Posts tonen met het label tucht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tucht. Alle posts tonen

vrijdag 27 november 2015

27-11; Boek IV.17.40 - IV.17.45

[40] Er zit wel een keerzijde aan het Avondmaal, voor ongelovigen is het een veroordeling, niet omdat het gezegende Avondmaal niet van zichzelf goed zou zijn, maar omdat de ziel waar het in komt berdorven is. Ongelovigen mensen die eten doen het Avondmaal smaad aan. Ze doen iets wat ze niet erkennen, namelijk het uiten van vertrouwen en geloof in de gemeenschap met Christus in het Avondmaal. Ook verscheuren ze het Lichaam van Christus, de Kerk, door hun zondes te vermengen met het teken van Christus' lichaam. Zo tekenen de ongelovigen hun eigen vonnis. Daarom roept Paulus ook op tot zelfbeproeving, of mensen wel echt op Christus willen vertrouwen voor hun zaligheid, en of ze Christus willen navolgen in het geven van zijn leven en het oefenen van gemeenschap met de broeders.

[41] De roomsen willen alleen mensen aan het Avondmaal toelaten die in een staat van genade zijn, dat is rein en gezuiverd van alle zonden. Hierdoor wordt zelfonderzoek een marteling, niemand mag dan aangaan. Zelfs die staat bereiken door berouw en boetedoening is lastig omdat je nooit weet of het genoeg is. Hierover is al geschreven op een eerdere plek in de Institutie, III.4. Deze zelfbeproeving helpt absoluut niet bij de notie van het zichzelf oordeel eten en drinken door onwaardig aan te gaan aan het Avondmaal.

[42] Niemand is waardig, maar we moeten juist in gedachten houden dat het Avondmaal rijkdom is voor de armen, geneesmiddel voor de zieken en hebben niks te bieden voor rijke en gezonde mensen.We moeten God onze onwaardigheid aanbieden en ons door Christus in Zijn ontferming tot waardige mensen laten maken. Dan is het soms een verschrikking om te denken dat zulke zondaars deelhebben aan het lichaam en bloed van Christus. Dat laat alleen maar zien dat we het nodig hebben. Onze waardigheid ligt vooral in het geloof in Christus. Het is eigenlijk gek om het Avondmaal aan te bieden aan mensen die het niet nodig hebben.

[43] Er zijn veel middelmatige zaken over het brood en de wijn bij het Avondmaal waarin de Kerk zelf mag beslissen wat voor brood en wijn en hoe dit uitgereikt mag worden. Calvijn roept op om niet allemaal trucjes te bedenken om het volk naar de ogen godsdienstig te laten zijn, ongeacht hoe oud die manieren ook zijn. We moeten de berg ceremoniën achter ons laten en tenminste een keer per week Avondmaal vieren in de Kerk met de volgende opeenvolgende elementen, uiteraard na de preek in de eredienst.
- Brood en Wijn op tafel zetten
- Spreken over de inzetting van het Heilig Avondmaal
- De beloften van het Avondmaal ter sprake brengen
- De tucht toepassen en mensen uitsluiten volgens de regels van de Heere
- Bidden om vorming en onderricht in geloof in onze harten voor deze maaltijd of Jezus ons waardig wil maken
 - Een psalm zingen of iets lezen, de gelovigen kunnen in gepaste orden aangaan.
- Predikant reikt brood en wijn aan.
- Aansporing van predikant tot oprecht geloof, belijdenis en naastenliefde
- Lof en dank zingen aan God

[44] Het is dus duidelijk dat het Avondmaal vaker dan de toen gebruikelijke een keer per jaar gevierd moest worden(in de RKK). Het moet zo vaak mogelijk gevierd worden om herinnerd te worden aan Christus en het geloof te laten ondersteunen terwijl met het Avondmaal de liefde voor de broeders en zusters tot uitdrukking komt. Eigenlijk zou er volgens Calvijn geen dienst mogen zijn zonder Woord en Sacrament. Dat is ook zo vroeger geweest in de Oude Kerk, sterker nog, mensen die niet aan het Avondmaal gingen werden aangespoord en bij volharding uit de Kerk geweerd.

