Posts tonen met het label Johannes Eck. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Johannes Eck. Alle posts tonen

maandag 5 oktober 2015

05-10; Boek IV.10.3 - IV.10.8

Week 40 van Lectio Calvini. Ik weet niet of er nog mensen meelezen, maar nu is het nog maar tien weken lezen. Dit is 4/5 van het rooster.

[3] Calvijn moet even wat uitleggen over het geweten, als hij zegt dat de roomse kerk de gewetens teistert. Er moet namelijk een onderscheid maken tussen wat dan de uitwendige rechterstoel heet en de rechterstoel van het geweten. De laatste is een directe link waarin de mens zich voor het oordeel en de rechterstoel van God geplaatst weet. Het is het weten dat er iets niet verborgen kan blijven. Het is een bewaker die kijkt naar alles wat er in de mens schuil gaat.

[4] Volgens Paulus is het geweten een levende genegenheid om God te dienen en oprecht en vroom te leven. Het geweten ziet op God en is gebonden door de Wet. Met middelmatige zaken is het wel zo dat een wet als bijvoorbeeld over het offervlees eten, een uiterlijke handeling bindt, maar het geweten vrij laat.

[5] Mensenwetten daarentegen hebben niets met het geweten te maken. Maar in par. 3 wordt wel een probleem geschetst dat we de overheid moeten gehoorzamen om het geweten(Rom. 13:1), maar de overheid gaat niet over de gewetens. Maar dit is dus dat we in algemene zin, en niet in bijzondere zin in ons geween gebonden worden. God heeft namelijk wel de overheden verordend en laat ons die gehoorzamen. Ook binden de goede en rechtvaardige wetten niet het geweten omdat ze gehoorzamen een algemene strekking heeft en ligt niet gelegen in de dingen die geboden worden.

[6] De bisschoppen zegen dat ze de macht hebben om nieuwe wetten in te stellen die het christenvolk noodzakelijk moet onderhouden. Calvijn erkend deze bisschoppen niet als bisschop, maar zal toch een uitwerking van de echte macht en gezag van de bisschoppen uitwerken.

[7] De Wet is volmaakt en mensen kunnen hier niets aan toevoegen. Wie oordeel heeft over de Wet plaatst zich als rechter verboden. Oordeel over leven en dood komt toe aan Hem die zeggenschap heeft over de ziel, dat komt geen mens toe. God is de enige Rechter van de zielen. Gezag over mensen voeren of liever tegen mensen voeren is afgoderij omdat het op mensen overdraagt wat alleen op God van toepassing is.

[8] God is de enige Wetgever, dus mogen mensen dat niet op zichzelf toepassen. God wil dus Zijn wil als volmaakt norm voor heiligheid en gerechtigheid laten zijn, waarin de kennis van de goede manier van leven ligt. En dat we ons door Zijn wil laten leiden. Dit zie je in de Bijbel terug waar Paulus schrijft tegen mensen die de gemeenten onder nieuwe lasten willen stoppen, in Kol. 2 en Gal. 5.

Morgen lezen we boek IV.10.9 - IV.10.15

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 1 oktober 2015

01-10; Boek IV.9.4 - IV.9.11

[4] Sommige mensen zeggen dat dit alleen voor de Joden gold. Maar Petrus zegt zelf dat er net als er onder de Joden valse profeten waren, in de NT valse leraren en ketters zullen zijn(2 Pet. 2:1). Paulus zegt dat de antichrist in de tempel van God troont. En niet alleen in de bijbel maar ook in de kerkgeschiedenis is te zen dat de waarheid niet altijd door de herders wordt bewaard en verkondigd.

[5] Calvijn wil niet het gezag van alle herders over de hele wereld in een klap ondermijnen, maar wel laten zien dat het niet klopt als de paus en zijn bisschoppen de waarheid verdraaien en ondertussen zeggen dat ze niet van het licht van de waarheid verstoken zullen zijn. God kan herders straffen met verblinding. De overtuiging van de paus staat al te lezen in JEr. 18:18

[6] Dit geldt ook voor concilies. Calvijn ziet dit terug in de profeten uitspreken dat de priesters de Wet zal ontvallen en niks zullen inzien. Dit gold voor priesters die in vergadering bijeenkwamen, in een vergadering van 400 spraken ze door een leugengeest(1 Kon. 22:6)

[7] Ook het proces tegen Jezus laat zien dat de waarheid niet in een concilie van een Kerk ligt opgesloten. We mogen niet toegeven dat de de Kerk bestaat in de vergadering van haar herders, want God heeft verklaard dat er ook slechte herders zullen zijn.

