Posts tonen met het label Hieronymus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hieronymus. Alle posts tonen

donderdag 1 oktober 2015

01-10; Boek IV.9.4 - IV.9.11

[4] Sommige mensen zeggen dat dit alleen voor de Joden gold. Maar Petrus zegt zelf dat er net als er onder de Joden valse profeten waren, in de NT valse leraren en ketters zullen zijn(2 Pet. 2:1). Paulus zegt dat de antichrist in de tempel van God troont. En niet alleen in de bijbel maar ook in de kerkgeschiedenis is te zen dat de waarheid niet altijd door de herders wordt bewaard en verkondigd.

[5] Calvijn wil niet het gezag van alle herders over de hele wereld in een klap ondermijnen, maar wel laten zien dat het niet klopt als de paus en zijn bisschoppen de waarheid verdraaien en ondertussen zeggen dat ze niet van het licht van de waarheid verstoken zullen zijn. God kan herders straffen met verblinding. De overtuiging van de paus staat al te lezen in JEr. 18:18

[6] Dit geldt ook voor concilies. Calvijn ziet dit terug in de profeten uitspreken dat de priesters de Wet zal ontvallen en niks zullen inzien. Dit gold voor priesters die in vergadering bijeenkwamen, in een vergadering van 400 spraken ze door een leugengeest(1 Kon. 22:6)

[7] Ook het proces tegen Jezus laat zien dat de waarheid niet in een concilie van een Kerk ligt opgesloten. We mogen niet toegeven dat de de Kerk bestaat in de vergadering van haar herders, want God heeft verklaard dat er ook slechte herders zullen zijn.

[8] Calvijn wil zeker niet alle concilies ongeldig maken of iedereen voor zichzelf laten bepalen of die een concilie wel of niet aanneemt. Calvijn wil dat eerst bij een concilie het wie,wat,waarom,wanneer vragenrondje wordt onderzocht en daarna zou het aan de hand van de Schrift onderzocht moeten worden. We moeten dit leren van Augustinus die een strijd over concilies terug naar de Schrift stuurde die hij en zijn tegenstander allebei als gezag aanvaardden. Calvijn onderstreept een paar concilies, de bekendste en belangrijkste als ze over leeruitspraken over het geloof gaan. Er is in latere concilies al een verval te zien. Er waren wel goede bisschoppen, maar doordat de stemmen wel geteld maar niet gewogen werden heeft het grootste deel vaak het beste deel overwonnen.

[9] Als er twee concilies tegenstrijdig zijn kan je alleen aan de hand van de Bijbel bepalen welke ongeldig is. Zo bijvoorbeeld met het concilie van Constantinopelwaarop besloten werd om beelden uit de kerk te halen en op het tweede concilie van Nicea om ze weer terug te plaatsen. De tweede houdt zich niet aan de Schrift, wat Calvijn laat zien. Dus verwerpt hij het laatste en aanvaard hij het eerste concilie.

[10] Maar ook hebben de mensen van het concilie zich soms overgegeven aan bijzaken. Op Nicea bijvoorbeeld waren de tegenstanders van Arius ook elkaars tegenstanders en werkten elkaar tegen terwijl ze zich vanuit het Woord op Arius moesten richten.

[11] Ook Leo erkend het gezag van Chalcedon maar noemt wel dat hierbij gedwaald kan zijn, net als het verwijt van eerzucht en roekeloosheid. Dit is niet om het gezag van concilies te ondergraven, maar wel om tegen te spreken dat concilies onfeilbaar zijn.

Morgen lezen we boek IV.9.12 - IV.10.2

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 21 september 2015

21-09; Boek IV.6.17 - IV.7.4

De 38ste week van Lectio Calvini.

[17] Dat de kerk van Rome stabiel was, is geen reden om haar oppermacht over andere kerken te brengen. Dat doet ook geen recht aan de vroege Kerk. Hieronymus behandelt in de kerkorde geen paus, Cyprianus behandelt geen paus, maar legt de eenheid van de Kerk in het bisschopsambt. In het bijzonder het episcopaat van Christus en het daarvan afgeleide ambt waarin de bisschoppen een deel en toch de volheid van delen.

