God brengt uiteindelijk effectiviteit aan in vermaningen. En omdat we niet het getal van de uitverkorenen kennen moeten we willen dat iedereen behouden wordt.

 Volgende week is de lectio boek III. 24.1 - III.24.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 13 augustus 2015

13-08; Boek III.23.6 - III.23.10

[6] Een tweede soort tegenargument is dat de mensen zichzelf verontschuldigen, ze zijn per slot van rekening gepredestineerd om zonde te doen. Dus hun treft geen blaam als ze volgens de voorzienigheid als ze doen wat ze zullen doen, het is niet te voorkomen en in overeenstemming met Gods wil. Calvijn weerlegt dit door te zeggen dat God allereerst alles omwille van Zichzelf geschapen heeft. De kerkvaders zeiden dat God de mensen heeft geschapen in die staat omdat Hij hun slechte daden voorzag. Maar Calvijn stemt nog meer in met Laurentius Valla die zegt dat leven en dood niet zozeer uitwerkingen zijn van Gods voorwetenschap, maar van Zijn wil. Dus het heeft geen zin om hierover te klagen. Uiteindelijk lijkt mij te gelden wat Calvijn over het besluit van God zei in paragraaf vijf.

[7] Wat mensen ook moeten weten is dat het de verdorven natuur is die de nakomelingen van één mens aan de eeuwige dood heeft prijsgegeven. Maar omdat God almachtig is, kan deze eeuwige dood niet door een natuurlijke oorzaak de mensheid zijn binnengebracht. Met andere woorden, God heeft in Zijn eeuwige en verborgen raad de zondeval van Adam gezien en niet buiten Zijn macht om laten gebeuren. Het is een huiveringwekkend besluit. Hier tegenin gaan is zinloos. God heeft het geweten en het beschikt. God weet alles en bestuurt immers alles. En God weet ook, zoals Augustinus zegt, dat er uit het kwade het goede voort zou komen.

[8] Hierbij maken sommige mensen een onderscheid tussen toelaten en willen. Maar Calvijn zegt dat alles gebeurt omdat God het wil .Als God iets toelaat, laat Hij dat toe omdat Hij het wil. Er is geen raakvlak met de discussie van manicheeërs, wederdopers, pelagianen en epicureeërs die noodzakelijkheid naar voren brengen. De mens is gevallen omdat God hiertoe geoordeeld had. Waarom is verborgen, maar aangezien God eer, dus eer om Zijn gerechtigheid, hierin ziet, is het een niet te ontkennen feit. De mens komt ten val door Gods voorzienigheid, maar hij valt door eigen schuld. Het is niet gelegen in de schepping God zegt namelijk hier vlak voor dat die zeer goed was. Het slechte in de mens heeft zijn zuivere natuur bedorven die Hij van de Heer ontvangen heeft. We kunnen beter de oorzaak in de verdorven natuur zien, omdat dit de dichtstbijzijnde oorzaak van de verdoemenis is. Dat is vruchtbaarder dan een verborgen en niet te snapen oorzaak in het besluit van God. Als je niks weet van wat je niet gegeven of geoorloofd is om te weten is het een geleerde onwetendheid. Het toch willen weten is dwaasheid.

[9] Calvijn meent zo de reden tot klagen en goddeloos grommen weg te kunnen nemen. Er is een oorzaak, maar die is ons onbekend. Ten tweede leert Calvijn dat mensen niet verder moeten kijken dan hun neus lang is en de oorzaak zien in het verderf van de menselijke natuur.

[10] Een derde tegenwerping is dat God sommige personen wel en sommige niet aanneemt en er dus, in tegenstelling tot wat er in de Bijbel staat, er bij God aanzien des persoons is. Maar bij de Bijbel wordt persoon niet bedoeld als individu, maar persoon betekent, reputatie, charisma, datgene wat sympathie of antipathie oproept bij anderen. Uiterlijke kenmerken gelden bij God niet. De verkiezing is alleen gegrond in Gods barmhartigheid.