[45] Augustinus bericht dat mensen aangespoord werden tot het Avondmaal, best dringend zo te lezen. Chrysostomus noemt mensen die niet aangaan brutale en lompe vlegels die bij de gastheer wel de indruk wekken aan tafel te gaan maar toch niet doen.

Volgende week lezen we boek IV.17.46 - IV.18.1

donderdag 22 oktober 2015

22-10; Boek IV.13.4 - IV.13.10

 [4] De laatste van de drie dingen waarop gelet moet worden met geloftes, is de gezindheid waarmee je een gelofte doet. Calvijn onderscheid twee soorten geloftes, die gaan over het verleden en die gaan over de toekomst. Deze hebben ook weer twee soorten onder zich. Allereerst die voor het verleden. Daarvoor heb je die van dankbetoon, zoals Jakob die God de tienden belooft als hij uit zijn ballingschap terugkeert. Dit kan vandaag de dag ook als God ons heeft gered van ernstige ziekte of ander gevaar. De ander is voor boetedoening. Bijvoorbeeld iemand die zondigt door gulzigheid en een gelofte aflegt om zich een tijd lang van lekkernijen te onthouden om zijn onmatigheid te straffen.

[5] Geloftes voor de toekomst maken ons voorzichtiger, maar sporen ons ook aan om onze plicht te doen. Dit kan dus bijvoorbeeld een sieraad niet dragen als je hierdoor verlokt wordt tot begeertes, maar ook een gelofte om godsdienstplichten, of met een mooier hedendaags woord, geloofspraktijken te onderhouden. Soms lijken deze geloftes op het opvoeden van en klein kind, maar onervaren en onvolmaakte mensen kunnen er veel aan hebben.

[6] In algemene zin doet iedere christen een gelofte bij de Doop die wordt bevestigd door kerkelijk onderricht en Avondmaal. Het is het afzweren van de duivel en God te volgen in plaats van onze eigen gedachtes. Niet dat iedereen zich hieraan kan houden, maar deze gelofte hoort bij het genadeverbond van God die daarmee ook vergeving van zonden en de Geest van heiliging geeft. Bij bijzondere geloften moet gelet worden op de drie zaken die Calvijn net heeft genoemd. Alleen moet men niet te vaak geloftes afleggen, dan zou het bijgeloof kunnen worden of gemakzucht. Ook moet je er wel een tijd bij afspreken, anders loop je kans om moeite of tegenzin te ondervinden.

[7] Calvijn ergert zich aan de eeuwenlange praktijk van zinloze, kinderachtige geloftes die mensen doen alsof het iets bijzonders is en een heilige zaak. Met de regels van Calvijn kan dit voorkomen worden en blijken die geloftes een zelfverzonnen godsdienst en God haat verzonden godsdienst.

[8] Calvijn wil niet uitgebreid de gekke geloftes behandelen, maar de kloostergeloftes vindt hij toch wel belangrijk genoeg om te behandelen. In zijn tijd werd het monnikdom verdedigd door het lange bestaan ervan. Maar vroeger was het kloosterwezen iets heel anders, er heerste spartaanse tucht en de mensen daar werden opgeleid tot een ambt in de Kerk. Een klooster was een voorbereiding op het bisschopsambt. Hiervoor haalt Calvijn Augustinus aan om het te bewijzen.

[9] Calvijn geeft een samenvatting van wat Augustinus schrijft ter verdediging van monniken tegen losbandige monniken en manicheeërs. Monniken leven samen en doen veel aan bidden, lezen en met elkaar praten onder leiding van een een man die veel kennis van theologie heet en vader genoemd wordt. Hier luisteren ze 's avonds na. Ze leven sober, eten niet te veel eten geen vlees en drinken geen wijn. De liefde staat centraal en ze dwingen elkaar tot niks.

[10] Calvijn wil de lezers de monniken van zijn dagen vergelijken met de weergave van Augustinus. Daarin is geen plaats voor onwrikbare eisen en vaste regels, alleen de liefde is het belangrijkste. Ook is monnikendom niet een nieuwe soort christendom, maar een voorbeeld voor de eenheid van de hele Kerk.

Volgende lezing is Boek IV.13.11 - IV.13.17

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 19 oktober 2015

19-10; Boek IV.12.19 - IV.12.24

De 42ste week van Lectio Calvini, verwarrende is wel dat Lectio Calvini één week achterloopt op de weken van de Heidelbergse Catechismus. Ach ja, een perfect gesynchroniseerd gereformeerd kerkelijk jaar is misschien ook te mooi om waar te zijn.