[1] Op het Concilie van Nicea in 325 werd Rome wel een belangrijke, maar niet de hoofdplaats in. Ook op het Concilie van Efeze(431) werd er geen machtspositie toegekend, maar wel op een gekke manier de bisschop van Rome gekoppeld aan het voorzitterschap. Ook op het Tweede Concilie van Efeze (449) namen de afgevaardigden van Rome geen bijzondere plaats in tussen de andere. En de bisschoppen van Rome stonden bekend dat ze wel tumult maakten om iets te claimen wat hun toekwam, dus als ze wel een machtspositie hadden, dan was dat wel uitgekomen.

[2] Op het Concilie van Chalcedon nam Rome wel een bijzondere plaats, maar dit was op verzoek van de keizer en aldus een bijzonder voorrecht, aldus Leo I. De Oosterse bisschoppen hadden de boel namelijk al in het honderd laten lopen en Rome kon goed voorzitten met rust en gezag. Maar dit is geen algemene regel. Op het Vijfde Concilie van Constantipnopel heeft zonder morren weer een andere bisschop voorgezeten. Ook zo op het Concilie van Carthago. Het Concilie van Aquileia werd zelfs gehouden zonder Rome erbij.

[3] Ook waren er eerder geen bijzondere titels voor de bisschop van Rome. Cyprianus schrijft zelfs wat hard tegen een paus over zijn domheid en arrogantie, als broeder. Het concliie van Carthago verbiedt expliciet iemand de vorst van de priesters of eerste bisschop te noemen, Hieronymus weigert als priester van Rome de stad boven de wereld te plaatsen.

[4] Gregorius I heeft zich tegen een Johannes, bisschop van Constantinopel gekeerd die zich universeel bisschop wilde laten noemen. De zelfverheffing die hier in zit noemt Gregorius de voorbode van de antichrist. Op het Concilie van Chalcedon schijnt deze titel aan Leo I aangeboden te zijn, maar dit is onwaarschijnlijk en ook nergens wat van terug te vinden, desondanks Leo geweigerd zou hebben.

Morgen lezen we boek IV.7.5 - IV.7.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 15 september 2015

15-09; Boek IV.5.8 - IV.5.15

[8] In vroegere tijden was het niet mogelijk om monnik te zijn en te behoren tot de geestelijkheid. ER zijn pausen geweest die dit gebruik met een woord aan de kant hebben geschoven. En dat terwijl Hieronymus zegt dat hij zijn priesterschap niet uitoefent als hij onder de monniken is, en dat hij zich ziet als man uit het volk. Het is nooit de bedoeling geweest van Christus om monniken in hun schuilhoekje de mis te laten prevelen. Een presbyter is er om leiding te geven aan een gemeente. En juist monniken moeten geen openbare dienst beleggen, in hun klooster blijven en al helemaal niet de sacramenten bedienen.

[9] Daarnaast heb je dus de wereldgeestelijken, die voor een gedeelte bestaan uit de beneficiarissen, en mensen die leven van het onderhouden van de mis. Allebei de soorten wereldgeestelijkheid hebben te maken met misbruik en perverteringen. Ze doen de waardigheid van de presbyter teniet, Calvijn vindt het geen wettig ambt, omdat ze de inzetting van vroeger niet uitvoeren.

[10] Er zijn ook veel functies, die buiten de pracht en praal van ceremonieën geen enkele waarde hebben, er zit geen dienst aan de Kerk in door bijvoorbeeld woordverkondiging, tucht of zorg voor Sacramenten. Ze zullen niet eens weten wat de vereisten in de Bijbel zijn voor een presbyter.  Kanunniken hadden ouderling(presbyter) moeten worden, andere titels hebben weinig tot niets te maken met degelijke kerkregering. Ze beweren wel presbyters te zijn, maar dat is gewoonweg niet waar.

[11] Bisschoppen en bestuurders van de parochies hebben een vroom en uitnemend ambt, maar voeren hier niet veel van uit. Meestal hebben ze de taken aan iemand anders overgedragen. Vaak komen ze niet een keer per jaar in hun kerk. Of ze houden alleen zaken in de gaten die opbrengst kunnen leveren.

[12] Bij Gregorius is al te lezen dat er een kiem van dit kwaad bestond in de Kerk. Hij schrijft erover dat de bestuurders nalatig werden in het geven van onderwijs. Hij klaagt in preken erover dat herders de taken laten liggen. Ook Bernardus van Clairvaux maakt in zijn tijd nog werk van dit probleem in zijn preken.