[8] Calvijn wil zeker niet alle concilies ongeldig maken of iedereen voor zichzelf laten bepalen of die een concilie wel of niet aanneemt. Calvijn wil dat eerst bij een concilie het wie,wat,waarom,wanneer vragenrondje wordt onderzocht en daarna zou het aan de hand van de Schrift onderzocht moeten worden. We moeten dit leren van Augustinus die een strijd over concilies terug naar de Schrift stuurde die hij en zijn tegenstander allebei als gezag aanvaardden. Calvijn onderstreept een paar concilies, de bekendste en belangrijkste als ze over leeruitspraken over het geloof gaan. Er is in latere concilies al een verval te zien. Er waren wel goede bisschoppen, maar doordat de stemmen wel geteld maar niet gewogen werden heeft het grootste deel vaak het beste deel overwonnen.

[9] Als er twee concilies tegenstrijdig zijn kan je alleen aan de hand van de Bijbel bepalen welke ongeldig is. Zo bijvoorbeeld met het concilie van Constantinopelwaarop besloten werd om beelden uit de kerk te halen en op het tweede concilie van Nicea om ze weer terug te plaatsen. De tweede houdt zich niet aan de Schrift, wat Calvijn laat zien. Dus verwerpt hij het laatste en aanvaard hij het eerste concilie.

[10] Maar ook hebben de mensen van het concilie zich soms overgegeven aan bijzaken. Op Nicea bijvoorbeeld waren de tegenstanders van Arius ook elkaars tegenstanders en werkten elkaar tegen terwijl ze zich vanuit het Woord op Arius moesten richten.

[11] Ook Leo erkend het gezag van Chalcedon maar noemt wel dat hierbij gedwaald kan zijn, net als het verwijt van eerzucht en roekeloosheid. Dit is niet om het gezag van concilies te ondergraven, maar wel om tegen te spreken dat concilies onfeilbaar zijn.

Morgen lezen we boek IV.9.12 - IV.10.2

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 17 september 2015

17-09; Boek IV.6.4 - IV.6.9

[4] Om het weer eens te benadrukken, de sleutelmacht is de prediking van het Evangelie die sommige door bekering het koninkrijk der hemelen binnenbrengt. Lastig is het ook dat de paus volhoudt dat dit alleen tegen Petrus gezegd wordt. Zo gaat de leer verder mank. Even later in het Bijbelboek worden alle apostelen bevolen het Evangelie te prediken. Johannes Eck zegt dan dat het voorrecht van Petrus zit dat hij iets krijgt wat de apostelen allemaal gemeenschappelijk heeft gekregen. Maar Augustinus en Cyprianus benadrukken dat de sleutelmacht de eenheid van de Kerk uitdrukt.

[5] Maar het primaatschap van de paus als opvolger zit erin dat Christus op de rots/petrus de gemeente zal bouwen(Matth. 16:18). Maar Christus zegt hier tegen Petrus niets anders dan wat Petrus en Paulus over alle gelovigen zeggen. Christus is de hoeksteen en daarop worden we als gelovigen als stenen gebouwd  als een tempel. Petrus mag dan eervol als eerste genoemd worden, maar er volgt niet uit dat hij macht over andere christenen krijgt. We zien in de Bijbel dat Petrus een zekere eer had en vaker het woord had, maar geen macht.

[6] De weerlegging over het woordspel tussen petra(rots) en Petrus hoeft niet weerlegd of besproken te worden, zelfs als kerkvaders(Leo I) daarmee aankomen. Het gaat duidelijk tegen de Schrift in. Petrus belijdt namens allen dat Christus de Zoon van God is. Die belijdenis is dan ook de rots waarop gebouwd wordt. Het gaat niet zozeer om het gezag van de kerkvaders voor Calvijn, dat behandelen zou de kwestie alleen maar onnodig vermoeiend maken.

[7] Op basis van andere Bijbelse gegevens is te zien dat Petrus weliswaar soms de voorzitter van de groep lijkt, maar dat hij andere apostelen hun mening laat uitspreken, de beslissing aan hen laat en zich daarnaar voegt. In zijn brief presenteert Petrus zich als gelijke. Hij verdedigt zijn handelen, volgt andermans bevelen op. Ook de eerste twee hoofdstukken van Galaten laten zien dat Paulus in alles gelijk is aan Petrus.