[19] Nooit vasten is beter dan met vasten bijgeloof in het zadel helpen. Daarom spreekt Calvijn de onjuiste meningen over vaten tegen in deze paragraaf. allereerst is goed vasten het scheuren van het hart en niet van kleren. Vasten moet gepaard gaan met innerlijke genegenheid van het hart, oprechte afkeer van de zonde en zichzelf en ootmoed en verdriet vanuit een vrezen van God. Vasten moet oprecht zijn en niet een uitwendig trucje. Er zit ook geen verdienste, het is maar een middelmatige zaak waarvan de waarde wordt bepaald waarvoor je het gebruikt. Verder moet vasten niet als een van de voornaamste plichten. Sommige kerkvaders zijn hier niet helemaal onschuldig van.

[20] In de tijd van de kerkvaders is ook volgens Calvijn de bijgelovigheid van de 40dagen tijd van vasten opgekomen. dit werd gezien en aangeprezen als een navolging van Christus. Maar Jezus vast niet 40 dagen om nagevolgd te worden, maar om Zijn leer als hemels te bevestigen. Mozes vastte ook zoveel tijd om te laten zien dat de leer uit de hemel kwam en niet uit hem zelf. Ook was er nergens in het OT een navolging van het vasten van Mozes. Ook zou Jezus meer dan ééns 40 dagen moeten hebben gevast om er een regel van te maken. Er is in de geschiedenis op verschillende manieren gevast. Het is gewoon een verkeerde ijver en bijgeloof opgesierd met de naam navolging.

[21] Er kwamen ook allerlei godslasterlijke verzonnen reels over wat men niet mocht eten. bijvoorbeeld vlees alsof dat men zou verontreinigen, maar tegelijkertijd werden er allerlei andere fijne en dure gerechten gegeten. En ook werd er dan niet uit een beker gedronken, maar uit een schelp. Hieronymus schrijft hierover.

[22] Het tweede deel van de tucht zijn de leefregels voor de geestelijkheid, wat nu ambtsethiek heet. dit waren de wat strengere regels die een bisschop zichzelf en zijn geestelijken oplegde. Deze werden op synodes eenmaal, vroeger zelfs tweemaal per jaar gecontroleerd, ook kon men hier ook in beroep gaan tegen een bisschop. Ten tijde van Calvijn lijken de geestelijken meer op de praktijk die beschreven wordt door Xenophon over de belachelijke regels van de Perzen in de tijd van Cyrus. Het zijn verdraaiingen van oude regels.

[23] Maar in het celibaat is Rome ontzettend streng en onverbiddelijk. Desondanks in die tijd de geestelijken gerust hoererij konden bedrijven. In ieder geval is het celibaat on-Bijbels en ook niet rechtvaardig en billijk. Het is door dwingelandij opgelegd. De bijbel spreekt over man en vrouw, maar ook over de vrouwen voor bisschoppen. In de bijbel is het huwelijk voor ambtsdragers een zaak van vrijheid.

[24] Het tegenargument is dat een priester van het volk te onderscheiden moet zijn. Nou lijkt het Bijbelser om dit onderscheid te laten zitten in de eigenschappen die God door Zijn voorzienigheid aan de priesters geeft. De tekst uit 1 Tim.4:1-3 gaat niet over een bisschop die voor de tweede keer getrouwd is. De bijbel is positief over het huwelijk, tegen de roomsen die het huwelijk een gebrek noemen bij een geestelijke. Het huwelijk is een beeld van Jezus en de Kerk, dit laat de waardigheid van het huwelijk zien. Dit geestelijk beeld van Christus onrein noemen gaat heel ver.

Morgen lezen we boek IV.12.25 - IV.13.3

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

vrijdag 16 oktober 2015

16-10; Boek IV.12.11 - IV.12.18

[11]Calvijn neemt hier een positie van Augustinus over dat leden en ambtsdragers niet de Kerk moeten verlaten om een gebrek aan tucht. Ze moeten blijven waar ze zijn en zoveel mogelijk inzetten om de Kerk zondevrij te krijgen. De kerkelijke tucht is er voor de eenheid van de Geest. Als je je om de tucht afscheidt, dan is de tucht geen medicijn meer. Cyprianus zegt dat ieder met barmhartigheid moet proberen te verbeteren wat hij kan, maar met geduld verdragen wat hij niet kan verbeteren en daarvoor in liefde zuchten en treuren.