Morgen lezen we boek III.23.11 - III.23.14

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 12 augustus 2015

12-08; Boek III.23.1 - III.23.5

Calvijn begint met het tegenspreken van aantijgingen die zijn verkiezingsleer heeft opgeroepen.

[1] De leer roept weerstanden op en zoveel strijd dat het soms wel oorlog lijkt. Veel mensen willen wel van verkiezing weten, maar niet van verwerping. Maar het is gek om te denken dat als God sommige uitverkiest, de anderen of toevallig of door eigen inspanning de erfenis krijgen. Mensen zouden niet moeten twisten met hun Maker en luisteren naar de woorden van Jezus, die elke boom die niet door de Vader is geplant uitrukt. Misschien moeten ze luisterne naar Paulus die zegt dat God vaten van Zijn toorn en vaten van Zijn ontferming heeft gemaakt er meerdere glorie van Zichzelf. En daarmee dus Zijn macht en geduld laat zien in alles wat hij bestuurt. De tekst gaat ook over de verharding van de vaten van toorn die rust in Gods besluit.

[2] Een ander bezwaar tegen de uitverkiezing is dat het van God een tiran zou maken. Mensen stellen God verantwoordelijk oor hun daden Mensen worden zo omdat God het wil gepredestineerd tot de eeuwige dood. Dus God lijkt meer op een willekeurige tiran dan op een rechtvaardige rechter. Maar dat is een vraag naar wat God wil, een vraag die vrome mensen niet durven te stellen. Want dat zou impliceren dat er iets buiten God bestaat waar Zijn wil zich naar te gedragen heeft. Maar Gods wil is de hoogste norm voor wat rechtvaardig is. Een antwoord op de waarom vraag is dus, 'omdat God het wilde'. Het is echter niet zoals Plato zegt dat God ook rekenschap van Zijn wil moet afleggen en al helemaal niet aan ons. Alhoewel ik het jammer vind dat Calvijn en de vertaler/uitgever, hier niet vermelden waar dit in Plato terug te geven is. Let ook weer op de nadruk van Gods wil.

[3] Als mensen vragen waarom er mensen verworpen worden voordat ze bestonden, moeten we terugvragen wat God aan de mens verschuldigd is. Door de zonde verdienen we allemaal Gods haat. Dat is geen willekeur, dat is gerechtigheid. Niemand kan een onderzoek door God doorstaan en dan als onterecht verworpen uit de bus komen. Het is een diepe verdorven neiging die de reden tot veroordeling wegdrukt in mensen.

[4] Maar, die ellende van de mens is juist toch gekomen door de predestinatie, zegt Erasmus dan. Maar Calvijn zegt dan dat we weer bij het besluit van God uitkomen. En hieruit volgt niet dat we God hierom mogen beschuldigen, want we zijn maar klei en God is de pottenbakker. En dit is de crux, bedenken wie god is, God laat geen onrecht toe Hier kan het verstand van de mens niet bij en hier mag het verstand van de mens niet eens komen.

[5] We kunnen dus alleen zeggen dat God dat God van te voren wist wie er verdorven zouden gaan en dat dit gebeurde omdat Hij het wilde, maar waarom God het wilde ligt buiten het bereik van ons menselijk verstand. Je mag mensen, vindt Calvijn met een beroep op Psalm 26:7, verwijten dat ze telkens weer God beschuldigen dat Hij feitelijk buiten hun verstand om gaat. Met Augustinus kunnen we beter zeggen dat we meer hebben aan gelovige onkunde, dan onbezonnen wetenschap. Discussie is zinloos.

Morgen lezen we boek III.23.6 - III.23.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 11 augustus 2015

11-08; Boek III.22.8 - III.22.11

Na de uitverkiezing behandeld te hebben, wordt deze geplaatst in het kader van de kerkgeschiedenis. Wat uiteraard geloofwaardig is voor de geloofwaardigheid van Calvijn.