[8] Maar zelfs al zou Calvijn meegaan met de verdedigers, dan is er geen reden om van een bijzondere gebeurtenis een algemene en eeuwige regel te maken omdat de zaken wat het betreft verschillend zijn, 1 leider van 12 is iets anders dan 1 de leider van duizenden. Het is logisch dat er in een groep mensen een soort leider een voorzitter optreedt. Maar hieruit volgt niet dat iemand de macht over de hele wereld moet krijgen. Niemand kan die als enkeling regeren. Het voorbeeld van de bijen die een leider hebben accepteert Calvijn maar vindt hij niet van toepassing omdat er een koning(in)bij per korf is en deze wordt niet gekozen in een verzameling van alle bijen. Ook kunnen geen voorbeelden uit de Griekse wijsheid gehaald worden, die beweren alleen dat een rijk geen twee koningen verdraagt.

[9] Maar dan nog volgt daar niet uit dat als de hele wereld door een man geregeerd zou kunnen worden, dit ook moet gelden voor de kerk. Christus is het Hoofd en in Hem zijn we verzameld volgens de door Hem ingestelde orde. Alleen Christus mag de titel Hoofd hebben(Ef. 4:15). En een verzonnen ministerieel hoofd is niet geboden door Christus Zelf. NErgens is te lezen dat Christus een plaatsvervanger heeft aangesteld.

Morgen lezen we boek IV. 6.10 - IV.6.16

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 16 september 2015

16-09; IV.5.16 - IV.6.3

[16] De verdeling van het geld zoals die vroeger was ingezet en was weergegeven door Calvijn in IV.4.7, is zo goed als afgeschaft. Priesters en bisschoppen verrijkten zichzelf met kerkelijk geld ten koste van de armen. Calvijn vindt dit zeer oneerbiedig en gewoonweg kerkroof.

[17] Er zijn mensen die deze praktijken verdedigen door te wijzen op de waardigheid en de eer van de kerk. Per slot van rekening zijn er teksten die de luister van het koninkrijk beschrijven met termen als goud en zilver. Calvijn vindt het niet de moeite waard om ze te weerleggen, maar vraagt zich wel af wat de lieden zelf zouden vinden als een Jood deze teksten op zichzelf toepast en de geestelijke zaken niet-geestelijk opvat. Er zijn wel momenten geweest in de kerkgeschiedenis dat keizers hun keizerlijke kleren aflegden en met het volk boetedoening deden voor het aangezicht van God. Maar toen baadden de priesters niet in overdaad van geld en goud. Ambrosius heeft op het Concilie van Aquileia benadrukt dat priesters moeten roemen in hun armoede.

[18] Calvijn vat het samen. Er is een Bijbelse norm voor wat mag worden uitgegeven ter versiering van de kerkgebouwen in de aard van de versierde dingen zelf. Nu wordt het geld besteed aan zaken waar Christus gen opdracht heeft gegeven, en dat terwijl het armen van de honger omkomen. Sterker nog, waar het geld dan wel aan wordt uitbesteed is beargumenteerd met bijgeloof van de priesters en bisschoppen.

[19] Ook is het dwaasheid om de kerkregering te betrekken op het huis- en landerijenbezitten van de geestelijken. Het staat in tegenspraak met de soberheid en matigheid die ons wel in de Bijbel wordt voorgehouden voor ambtsdragers. Waarschijnlijk vinden de ambtsdragers van nu het veel te streng van Hieronymus als deze schrijft dat armen en vreemdelingen en met heb Christus als gasten aan hun tafel moeten zijn. De titel van diakenschap is toen in ieder geval verloren gegaan.

[1] Calvijn heeft het verval van de inzettingen van de vroege Kerk laten zien. Nu gaat hij het hebben over de paus, de waarborg dat de Roomse kerk de echte katholieke Kerk is. Het primaat van de stoel van Rome is niet een inzetting van vroeger of van de Bijbel. Iedereen probeert de protestanten te overtuigen dat de enige band van kerkelijke eenheid in de gehoorzaamheid aan de stoel van Rome ligt.Er wordt gedacht vanuit het axioma dat de paus van Rome, als plaatsvervanger van Christus die het Hoofd van de Kerk is, in Zijn plaats de leiding over de hgehele Kerk heeft en dat er slechts dan een goede kerkinrichting is indien deze stoel het primaat boven alle bisschopszetels houdt.