[12] Dit schrijft Augustinus nog met het oog op de donatisten die de Kerk verlieten als de bisschoppen wel met woorden, maar niet met ban mensen tuchtigen omdat dat het kwaad zou verergeren. In Calvijns tijd zijn het de wederdopers die de Kerk verlaten als deze niet zo zuiver als engelen is. Onder deze gestrengheid van tucht zit eigenliefde, er zit geen liefde voor de eenheid en kennis van de waarheid in.

[13] Augustinus vindt verder dat tucht streng en barmhartig tegelijk moet worden toegepast. Plannen tot afscheiding  maken streelt alleen de ijdelheid van de planners en de zwakken raken erdoor in verwarring. Men moet de gemeente altijd streng waarschuwen  en onderwijs geven moet de menigte getuchtigd worden, tegen de zonden van de enkeling moet men streng optreden.

[14] Het laatste gedeelte van de tucht gaat over de mogelijkheid van kerkleiders om aan te sporen tot vasten, openbare smeekbeden, boetedoening en geloof. Dit hebben de apostelen gedaan die het weer uit de Wet en de profeten haalden. De Kerk doet er goed aan om een vasten met buitengewone gebeden te organiseren als er een godsdienstig geschil voor een kerkelijke vergadering komt, als er ambtsdragers verkozen moeten worden of andere belangrijke moeilijke zaken. Maar ook rampen, pest, oorlog, hongersnood zijn goede aanleidingen. Maar om niet te vervallen tot bijgeloof is er wel een goede voorlichting nodig over vasten.

[15] Men kan om drie redenen vasten. Ten eerste om het vlees te bedwingen. Dit is meer een persoonlijk vasten. Ten tweede om beter voorbereid te zijn  op gebed en overdenking. Dit gebeurt zowel persoonlijk als gemeenschappelijk. De laatste is als teken van berouw bij schuldbelijdenis. Als er een ramp gebeurt is het goed als de hele gemeente daar de tuchtiging van God in ziet en schuld belijdt. Als mensen persoonlijk zo iets ervaren kunnen ze ook persoonlijk, of met het gezin vasten. Het is voornamelijk een zaak van het hart, maar kan dan ook maar moeilijk niet tot uiting komen in uiterlijke zaken.

[16] Ook in de kerkelijke orde zou er meer gevast worden. Bijvoorbeeld bij ambtsdragers, zoals Paulus en Barnabas na gebed en vasten werden bevestigd in Antiochië en zo ook andere ambtsdragers in de gestichte gemeentes bevestigden. Het is zo vuriger van geest en beter toegerust tot het bidden worden. Zoals Anna deed in de tempel. Ook helpt het om van tijd tot tijd het huwelijksbed te onthouden om te wijden aan gebed. Vasten is hierbij slechts een middel.

[17] Als God een gevaar in een land laat ontstaan, wapent Hij zich zogezegd om het land Zijn toorn te laten voelen, dan moeten ambtsdragers een vasten afkondigen, zodat met een meelijwekkende houding van het volk misschien de gestrengheid van God afgebeden kan worden. Dat deed Joël ook, al was zak en as iets voor zijn tijd, maar bij elkaar komen, en wenen en vasten zijn wel voor alle tijden als de omstandigheden daarom vragen. Het is weliswaar wel een uiterlijke ceremonie, maar nog altijd een goed hulomiddel zoals het altijd is geweest voor alle gelovigen.

[18] Echte calvinisten eten al sober, maar tijdens een vastendag of periode moeten mensen zichzelf nog wat beperkingen opleggen voor eten en drinken. Ook moet men voor het gebed niks eten. Als je eet moet het goedkoop en eenvoudig voedsel zijn.