[8] Dit is dus wel bijzonder, Ambrosius, Origenes en Hieronymus waren net als Augustinus ervan overtuigd dat God Zijn genade gaf aan de mensen van wie Hij van te voren zag dat ze er goed gebruik van zouden maken. Augustinus heeft dit na voortschrijdend (Schrift)inzicht herroepen en bestreden. Augustinus heeft met kracht de optie van de voorwetenschap bestreden, juist omdat Paulus zwijgt over voorwetenschap waar je dit wel zou verwachten, net zoals Calvijn beargumenteert dus. Desondanks beroept Augustinus zich weer op Ambrosius. Dus de vraag of God mensen geen onrecht, beantwoord Paulus niet met een voorwetenschap van God, maar met uitverkiezing.

[9] Thomas van Aquino heeft de uitverkiezing door voorwetenschap opgelost door te zeggen dat het voor ons weliswaar  alleen zo lijkt. Bij God, de eeuwige, is er dus geen voorwetenschap van verdiensten, dat is slechts menselijk en aards perspectief. Zo worden mensen verkoren tot heerlijkheid. Maar deze heerlijkheid heeft dus wel een eerdere verkiezing nodig die de genade geeft om heerlijkheid te verdienen. Deze discussie verwart alleen maar.

[10] Ander probleem is de verhouding tussen de algemene uitnodiging voor iedereen, en de verkiezing van slechts een paar mensen. Hier heeft Calvijn al eerder iets over gezegd (III.3) en later zal hij er nog op terugkomen(III.24.1). God is niet verplicht om vanwege een onverbrekelijke wet alle mensen in gelijke mate te roepen. Als Paulus niet naar Bithynië en wel naar Macedonië wordt gestuurd, is dit al duidelijk. De verhouding roeping-evangelie is niet een op een. Ook wordt het Evangelie vaak veracht, wat Jesaja ook vaak laat zien, maar toch meer de nadruk legt op Gods arm die zich wel of niet openbaart. Het is het geloof dat kinderen van God maakt en niet de prediking. De prediking is ook vaak als zaad dat op de verkeerde grond valt. Hierover kunnen we alleen maar bevreesd zwijgen en dwalingen voorkomen. Dit moet al duidelijk zijn als in Ef. 1 de verkiezing als grond van het geloof wordt gepresenteerd. Gelof mag de tweede plaats na de verkiezing hebben. Maar Joh. 6 laat toch zien Jezus alleen de hoeder is van de uitverkorenen, die God Hem gegeven heeft. Dit is dan ook de volharding.

[11] Wat gold voor Jakob, gold ook voor Ezau, dus wat voor de verkorenen geldt, geldt ook voor de verworpenen. Dit is niet op basis van werken. Verworpenen zijn er om gods heerlijkheid in hen te laten zien.

Morgen lezen we boek III.23.1 - III.23.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 10 augustus 2015

10-08; Boek III.22.4 - III.22.7

De 32ste week van Lectio Calvini. Direct maar weer de uitverkiezingsdraad oppakken waar we hem vrijdag hadden gelaten.

[4] Allereerst over Rom. 9:11 en gelijksoortige passages. Omdat he volk hoofmoedig was, ging de erfopvolging niet voor iedere Israëliet op terwijl elk was gezegend met de rechten van erfgenaam. Het is hun eigen schuld, maar ten diepste zit hier Gods uitverkiezing achter. De oorsprong zit, nogmaals, dus niet in de mens. Het is net als met Jakob en Ezau, hoewel onnatuurlijk is het een teken van verkiezing en verwerping. Paulus snijdt hier de pas af door de mogelijkheid door de verkiezing te plaatsen vóór de geboorte en voor de mogelijkheid tot verdienste. Als het wel uit verdienste zou zijn dan zou Paulus het niet hoeven te bespreken bij de ongeboren Jacob. Dat slaat dan nergens op.

[5] Mensen weten wel een plaats te redeneren voor verrichte en te verrichten werken, maar Paulus schrijft hier niet over. We mogen aannemen dat als Paulus dit wist, hij het ook gezegd had. Maar nu eren we dat de grond van de verkiezing Gods voornemen is, Jakob is hier een toonbeeld van.