[2] De vraag is dus of er een primaat van een bisschopzetel nodig is, zodat deze het hoofd van het lichaam wordt? Het hogepriesterschap wordt aangevoerd als argument, ten onrechte. Voor het land Israël was één man genoeg om de eenheid te bewaren, maar om alle macht over Oost en West in de handen van een man te leggen is te gek. Maar de hogepriester was ten diepste ook een type van Christus, en dus moet het priesterschap en het recht overgedragen worden, maar niet aan de paus, maar aan Christus.

[3] Het tijdelijke priesterschap was dus geen eeuwige wet. In het NT is er dan ook geen bevestiging behalve Matth. 16:18, waarbij nog moet worden aangetoond dat het gaat over gezag voeren over de hele wereld is. Ook moet worden aangetoond dat er meer aan PEtrus is gegeven dan aan de andere discipelen. Die tekst leert uiteindelijk dat alle apostelen de opdracht als dienaren van het Evangelie mensen te verzoenen met God en de macht hebben om straffend op te treden als ze niet luisteren.

Morgen lezen we boek IV.6.4 - IV.6.9

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 15 juli 2015

15-07; Boek III.18.6 - III.18.10

En weer verder. [6] Het vergaderen van schatten in de hemel. De goede werken worden vergeleken met rijkdommen die we kunnen genieten in het geluk van het eeuwige leven. Dit is te vergelijken met mensen die gaan emigreren, die sturen hun spullen ook vast naar het buitenland naar hun nieuwe adres alvorens ze zelf gaan reizen. En dit doen mensen door middel van geven aan de armen.

[7] Er zijn ook een paar teksten waarin het lijden omwille God op een verdienste lijkt te komen(2 Thess. 1:5; Hebr. 6:10). De eerste tekst gaat over de gelijkvoormigheid aan Christus door verheerlijkt te zijn ná het lijden. De littekenen van de Here zijn kentekenen van Gods kinderen. De tekst uit Hebreeën gaat meer over de waarheid van Gods belofte dan om de billijkheid van de betaling van schuld.

[8] Er is ook een groepje teksten met de liefde als thema, 1 Kor. 13:2; 1 Kor. 13:13; Kol. 3:14;. Tegenstanders zeggen daarom dat de mens door liefde gerechtvaardigd word. Maar de eerste tekst gaat niet over het ware geloof en de tweede tekst gaat over de vruchtbaarheid van de deugden, niet over de verdienstelijkheid. De tegenstanders willen van de liefde een verdienste maken en zo langs Christus die de spil van de gerechtigheid is. Calvijns interpretatie van het stukje heeft te maken met dat er een paar keer het woord geloof staat in bredere en smallere betekenis. De derde tekst zou volgens de tegenstanders af te leiden zijn dat als de band van de liefde volmaakt is, deze het ook is van de gerechtigheid, want dat is niet anders dan de gerechtigheid. Maar daar gaat volgens Calvijn de tekst niet over, en dan nog, wie heeft dan die liefde volkomen verwerkelijkt?

[9] Calvijn besluit met een algemene opmerking van een tekst die door alle tegenstanders van de universiteit van Sorbonne wordt geliefd. De rijke jongeling van Matt. 19. Een sluitend argument omdat Jezus zegt dat de geboden het eeuwige leven verdienen. MAar uit de context blijkt dat Jezus Zich aanpast aan de vragensteller.  Terecht wordt deze op de Wet als spiegel van de gerechtigheid gewezen. Maar pas bij het verschil tussen de volmaakte gerechtigheid en het eigen leven is de noodzaak van Christus zichtbaar. De man leert nu iets over zichzelf.

[10] Er zijn nog wat slimmigheden waar Calvijn niet op in wil gaan, te vermoeiend voor de beste man. Toch is er een schijnbaar redelijk argument waar hij niet aan voorbij wil gaan. Er zijn mensen die één maatstaf voor zonde en goede werken lijken te hanteren. Iedere zonde op zich is een ongerechtigheid, maar ieder goed werk is een gerechtigheid op zich. Ze gaan hier voorbij aan het feit dat de volmaaktheid zit in de voortdurende onderhouding van de Wet, niet een enkel werk. En dat aan één gebodsovertreding de hele Wet overtreden wordt.