Volgende week lezen we boek IV.12.19 - IV.12.24

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 15 oktober 2015

15-10; Boek IV.12.5 - IV.12.10

[5] De tucht heeft drie doelen. De eerste is om de naam van de Kerk hoog te houden onder de mensen. Niet alleen is een gemeente vol goddeloze en misdadige mensen een modderfiguur maar wordt het Avondmaal erdoor ontheiligd. Daarom moeten priesters zich niet laten intimideren door macht van sommige mensen in de Kerk, zoals ten tijde van Chrysostomus blijkbaar gebeurde. Ook wordt de bederving door omgang met goddelozen beperkt. Het derde doel is dat mensen berouw krijgen van hun leven.

[6] Hoe pas je de tucht toe? allereerst ga je kijken bij het onderscheid tussen verborgen en openbare zonden. Bij de zonden die bij meerdere mensen bekend zijn moet de Kerk hem openbaar tot de orde roepen. Bij verborgen zonden moeten eerst de regels die Christus geeft gevolgd worden(zie paragraaf 2). Als er een onderzoek komt na volharding van de persoons kant, dan moet bekeken worden of het misdaden of overtredingen zijn. Met een lichte zonde mag het een vaderlijke bestraffing met woorden zijn, bij een zwaardere zonde moet hij voor een tijdje van het Avondmaal afgehouden worden tot bewijs van bekering. Ten tijde van Cyprianus werd dit ook toegepast en waren er officiële ceremoniën om dit vorm te geven. Hierna kon de persoon door handoplegging weer opgenomen worden in de gemeente.

[7] In de vroege Kerk werd de tucht op iedereen toegepast. Bekend is het verhaal van keizer Theodosius die na een bloedbad te hebben gecreëerd in Thessaloniki door Ambrosius van het Avondmaal is gehouden. Hij kwam zonder koninklijke attributen huilend vergeving vragen. Niemand is uitgesloten om smekeling bij Christus te zijn. Dit is de gang van zaken zoals dat bij Paulus wordt ingezet en in de Kerk is gehouden. Dit moeten ouderlingen met elkaar doen, met het medeweten van het volk.

[8] Strengheid hoort wel gepaard te gaan met zachtmoedigheid. De straffen moeten niet leiden tot verbittering, maar tot berouw. Calvijn had dan ook gezien dat ze in de oude KErk een stukje voorzichtiger zijn geweest en niet zo streng in de tucht.

[9] Mensen moeten dus ook net als de kerk zachtzinnig en vriendelijk blijven, we kunnen neit zeggen of de personen wel of niet uitverkoren zijn of geen hoop hebben. Mensen moeten hem  niet naar de dood wijzen, alleen op zijn werken letten. Wie zich niet aan deze regel houdt, gaat de grenzen te buiten.

[10] De ban is niet het definitieve oordeel van eeuwige ondergang, maar mensen horen wel een oordeel over hun leven en werken. Ze kunnen wel weten dat ze verloren gaan als ze zich niet bekeren. De banvloek laat geen ruimte over voor bekering, de afsnijding wel. Mensen die afgesneden zijn moeten toch altijd overtuigd worden om terug te keren waar mogelijk.

Morgen elzen we boek IV.12.11 - IV.12.18

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 14 oktober 2015

14-10; Boek IV.11.14 - IV.12.4

[15] De pausen hebben in de loop van de tijd rechtsbevoegdheden naar zich toe getrokken door middel van trouwbreuk en wapens. en dat terwijl paus Gregorius de Grote nog een concilie met een banvloek heeft georganiseerd over bewakers van kerkelijke goederen die onrechtmatig bezit verkregen. Ze schreven een eigendomsverklaring voor een landgoed dat ze op het oog hadden. Het wordt duidelijk dat als pausen in de jaren daarna zich hier niets van aantrokken het ze niet om de eer van Christus te doen is.

[16] Door de eigendommen denken de kerkelijke heren ontslagen te zijn van verplichtingen. Ze denken dat de verhevenheid van de Kerk erin ligt ontheven te zijn aan wetten en verplichtingen die voor iedereen gelden. Dit is historisch ook onjuist. Juist in de tijd van Ambrosius was duidelijk dat de Kerk over kerkelijke zaken ging, ook over de keizer als die erbij betrokken was. De keizer ging over de wereldlijke zaken, mensen konden zelfs de keizer voor het gerecht slepen, dat was normaal. De landerijen zouden in Ambrosius tijd gewoon belasting hebben betaald. Ook werd de bemoeienis van de keizer met de zaken van de Kerk afgeweerd door Gregorius I(de Grote)

[17] Deze heiloige mannen hadden geen bezwaar als de keizer zijn gezag in kerkelijke aangelegenheden liet gelden, maar zorgen ervoor dat dit tot nut van de orde en tucht was, niet ter verstoring, met geweld en willekeurig. De overheid zou de godsdienst met wetten, verordeningen en strafmaatregelen in stand moeten houden, pmdat de Kerk niet kan dwingen in maatschappelijke zin.