[13] Met het pausdom zoals Calvijn het kende was er geen grotere roversbende te vinden. Alles was in strijd met de inzetting van Christus en de oude Kerk en logisch nadenken. En toch verdedigen mensen zoals Pighius deze eerbiedwaardige hiërarchie als overgeleverd van vroeger. Maar de inzetting van vroeger heeft niets te maken met de chaos van die tijd. Nu is alles versplinterd en verward.

[14] Ook is er in de levenswandel van de priesters niks te zien van het zout der aarde zijn  of het licht van de wereld zijn. Priesters zitten vol met ondeugden en zijn asociale lui. Veel, zo niet alle priesters zouden geëxcommuniceerd moeten worden volgens de maatstaven van de tucht van de oude kerkelijke bepalingen.

[15] En diakenen doen nu niet meer datgene waar ze voor aangesteld zijn, namelijk armenzorg. Behalve dan heel misschien als ze voor de consecratie de offergaven ophalen. Desondanks vroeger de kerkgangers eerst elkaar een kus gaven en hun gaven zelf naar voren brachten. Tegenwoordig(toen in Calvijns tijd dus) kan je beter je offergaven in zee gooien, dan heb je even grote kans dat ze bij de armen komen. Het fantasiediaconaat is de draak steken met de kerk. Het licht van Gods Woord is gedoofd en na zo de Kerk als het ware vermoord te hebben hebben ze de buit geplunderd.

Morgen lezen we boek IV.5.16 - IV.6.3

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 9 september 2015

09-09; Boek IV.4.5 - IV.4.10

En dan nu over de diakenen.

[5] Diakenen zijn er geweest om het geld en de kerkelijke goederen te beheren en de armen te verzorgen, onder toezicht van de bisschop. Bisschoppen mochten ook niks financieels doen zonder medeweten van diaken en presbyter. Onderdiakenen zijn later toegevoegd als hulp, maar het onderscheid en tussen onder- en normale diaken is geleidelijk verdwenen. Aartsdiaken was de opzichthouder en waren eindverantwoordelijken. Ook mochten diakenen in de eredienst het Evangelie voorlezen, aansporen tot gebed en de beker aanreiken tijdens het Heilig Avondmaal. Dit om te laten zien dat het zeker wel een geestelijk ambt was.

[6] Vroeger was al duidelijk dat alles wat de Kerk aan land en geld heeft, geldt als vermogen van de armen.  Er is altijd opgeroepen om zuiver met het geld om te gaan en de diakenen zonder aanzien van het persoon uit te delen onder de armen. Dit doen bijvoorbeeld Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus. Ambtsdragers leefden ook van het kerkelijke geld. Het was dan ook niet de bedoeling van ambtsdragers om luxe te leven in weelde. Er zijn presbyters die in vrijwillige armoede leefden door hun erfenis aan de Kerk te geven.

[7] Op een gegeven moment zijn er regels voor het verdelen van geld ingesteld. Het geld had vier doelen. Onderhouding van de geestelijken, van de armen, van de kerkelijke gebouwen en nog een vierde deel voor de armen die van elders kwamen en behoeftigen in de eigen stad. Onder het toezicht van een bisschop waarvan verwacht werd dat hij dit geld niet gebruikte als een leuk zakcentje, maar zelf ingetogen en sober leefde met voedsel en kleding.

[8] Kerk leefde altijd bescheiden. Tijdens een hongersnood in Jeruzalem heeft de bisschop Cyrillus zelfs vaatwerk en kleding van de kerk verkocht om voor de armen te kunnen zorgen. Zo ook verhalen over Ambrosius en een zekere Acatius en een Exuperius. Ambrosius heeft benadrukt dat alles wat de Kerk en bisschop bezit het vermogen van de armen is en daarom mag al het goud gebrukt worden om de armen te onderhouden.