Morgen lezen we boek III.19.1 - II.19.7

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 13 juli 2015

13-07; Boek III.17.11 - III.17.15

De 28ste week van Lectio Calvini.

 [11] De tegenstanders van Calvijn zeggen dat hij zijn handen vol moet hebben met het Bijbelboek Jakobus. Het gaatg om de tegenspraak tussen rechtvaardiging, niet alleen door geloof(Jak. 2:21ec) en rechtvaardiging door geloof alleen(Rom. 4:3). Hoe zijn deze teksten overeen te stemmen. Jakobus schrijft tegen mensen die zonder de kenmerkende werken voor gelovige, zichzelf toch nog lieten voorstaan op hun geloof. Uit de tekst blijkt dat Jakobus het onterechte zelfvertrouwen van die mensen ook 'geloof' noemt, iets wat er op lijkt maar het niet is. Het is het geloof dat God bestaat, niet meer dan dat. Het geloof rechtvaardigt niet omdat het kennis over het bestaan van God brengt, maar omdat het doet rusten in de zekerheid van Gods ontferming.

[12] Bij Jakobus blijkt uit het schrijven dat rechtvaardigen een andere betekenis heeft dan bij Paulus. Bij Jakobus is Abraham pas gerechtvaardigd door het offeren van Izaäk. Maar Genesis vertelt dat Abraham al lang daarvoor gerechtvaardigd is, er moet dus een andere betekenis aan het woord zitten dan bij Paulus Jakobus bedoelt hier. Jakobus gebruikt rechtvaardigheid hier dan ook om rechtvaardigheid te bewijzen door middel van gehoorzaamheid en goede werken.

[13] Ook halen de tegenstanders Rom. 2:13 aan. Hier gaat het om de Joden wakker te schudden die een grote kennis had van de Wet, maar de Wet niet deden. Het doel van het stukje is om te laten zien dat iedereen tekort geschoten is in het doen van de Wet, Joden en heidenen samen. Het is niet de bedoeling om te laten zien dat mensen door de Wet gerechtvaardigd worden.

[14] Ook worden er door sommige teksten aangehaald, voornamelijk uit de Psalmen, waarin mensen hun gerechtigheid bij God in herinnering roepen(bijv. Ps. 7:9). De teksten zijn vaak beter te verklaren als je let in welke context of samenhang ze staan, het gaat ook om de teksten eromheen. Dan blijkt dat in de eerste plaats het om een bijzondere omstandigheid wanneer zoiets wordt gezegd, en niet aan de maatstaf van Gods volmaaktheid, maar in vergelijking met de verdorvenheden van andere mensen. Als het gaat om rechtvaardigheid, wordt dit altijd gezegd over iemands hele leven. De mensen houden het vertrouwen op God en roepen Hem aan omdat ze als onschuldigen worden verdrukt. Ze roepen God op als Rechter tussen hen en hun tegenstanders.

[15] Er zijn meer teksten die ongeveer hetzelfde bedoelen als bovenstaand. Maar er is niemand zo volmaakt, dus moet iedereen wel omkomen of vertrouwen op Gods barmhartigheid.  Hun werken zijn in het genadeverbond opgenomen. Niet op de manier van de Scholastiek, dat de werken nu wel de zaligheid verdienen.
Er zijn gebeden van de apostel waarin volmaaktheid van de gelovigen werd gewenst. Dit is in het verleden door aanhangers van ene Coelestius aangehaald om te betogen dat volmaaktheid in dit leven kan worden behaald. Met Augustinus vindt Calvijn dat dat pas zal lukken in de hemel na de aardse dood. Desondanks zijn gelovigen volmaakt te noemen, ook omdat ze ootmoedig zijn en weten van hun onvolmaaktheid.

Morgen lezen we boek III.18.1 - III.18.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 9 juli 2015

09-07; Boek III.17.1 - III.17.5

Calvijn gaat vrolijk verder met het behandelen van de tegenargumenten uit de scholastiek.

[1] Interessante tegenwerping is dat de beloften van de Wet niet krachteloos zijn. Er zijn veel teksten in de Bijbel die dit lijken te zeggen. Maar Calvijn heeft al duidelijk gemaakt dat dit alleen geldt voor degene die de Wet volmaakt onderhoudt. Voor ieder is er dus de vloek van de Wet waar de mens van bevrijd moet worden. En dat geschiedt uit genade.