[1] Nu wil Calvijn de laatste zaken over de tucht in orde brengen, hiervoor maakt hij allereerst een onderscheid tussen de gewone gelovigen en de gelovigen die een ambt bekleden, de geestelijkheid. Mensen met een afkeer van het woord tucht moeten beseffen dat als een gezin of maatschappij orde heeft, dit nog meer van toepassing moet zijn in de Kerk, de tucht is als de spieren in het lichaam van Christus. Zonder de tucht ontspoort het.

[2] De grondregel is dat er persoonlijke vermaning moet zijn, allereerst tussen alle gelovigen onderling, maar met de ambtsdragers in het bijzonder. Zo deed Paulus het ook. Luistert de persoon niet, dan moet deze bij de rechtbank van de Kerk, dat is de vergadering van de ouderlingen langs voor een vermaning. Als dat niet werkt moet hij uit de gemeenschap van gelovigen gestoten worden.

[3] bedekte zonden, die verborgen zijn, moeten tussen mensen onderling besproken worden, openlijke zondes of die bij iedereen bekend geworden is moet in het openbaar bestraft worden, zoals Paulus aan Timotheüs schrijft(1 Tim. 5:20). Hij deed dit zelf ook bij Paulus. Bij verborgen zonden moet de eerst genoemde procedure gevolgd worden, bij openbare zondes moet er meteen overgegaan worden naar een officiële berisping.

[4] Een ander onderscheid is tussen overtredingen en misdaden of schanddaden. Bij de laatste soort moet ook men ook de ban uitspreken(1 Kor. 5:3). Als de Kerk zo mensen die blijven volharden in minachting voor de Kerk uitbant is dit haar door de Heere gegeven bevoegdheid. Het is niet iets menselijk, het is de bekendmaking van het vonnis van God Zelf. De Kerk kan dus ook de gelovigen na berouw weer opnemen in de Kerk. Mensen vergissen zich als ze denken dat de Kerk zich lang zonder te tucht kunnen handhaven.

Altijd spannend over de tucht. Ik heb zelf niet veel meegemaakt over de tucht, direct of indirect.

Morgen lezen we boek IV.12.5 - IV.12.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 12 oktober 2015

12-10; Boek IV.11.2 - IV.11.7

De 31ste week van Lectio Calvini.

 [2] Goed. De macht om te (ont)binden wordt gevonden in Matt. 18. Deze tekst gaat over de tucht, de eerdere tekst(Joh. 20) over de prediking. Dit is geen veroordeling tot eeuwig oordeel, maar een veroordeling van leven. Deze uitspraak van de Kerk wordt in de hemel als een geldig vonnis erkend. De roomse theologen hebben deze teksten op van alles n nog wat van toepassing laten zijn, maar ze gaan over hetzelfde.

[3] Sommigen zeggen dat dit slechts van toepassing was toen de regeringen net christelijk waren, maar de soorten machten vindt Calvijn daarvoor te verschillend. De Kerk heeft gen machts- en pressiemiddelen en ook geen zwaard. Ook wordt er niemand tegen zijn wil in gestraft, er is alleen boetedoening. De Kerk kan alleen onthouden van het Avondmaal. Desondanks moeten Kerk en overheid zo met elkaar verbonden zijn dat ze elkaar steunen en niet hinderen.

[4] Dit is een blijvende instelling. Dat blijkt uit de woorden, maar ook omdat Jezus Zich aansluit bij een bestaande praktijk. Een christelijke overheid zal ook niets verlangen wat naast de Kerk kan bestaan. Een goeie keizer hoort in de Kerk, niet erboven.

[5] De kerkelijke rechtspleging is er in de eerste plaats tegen ergernis. Deze mag niet met de zwaardmacht samengaan en niet door één persoon gepleegd worden. De Kerk heeft genoeg aa het Woord van God. In de prediking wordt al een hoop uitgelegd en beoordeeld en ieder die de christelijke leer volgt moet zich hieraan onderwerpen.