[6] Maar eerstgeboorterecht is iets anders dan het eeuwige leven. Dat weet Calvijn ok, maar hij volgt de apostel hierin dat dit een aards teken is van de geestelijke verkiezing. Als het een aardse verkiezing was geweest heeft Jakob er niet veel aan gehad, zijn leven is niet echt aards gezegend geweest. Maar Kanaän is ok het onderpand van het hemels koninkrijk, we mogen aannemen dat Jakob is ingelijfd in Christus en dat het gaat over de uitverkiezing. En die uitverkiezing gaat vanuit de barmhartigheid en ontferming naar Gods wil van Hem uit. Zo komen we bij het gedeelte van het volk uit waar Petrus op doelt in Handelingen 2. Die heeft het met voorkennis ook over de predestinatie. God is hierin net zo actief als dat Hij was met het opwekken van Christus.
Paulus laat ons twee volken zien, het nageslacht van Abraham en de anderen die hiervan afgezonderd worden en voor mensenogen verborgen zijn.

[7] Ook Jezus getuigt van de uitverkiezing. Hij laat niemand die aan Hem door de Vader gegeven is verloren gaan. Mensen komen tot Hem als de Vader trekt. Hij bidt niet voor de wereld, maar voor hen die de Vader Hem gegeven heeft. Judas was wel uitverkoren tot apostelschap, wat a een grote gunst is, maar niet tot de zaligheid.

Morgen lezen we boek III.22.8 - III.22.11

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

vrijdag 7 augustus 2015

07-08; Boek III.21.6 - III.22.3

Gister hadden we het over de algemene omlijsting van verkiezing, nu gaan we een steek dieper de uitverkiezing in.

[6] De tweede trap van de uitverkiezing is de verwerping en verkiezing van mensen binnen het nageslacht van Abraham. Dit is al zichtbaar bij Jakob en Esau, daarvoor Izaäk en Ismaël, Saul wordt verworpen, met de eerder genoemde om hun eigen schuld(Calvijn zegt het er maar bij). De twee trappen laten allebei duidelijk zien dat God niet aan regels gebonden is en dat het echt gaat om onverdiende genade.

[7] Het verhaal van de uitverkiezing is pas compleet als we niet alleen het nageslacht van Abraham zien, maar nog meer in het lidmaatschap van Christus' lichaam. God bied aan iedereen Zijn genade aan, maar wijst deze toe aan afzonderlijke personen. Als God in de eerste trap verkiest en niet in de tweede trap is het een verkiezing die het midden houdt tussen en verwering van het menselijke geslacht en het kleine getal van de vromen. Maar toch is het verbond meer gericht op de onverdiende gunst dan op de massa's die trouweloos zijn en afvallen. God bewijst Zijn trouw in de rest die overblijft. Het is sowieso niet onvoordelig om in het verbond te zitten, maar de predestinatie is uiteindelijk voor de restgroep effectief. De uitverkorenen worden dus gekenmerkt door roeping en rechtvaardiging, de verworpenen kenmerken zich door geen kennis van Zijn naam en geen heiliging door Zijn Geest. Calvijn zal kort de discussies langsgaan.

[1] Verkiezing is niet dat God van te voren de verdiensten van mensen ziet, wat Pighius beweert. Dit dicht juist de oorsprong van de uitverkiezing, Gods onverdiende barmhartigheid. Er zijn vaker mensen in de geschiedenis geweest die dit hebben gezegd. Andere zijn zo brutaal om hierom als het ware een rechtszaak te beginnen met God. Het is vergelijkbaar met dieren aan God laten klagen waarom ze tot dieren zijn gemaakt. Maar ook Jezus is in zekere zin uitverkoren, er was geen reden of verdienste bij Hem als sterfelijk mens om als de Zoon van God geboren te worden voor de daadwerkelijke geboorte. Dit bedoelt Augustinus dat Christus een spiegel is van de genadige verkiezing, zodat de leden van Zijn lichaam niet om de verkiezing in de piepzak komen te zitten. Wie dus bij God wil klagen dat Hij niet mag doen wat Hij doet, moet ook bij Christus weghalen wat Hem gegeven is.