[2] Niemand zou aan de voorwaarde van de Wet kunnen voldoen, dus op die wijze is de belofte van de Wet krachteloos. Daarom is Christus gegeven, niet als aanvulling op onze werken, maar om door geloof te rechtvaardigen. Het is niet de belofte van de Wet, maar onze mogelijkheden om de Wet te vervullen waar het probleem ligt.

[3] Op zichzelf genomen zou de Wet net zo goed niet gegeven kunnen zijn. Maar de beloften in het licht van het Evangelie maakt dat we goede werken kunnen doen. Daartoe de Wet dus. Zo vallen de intrinsieke waarde van werken op hun plaats als echt intrinsiek, en niet binnen een verbond toegekend.

[4] Sommigen concluderen op basis van Hand. 10:34e.v. dat een mens dus weer Gods gunst verwerft. Maar ze letten er niet op dat de mens niks heeft en alleen maar kwaad wil, dus dat er geen aanleiding is voor een goddelijke roeping. Ook werd Cornelius in hetzelfde hoofdstuk niet voorbereid op het krijgen van Gods genade door zijn gebeden en aalmoezen. Het is meer andersom. De aanneming van God is pure goedheid en de mensen zijn het eigenlijk onwaardig.

[5] God rust de mens toe om goede werken te doen en deze goede werken zijn God aangenaam. In die zin bemint God de trekken van Zijn eigen gelaat in de mensen.

Morgen lezen we boek III.17.6 - III.17.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 8 juli 2015

08-07; Boek III.16.1 - III.16.4

[1] Calvijn weerlegt enkele lastsprekers die op de leer gereageerd hebben. Er zijn mensen die zeggen dat Calvijn de goede werken afschaft en mensen niet meer hiertoe aanspoort door de nadruk te leggen op rechtvaardiging door geloof. Ze zijn treurig als er meer geloof is en minder werken. Maar Calvijn stelt dat werken juist het geloof versterken, slechts de rechtvaardiging is uit geloof en niet uit werken. We kunnen de rechtaardiging van Christus ons niet toeeigenen zonder de heiligmaking toe te eigenen(vgl. 1 Kor. 1:30).

[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.

[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse  gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.

[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?

Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.

Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 7 juli 2015

07-07; Boek III.15.4 - III.15.8

Weer de weerlegging van de tegenarumenten. [4] ER zijn mensen die wel het woord verdienste in de Schrift hebben gevonden(Wijsheid van JEzus Sirach 16:16; Heb 13:16). Desondanks Calvijn Ecclesiaticus ontkent weerlegd hij beide teksten op basis van de Griekse grondtekst. De tegenstanders citeren uit een Latijnse vertaling die dus niet zo goed is. Calvijn deelt de mening niet dat de goede werken(aangenomen uit lankmoedigheid bij God, want al ons werk is vuil) genadebewijzen verdienen en het geloof daarentegen alleen het eeuwige leven krijgt als loon. Gods genade geeft alles.

[5] Wie bouwt op het fundament dat dor de apostelen is overgeleverd, bouwt op Christus Zelf, want Hij is ons gegeven tot gerechtigheid. Niet een fundament waar je vervolgens zelf je gerechtigheid op moet bouwen. In onszelf hebben we niets, in Christus hebben we alles, wil Calvijn maar zeggen.

[6] De leer is lang verborgen geweest. Mensen zijn vergeten dat je zonder Christus dood bent. Je kan niet de eerste genade van Christus alsof het een cheque is verzilveren met eigen werken. Veel Bijbelteksten maken duidelijk dat het niet is dat Christus de mogelijkheid heeft gegeven om gerechtigheid of zaligheid te verwerven, maar dat het geschonken wordt.

[7] In de scholen van Sorbonne(de universiteit van Parijs) werd de dwaling van het gevormd geloof verkondigt. Het geloof dat door de liefde in staat is met werken rechtvaardiging te verwerven(zie ook II.2.7 - II.2.10 ). Een grote scholasticus hierachter, Petrus Lombardus, had beter naar Augustinus moeten luisteren, die waakt ervoor om eigen roem op te lasten strijken voor Gods gaven.

[8] Het is nodig om op het fundament van Christus te blijven en andere mensen hierop te wijzen. Christenen worden opgeroepen om net als de apostelen hun kruis op te nemen en zichzelf te verloochenen om Christus achterna te gaan.

Morgen lezen we boek III.16.1 - III.16.4

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com