[6] In de tijd van Cyprianus wordt de hele geestelijkheid betrokken bij de rechtspraak. Het volk heeft ook een hand in de rechtspraak. Al ten tijde van (Pseudo-)Ambrosius was er al verval. De rechtspraak kwam steeds meer in handen van één persoon.

[7] En de bisschoppen hebben het weer doorgeschoven naar speciale ambtenaren hiervoor, kwaad immers, brengt ander kwaad voort. En de rechtsspraak gaat niet over geestelijke, maar aardse zaken. Dit heeft niks te maken met de instelling van Christus. En het is ook nog eens niet helemaal ter bestrijding van zonden, maar soms zelfs ter bescherming daarvan.

Morgen lezen we boek IV.11.8 - IV.11.13

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

zaterdag 10 oktober 2015

10-10; Boek IV.10.29 - IV.11.1

[29] Calvijn wilt de ceremoniën niet zoals hij ze ziet in de roomse kerk, nutteloze schone schijn en overdadig. Als er ceremoniën zijn, moeten ze passend zijn, maar ook de gelovigen leren vroom, ingetogen en eerbiedig ze met deze dingen bezig horen te zijn. Ook moeten de ceremoniën tot Christus leiden. Calvijn kan twee soorten kerkelijke inzettingen bedenken. Een voor de vaste gebruiken en ceremoniën(waardig op de knieën en met bloot hoofd bidden, Sacramenten eerbiedig ontvangen e.d.) en de orde en vrede in de Kerk(tijden voor eredienst, catechese en voor Calvijn dus ook geen vrouwen in het ambt).

[30] Maar Calvijn keurt alleen de menselijke inzettingen goed die in de autoriteit van God gefundeerd en aan de Bijbel ontleend zijn. De Bijbel geeft de algemene regel en de mensen kunnen deze vorm geven naar de behoefte van tijd en plaats als de onderlingen liefde maar blijft. Voorbeeld is knielen bij het gebed tijdens de eredienst wat ze toen deden. Staat niet in de Bijbel dat het zo moet, er staat wel dat alles betamelijk en passend moet gebeuren, wat knielen in gebed is.

[31] Mensen moeten deze regels dus met een vrij geweten gehoorzamen, zonder er minachtend op neer te zien of vanuit een hooghartige en eigenwijze houding overtreden. De regels zijn een oefenschool voor menselijke zwakheid. Het is niet zo dat er een bepaald mysterie of consequentie verbonden is aan de regels. Het is betamelijk om je aan dat soort regels te houden, maar niemand kan bijvoorbeeld toch moeilijk een persoon die niet kan knielen door ziekte kwalijk nemen dat hij dat dan niet doet? De regels overtreden uit vergeetachtigheid o.i.d. is geen zonde, maar alleen uit minachting wel, omdat dat eigenzinnigheid is. Er zijn gewoon regels nodig voor de vrede en de orde, wat wel een goddelijk gebod is.

[32] Daarom moeten de regels duidelijk zijn wat ze leren en moeten het er gewoon niet teveel zijn. En ze moeten zo uitgelegd worden dat ze geen aanleiding kunnen vormen voor dwaling. Iedereen heeft vrijheid maar levert zonder gewetensnood een stukje in voor het betamelijke en de naastenliefde.

[1] De derde manier van kerkelijke inzettingen was de rechtspraak. Dat heeft te maken met de tucht. Het is een ordening die niet tegenover het burgerlijke bestuur staat en gericht is op de handhaving van geestelijke regering. In de Bijbel zijn er ook ouderlingen die niet met het Woord bezig zijn, maar zich met de tucht bezighouden. Het gaat hier niet om het leergezag, maar het recht van het Sanhedrin van de toekomst wordt overgedragen op de kudde van Jezus Christus. Het gaat hier ook om zaken van Matt. 16. De vergeving van de zonden is in het Woord gelegen en is de binding en ontbinding die de apostelen kunnen toepassen op aarde. De sleutelmacht is niet een macht maar een bediening van de prediking omdat Jezus deze macht Zelf altijd in handen houdt.

Volgende week lezen we boek IV.11.2 - IV.11.7

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 31 augustus 2015

31-08; Boek IV.1.15 - IV.1.21

De 35ste week van Lectio Calvini.