[9] Bovenstaande zijn de ambten van de vroege Kerk. Andere diensten waren een soort voorbereidende diensten voor mensen. Er waren jongens die van jongs af aan geschoold werden om later een ambt goed te kunnen aanvaarden. Deze werden clerici genoemd. Calvijn is ongelukkig met de naam, maar ziet zo'n opleiding van jongs af aan wel zitten. Ze oefenden zo in het geestelijk leven. Eerst werden dit soort jongens aangesteld om deuren te open of te sluiten en heetten ze deurwachters(ostiarii), later werden ze volgelingen(acolieten) genoemd omdat ze altijd bij de bisschop waren en de Schriftlezing mochten doen en onderdiaken werden als oefening. Wat Calvijn hiermee wil aantonen is dat deze functies geen ambten waren, maar voorbereidende oefeningen.

[10] Net als de apostelen deden moeten we ook nu eerbiedig te werk gaan en gelovige vrome mensen tot het ambt kiezen. Op een gegeven moment werd er meer gevraagd dan Paulus de bisschop vraagt, zoals ongehuwd blijven. Wat verschilde tussen gemeentes onderling was de manier waarop de ambtsdragers aangesteld werden. Cyprianus laat in een brief zien dat hij zich grondig verontschuldigt voor het aanstellen van een lector zonder het medeweten van de gemeente. Praktische rompslomp zorgde dat voor kleinere functies de gemeente niet geraadpleegd hoefde te worden. Alle functies behalve bisschop werden door de bisschop en presbyters gekozen. Een presbyter voor een parochie werd wel door de gemeente gekozen.

Morgen lezen we boek IV.4.11 - IV.5.1

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 8 september 2015

08-09; Boek IV.3.16 - IV.4.4

[16] En hoe bevestigen we een ambtsdrager? Met handoplegging, zoals de apostelen dat deden. Waarschijnlijk een uitvloeisel van een gewoonte van de Hebreeën en gebruikten de apostelen die om aan te geven dat ze de onder handen genomen ambtsdrager aan God opdroegen. Dit gebruik mag weer opnieuw ingevoerd worden als betekenis symbool, niet als iets bijgelovigs.

[1] Hoe was de kerkregering geregeld voor het pausdom? In de vroege kerk hadden de bisschoppen veel regelingen ingezet die schijnbaar tegen de Schrift ingingen, maar toch stevig door de Bijbel genormeerd was. Bij Hieronymus kom je vijf geledingen in de Kerk tegen, bisschoppen(opzieners), presbyters(ouderlingen of priesters), diakenen, gelovigen en doopleerlingen. Meer geestelijkheid of clerus en monniken kent hij geen plaats toe.

[2] De leerambten was dus de presbyter die uit hun midden per stad een bisschop kozen. Desondanks was de bisschop niet de baas over de priesters, hij was iemand die leiding gaf aan alles wat gebeurde met adviezen, raad en het peilen van meningen. De bisschop is een menselijk besluit om tweedracht in de gemeente te voorkomen. Presbyters moeten weten dat ze ondergeschikt aan de leiding zijn, bisschoppen moeten weten dat ze uit gewoonte boen de presbyters staan. Het is wel een oude gewoonte. Iedere stad had dus een groep presbyters, dus herders en leraren, die de taak die Paulus aan opzieners geeft, op zich te nemen. De bisschop stond er in zekere zin wel boven, maar moest zich toch voegen naar het besluit van deze vergadering. Er waren ook nog landbisschoppen, chorepiscopi, aangesteld als hulp in een groot gebied. Deze vertegenwoordigde de bisschop in minder belangrijke taken.

[3] Presbyters en bisschoppen moesten zich in ieder geval wijden aan de bediening van het Woord en de Sacramenten. Alleen in Alexandrië was een uitzondering omdat Arius daar de kerk in beroering had gebracht. In ieder geval werd van alle ambtsdragers door alle eeuwen heen verlangd dat ze hun taken uitvoerden. Ook in de tijd van Gregorius de Eerste was een niet prekende bisschop niet de bedoeling.

[4] Aartsbisschoppen en patriarchen, weer twee tredes boven de bisschop, werden op het concilie van Nicea ingesteld voor de handhaving van de tucht. Dit had echter beperkt praktisch nut. Zo werd er een hierarchie gekweekt, een woord waar Calvijn niet dol op is. Plus dat het meer is dan de Bijbel leert en meer dan de oude bisschoppen aan wilden.