[2] Calvijn kijkt even bij wat onderdelen van Efeze 1. Ten eerste is er voor de schepping van de wereld, 'ze' is dan de gelovigen tot wie Paulus zich richt, dus er kan geen waardigheid in acht genomen worden, en het is tot heiliging. Niet omdat mensen heilig zijn, maar zodat ze heilig zijn.

[3] Werken komen niet in aanmerking. Dat is iets wat Paulus op andere plaatsen uitlegt(2 Tim. 1), niet expliciet in dit gedeelte. Dus de verkiezing tot heiliging, niet de verkiezing om heiliging. Ook niet om toekomende werken, wat sommige gebruiken als oplossing. Ook de toekomstige werken hebben hun oorsprong in de uitverkiezing tot heiliging. Ook laat de apostel duidelijk zien dat God bij Zichzelf te rade gaat(Ef. 1) en niet naar een mens kijkt. Het is en blijft onverdiende genade.

Volgende week lezen we boek III.22.4 - III.22.7

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 5 augustus 2015

05-08; Boek III.20.48 - III.21.1

Vandaag lezen we het laatste gedeelte over het gebed en beginnen we met de eerste paragraaf van het hoofdstuk over de predestinatie, ofwel de uitverkiezing.

[48] God heeft ons een regel gegeven hoe te bidden. Dingen erbij bidden die niet in verband met de inhoud van dit gebed kunnen worden gebracht zijn volgens Calvijn goddeloos. Iets erbij vragen is lastering van Gods wil, en je bidt dan niet uit geloof omdat het niet steunt op het Woord.

[49] Nu is het niet de bedoeling dat er helemaal niets qua vorm aan het gebed mag worden veranderd. In de Bijbel staan ook naar de vorm andere gebeden.

[50] Er is eerder gezegd dat we zonder ophouden moeten bidden, de beste manier om dit te bereiken is om vaste tijden aan te houden voor gebed. Calvijn noemt 's morgens en voor en na het eten. Niet dat we deze 'getijden' bijgelovig moeten houden, het is juist om in onze zwakheid ondersteund te worden en te oefenen in gebed. Als we in nood zijn of nood zien moeten we niet snelle voeten hebben, maar snelle harten om tot God te gaan. In goede omstandigheden moet God direct lof en dank gebracht worden en bij alles moeten we oppassen God niet in omstandigheden te willen binden.

[51] Zo geoefend in het gebed zijn mensen ook in staat om te volharden als God niet (direct) antwoord op gebed. Er zijn ook mensen die een dealtje sluiten met God voor hun begeertes en zo God maken tot een sloofje. Als God dit toch niet blijkt te zijn en geen gehoor geeft beginnen ze te te sputteren.

[52] Als we na veel bidden niet krijgen wat we wilden, moeten we in geloof weten dat we dan hebben gekregen wat goed voor ons was. God heeft belooft om te zorgen nadat de zaken Hem in gebed zijn voorgelegd. Ook als God helemaal niet reageert, laat Hij ons op ondoorgrondelijke manier zien dat het gebed niet nutteloos is geweest. God blijft vriendelijk en welwillend.

[1] Het simpele feit dat niet iedereen het Evangelie gepredikt krijgt in zijn of haar leven, is een diep oordeel van God. Dit staat ten dienst van de uitverkiezing. En daarmee beginnen de moeilijkheden. Desondanks is de leer van de uitverkiezing nuttig en draagt een zoete vrucht. In het contrast schittert Gods genade. De zaligheid is ten diepste gefundeerd in Gods loutere milddadigheid. Het niet over deze leer hebben doet geen recht aan God en aan de mens. De uitverkiezing helpt ons in moeilijke omstandigheden doordat het benadrukt dat de Vader ons behoudt en bewaart. De kerk krijgt zo profiel, in de uitverkiezing, maar ook in de verwerping(punt dat Herman Bavinck volgens mij verder uitdiept).
Twistpunt van de predestinatie is vaak de te grote nieuwsgierigheid van mensen die teveel willen weten. Dat is een brutaliteit omdat een mens niet ongestraft dingen te weten kan komen die God verborgen wil houden.