Volgens mij ben ik vergeten twee paragrafen te lezen vrijdag die gaan over het niet te snel verlaten van de gemeente, of als donatist of kathaar een zuivere kerk zoeken. De kerk is gemengd met goddelozen tot de volheid van de tijd. Paulus noemde de gemeente in Korinthe in zijn broef desondanks alle dwaling, zonde en scheuring nog steeds de gemeenschap van heiligen.

[15] Er zijn mensen, zoals ook in de Korinthebrief te lezen is, die misdadiger zijn en uit de gemeente geweerd moeten worden. Dit is de plicht van de Kerk, maar daarom mag nog steeds niet ieder voor zich beslissen om zich van de Kerk af te scheiden. We moeten ook niet strenger zijn dan Paulus en bij het Heilig Avondmaal anderen dan alleen onszelf onderzoeken. Paulus gaat er blijkbaar van uit dat het indringen van onwaardigen ons niet schaadt.

[16] De meeste mensen die de Kerk om dit soort zaken verlaten zijn ijverig voor gerechtigheid, misschien zelfs te ijverig. Maar het komt vaak voort uit hoogmoed, aanmatiging en een onjuiste opvatting van heiligheid. Calvijn sluit zich aan bij Augustinus die zegt dat de tucht tot eenheid en vrede moet leiden. Vromen moeten barmhartig vermanen en als ze dat niet kunnen, moeten ze geduldig verdragen. Wie uit afkeer de door God gegeven uitwendige verbintenis afweert, plaatst zich op een weg waarop men makkelijk uit de gemeenschap der heiligen valt.

[17] Sommigen gebruiken de heiligheid van de Kerk als argument, de Kerk behoort heilig te zijn, maar het is wel een heiligheid, vindt Calvijn, die van dag tot dag wordt vermeerderd, dus nooit af is. Het is niet dat de heiligen zonder spat of smet zijn, van Godswege wordt de heiligheid waar ze zich op toeleggen en een begin mee hebben gemaakt hun toegekend.

[18] De profeten hebben een voorbeeld gesteld in hun tijd. Het volk was vaak genoeg echt slecht bezig, toch hebben mensen zich vergaderd in de tempel en hebben ze geen nieuwe kerk gestart omdat ze bang waren zich te verontreinigen.

[19] Ook in Jezus' tijd gold dit. Te midden van Farizeeërs en mensen met een goddeloze levensstijl bleven mensen naar de tempel komen voor de openbare uitoefening van de godsdienst. Met Cyprianus moeten we dus bedenken dat we koren en geen kaf behoren te zijn en het aan de Heer toekomt aarden vaten te breken, niet aan de mens. De onreinheid van een predikant of gewoon kerklid raakt de vrome niet in zijn geweten als de sacramenten ook door hun worden aangeraakt.

[20] Er zijn dus mensen die slechts kerken erkennen die vrij van de allerkleinste smetten zijn en wijzen leraren af die gelovigen aansporen tot verbetering door hun te leren zuchten onder de last van zonden en toevlucht te nemen tot vergeving. Dit zou de volmaaktheid afhouden, is de reden. Mensen moeten aangespoord worden, vindt Calvijn, maar het is een duivelse leugen om te stellen dat mensen op aarde de volmaaktheid kunnen bereiken. En daarna gaat de Kerk aan vergeving van zonden vooraf. God geeft de vergeving binnen de gemeenschap der heiligen.

[21] God neemt ons niet maar één keer door de vergeving van zonden op in de kerk, maar door diezelfde vergeving bewaart en beschermt Hij ons in Haar. Een mens is zich sowieso zijn leven lang bezig om bewust te worden welke zonden hij vergeven van moet worden. We dragen ons hele leven de sporen van de zonden, we zouden het geen ogenblik volhouden als we maar één keer vergeven werden. We moeten het dan ook voor zeker houden dat door Gods goedgunstigheid, door tussenkomst van Christus' verdienste en dor de heiligmaking van de Geest, aan ons die in het lichaam van de Kerk opgenomen en ingelijfd zijn, genade voor onze zonden bewezen is en nog dagelijks bewezen wordt.

Morgen lezen we IV.1.22 -IV.1.29

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com