Morgen lezen we boek IV.4.5 - IV.4.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 11 augustus 2015

11-08; Boek III.22.8 - III.22.11

Na de uitverkiezing behandeld te hebben, wordt deze geplaatst in het kader van de kerkgeschiedenis. Wat uiteraard geloofwaardig is voor de geloofwaardigheid van Calvijn.

[8] Dit is dus wel bijzonder, Ambrosius, Origenes en Hieronymus waren net als Augustinus ervan overtuigd dat God Zijn genade gaf aan de mensen van wie Hij van te voren zag dat ze er goed gebruik van zouden maken. Augustinus heeft dit na voortschrijdend (Schrift)inzicht herroepen en bestreden. Augustinus heeft met kracht de optie van de voorwetenschap bestreden, juist omdat Paulus zwijgt over voorwetenschap waar je dit wel zou verwachten, net zoals Calvijn beargumenteert dus. Desondanks beroept Augustinus zich weer op Ambrosius. Dus de vraag of God mensen geen onrecht, beantwoord Paulus niet met een voorwetenschap van God, maar met uitverkiezing.

[9] Thomas van Aquino heeft de uitverkiezing door voorwetenschap opgelost door te zeggen dat het voor ons weliswaar  alleen zo lijkt. Bij God, de eeuwige, is er dus geen voorwetenschap van verdiensten, dat is slechts menselijk en aards perspectief. Zo worden mensen verkoren tot heerlijkheid. Maar deze heerlijkheid heeft dus wel een eerdere verkiezing nodig die de genade geeft om heerlijkheid te verdienen. Deze discussie verwart alleen maar.

[10] Ander probleem is de verhouding tussen de algemene uitnodiging voor iedereen, en de verkiezing van slechts een paar mensen. Hier heeft Calvijn al eerder iets over gezegd (III.3) en later zal hij er nog op terugkomen(III.24.1). God is niet verplicht om vanwege een onverbrekelijke wet alle mensen in gelijke mate te roepen. Als Paulus niet naar Bithynië en wel naar Macedonië wordt gestuurd, is dit al duidelijk. De verhouding roeping-evangelie is niet een op een. Ook wordt het Evangelie vaak veracht, wat Jesaja ook vaak laat zien, maar toch meer de nadruk legt op Gods arm die zich wel of niet openbaart. Het is het geloof dat kinderen van God maakt en niet de prediking. De prediking is ook vaak als zaad dat op de verkeerde grond valt. Hierover kunnen we alleen maar bevreesd zwijgen en dwalingen voorkomen. Dit moet al duidelijk zijn als in Ef. 1 de verkiezing als grond van het geloof wordt gepresenteerd. Gelof mag de tweede plaats na de verkiezing hebben. Maar Joh. 6 laat toch zien Jezus alleen de hoeder is van de uitverkorenen, die God Hem gegeven heeft. Dit is dan ook de volharding.

[11] Wat gold voor Jakob, gold ook voor Ezau, dus wat voor de verkorenen geldt, geldt ook voor de verworpenen. Dit is niet op basis van werken. Verworpenen zijn er om gods heerlijkheid in hen te laten zien.

Morgen lezen we boek III.23.1 - III.23.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 3 augustus 2015

03-08; Boek III.20.43 - III.20.44

De 31ste week van Lectio Calvini, ik weet niet hoeveel er nog meelezen in de Institutie, maar ik ben onder de indruk van dat je met 5 dagen in de week, een half uurtje ofzo, toch vrij makkelijk en gestadig zo'n dik boek doorkomt. Hoppa!

Anyway, de derde en de vierde bede van het Onze Vader.

[43] 'Uw wil geschiede'; Dit kan niet losgemaakt worden van het Koninkrijk van God. Dit is niet de verborgen wil van God. Het is de vrijwillige gehoorzaamheid aan God. Het is ook de bede om de vernieuwing van de mens, zodat er geen oude begeerte in ons overblijft en leren te haten wat God haat en te liefhebben wat God liefheeft. De eerste drie beden zijn dus compleet gericht op God en mogen niet gebeden worden om ons voordeel.