Morgen lezen we boek III.21.2 - III.21.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 11 mei 2015

11-05; Boek II.2.7 - II.2.10

De 19de week van Lectio Calvini

Desondanks is niet alles wat de wil van God is, geloofgevend. Er is ook de wil van God die voor Hem weg laat vluchten(zoals dat God tegen Adam zegt dat hij zal sterven en Kaïn dat het bloed roept). Niet ieder kennen van de wil van God mag geloof heten. Het gaat erom dat we ons heil bij God leren zoeken, dus vertrouwen op en geloven aan de belofte van God dat Hij een welgezinde Vader is. Gods goedheid en waarheid worden daarom in de Psalmen vaak naast elkaar gezet. Ook heeft Calvijn al eerder laten zien dat Christus het onderpand van die liefde is, zonder Hem zien we alleen de tekenen van Gods haat en toorn. Zo wordt Calvijns definitie van geloof dus; een vaste en stellige kennis van Gods goedgunstigheid jegens ons, die haar grond vindt in de waarheid van de genadige belofte in Christus en door de Heilige Geest aan ons verstand geopenbaard en in ons hart verzegeld.

Calvijn gaat eerst in op het scholastische onderscheid tussen een gevormd en een ongevormd geloof, de laatste is een geloof zonder godsvrucht of geraaktheid door godsvrucht. Het is een instemmend geloof, niet meer dan dat. Geloof heeft al de gerechtigheid in zich vanaf het begin. Het geloof wordt niet later gevormd met een vrome genegenheid. Deze zit er vanaf het begin al in. Geloof is betrokken op de heiliging van de gelovige.

De scholastici gebruiken 1 Kor. 12:2 als bewijs voor ongevormd geloof, dat zou geloof zonder liefde zijn. Calvijn rekent dit op exegetische gronden af. Het probleem van de scholastici is dat ze een woord dezelfde betekenis toekennen op alle plaatsen waar het voorkomt, terwijl een woord meerdere betekenissen kan hebben op evenveel plaatsen. De context bepaalt ook de betekenis van een woord op zijn plaats. In dit gedeelte staat geloof voor de gaven die door God gegeven zijn en daarom is het vreemd om deze los te zien van de liefde van God. Desondanks kent Calvijn ook wel twee soorten geloof, een onecht geloof wat het algemene beamen van de waarheid van de Bijbel is(een constatering en geloven van feiten) en een geloof dat verder gaat; ook onder de indruk raken van de belofte en dreigementen van God.

Maar de eerste mag eigenlijk geen geloof heten. het lijkt alleen in uiterlijke zin op geloof. Hier wordt vaak van verteld in de Bijbel. Veel mensen lijken het zaad van het Woord op te laten groeien, maar het wordt verstikt. Mensen bedriegen zichzelf als ze denken dat ze het Woord van God openlijk niet verachten, maar het woord dringt niet door, het schiet geen wortel in de kern.

Een vals geloof is een lagere wering van de Geest in ongelovigen. Sommige mensen steigeren omdat het geloof een vrucht van de uitverkiezing is, maar het is ook zo dat uitverkorenen en verworpenen hetzelfde kunnen ervaren. In die zin hebben ze de hemelse gaven gesmaakt, maar ze hebben in de genade van de Geest en het licht van het ware geloof niet ten volle gedeeld, maar hun hart met zichzelf gevuld. Alleen in de uitverkorenen drukt God zo sterk het stempel van Zijn Geest dat deze altijd veranderd blijft. De vergeving van zonde en aanneming tot kinderen verzegelt de Geest in de harten van de uitverkorenen. Toch aanvaarden de verworpenen de genade van God, de verzoening, maar blijft hun begrip daarvan onhelder en onduidelijk, daardoor lijkt het of ze delen in hetzelfde geloofsbeginsel. Alleen de uitverkorenen volharden tot het einde.

Morgen lezen we boek III..2.11 - III.2.15

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com