[43] De eerste van de laatste drie beden is 'Geef ons heden ons dagelijks brood'. Deze gaan over de zaken die nuttig voor ons zijn. Desondanks blijven deze zaken ook tot Gods eer strekken, we worden geoefend in vroomheid en daarna mogen we zaken vragen die ons voordeel zijn tot zover ze tot de eer van God zijn. Met deze bede bidden we niet alleen om brood, maar om voedsel, kleding en om dit in vrede te kunnen gebruiken. Het is een oefening in geloof aan Gods voorzienigheid en de zorgen voor het lichaam opzij te zetten. God is niet te min voor aardse zaken, het gaat om echt brood, geen bovennatuurlijk brood. Gods zegen en vaderlijke gunst lichten op in brood.

We laten het brood van God afhangen en moeten dus geen brood zoeken buiten de geoorloofde manieren om wat God ons geeft aan te vullen. En ons eigen werk levert ook niks op als God het niet zegent. Dagelijks betekent dat we beschermd worden tegen het begeerlijk storten op overdaad. We bidden om genoeg, een mens leeft ook niet van brood maar van het woord van Zijn mond. Meer dan genoeg hebben en toch God smeken om meer is spotten met God. Als we bidden dat het ons gegeven wordt, pleiten we niet op een verdienste van ons, maar is het een gaven van God, hoe hard we er ook zelf voor gewerkt hebben. Het is en blijft Gods zegen.

Morgen lezen we boek III.20.45 - III.20.47

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 9 juni 2015

09-06; Boek III.5.3 - III.5.8

[3]Paus Leo en augustinus voeren aan dat de dood van de één geen gerechtigheid voor de ander oplevert, tenzij het Christus betreft. Maar hier gaat het om martelaren. Het bloed van de martelaren zou waardeloos zijn als het geen gerechtigheid opleverde, wat Calvijn het mengen van het bloed van Christus met bloed van heiligen noemt. Maar het bloed van de martelaren heeft waarde als getuigenis, niet als verzoening voor anderen.

[4]Kol. 1:24 is een kerntekst. Dit is niet dat het lijden van Christus aanvulling nodig heeft. Het gaat om wat de leden van Christus, de gelovigen, dagelijks nog lijden wat Christus in Zichzelf heeft gelden, het gaat over de beproevingen van christenen. Augustinus leerde dit al.

[5]Paulus predikte Christus als verzoening en bron van alle hemelse goederen, daarmee staat dit lijnrecht tegenover de aflaten van lood en perkament. Het is een ontsporing van de genoegdoeningen die boetelingen moesten doen en verlichting(een aflaat, indulgentia) konden vragen. Later werd dit op God betrokken.

[6]Omdat de aflaten niet waar is, is het vagevuur ook niet waar. Calvijn stelt dat het vagevuur eerst verzonnen is en daarna door verdraaiing van teksten gepoogd werd deze Bijbels te funderen. God wil niet dat mensen zo diep zoeken en doden raadplegen. En het is weer iets wat van het kruis van Jezus afleidt.

[7]NT-teksten over de zonde tegen de Heilige Geest laten zien dat er dus wel zonden zijn die in het hiernamaals kunnen worden vergeven, aldus vagevuur-theologen. Maar Jezus spreekt met een stijlfiguur over het oordeel van het geweten en het Laatste Oordeel. De tweede tekst uit het NT is Matth. 5:25, het is geen schets van wie wie(duivel, God, engel, Jezus) is in de opstelling van een rechtbank, maar wat voor een onzin is om je gelijk te blijven halen terwijl je billijkheid en eendracht moet zoeken.

[8] Ook de tekst dat elke knie voor Jezus zal buigen laat met het 'onder de aarde' het vagevuur zien. Maar Paulus bedoelt niet het uitboeten, maar hij bedoelt hoe vroomheid is. In Openbaringen, gaat het dan weer over redeloze en onbezielde schepselen. Bewijs uit de Maccabeeën wil Calvijn niet aan, omdat hij het boek niet erkend als canoniek. Hiervoor vindt hij steun bij Augustinus, omdat de Joden het boek niet rekende tot Wet, Profeten of Psalmen(die alledrie wel van Christus getuigden). Hieronymus vond dat je er geen dogma's mee kon ondersteunen en Cyprianus erkende het niet als canoniek. Maar hoofdpersoon Judas offet ook niet omwille het vagevuur als losprijs, maar in hoop op het eeuwige leven.

Morgen lezen we boek III.5.9 - III.6.1

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com