Posts tonen met het label vrije wil. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vrije wil. Alle posts tonen

maandag 23 maart 2015

23-03; Boek II.5.18 - II.6.2

Calvijn was bezig wat bewijsplaatsen van tegenstanders te behandelen.

Ecclesiasticus(Jezus Sirach, deuterocanniek) 15:14-17
Calvijn noemt eerst de auteurschap twijfelachtig. Ik zou hier persoonlijk zelf wat meer van willen weten. Er zijn ook protestantse stemmen die het belang van de deuterocanonieke boeken voor het verstaan van het NT benadrukken. Niet dat ze daarmee canoniek zijn. Maar Calvijn gaat voor de aardigheid mee met zijn tegenstanders. Er staat dat de mens vanaf zijn schepping de keus had tussen goed en kwaad. Dat mag dan wel zo zijn, maar dan wil Calvijn graag daarbij zeggen dat dit allemaal verloren is gegaan door de zondeval. Dan erkennen Calvijn en zijn tegenstanders samen dat de mens geen advocaat maar een arts nodig heeft.

Lucas 10:30
Dit is het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Mensen hebben hier in gezien dat de reiziger halfdood werd achtergelaten. Dus er is nog iets achtergelaten. Calvijn stelt hier duidelijk onderwijs over dat de mens dood is voordat hij wordt geroepen door God. Je kan alleen de vergelijking op de mens betrekken door middel van een allegorie, maar een allegorie heeft de rest van de Bijbel als norm.

Het blijft gewoon staan, het verstand van de mens is door de zonde zo verduisterd dat er niks goeds uit kan komen en dat het hart doordrenkt is met het gif van de zonde dat het alleen nog maar een walgelijke stank kan verspreiden.

Nieuw hoofdstuk waarin Christus aan bod komt.
De mens is door de zondeval van het leven in de dood gevallen en kan buiten Christus om geen kennis verkrijgen die leidt tot heil. Nu komen we overal de vloek van God tegen. We kunnen God niet zien als onze Vader door de wereld. We beroven God hierdoor van Zijn eer. Zijdelings wil ik opmerken dat naar mijn idee er vaak over het hoofd wordt gezien dat God eren een belangrijk aspect van geloof is, geloof heeft een sterk liturgisch aspect. Calvijn denkt sterker liturgisch en minder sterk juridisch, in tegenstelling tot wat veel mensen van hem denken. De enige weg om in de hemel te komen is door Christus, dit geldt voor alle mensen in alle tijden. Alle andere volekn waren niet in staat om zonder onderscheid en bedrog God te aanbidden, daarom heeft nooit een godsdienst God behaagd omdat deze niet naar Christus wees.

Dit gold ook in het OT. Het volk heeft nooit op genade gehoopt buiten de Middelaar om. Dit blijkt door de lijn van het nageslacht van Abraham. Het nageslacht van Abraham komt telkens terug in de gebeden en psalmen van David. Ook zijn deze terug te vinden bij Jeremia. De Middelaar was nog niet geboren. Dat wisten alle oude vaderen van het OT.

Morgen lezen we Boek II.6.3 - II.7.1


vrijdag 20 maart 2015

20-03; Boek II.5.13 - II.5.17

Sommige mensen willen nog wat over de vrije wil zeggen aan de hand van teksten waarin God mensen op de proef stelt. Hij trekt zich terug en wacht totdat de mens wat gaat doen. Zoals in Hosea 5:15. Maar Calvijn vindt dit een andere kwestie, het gaat in dit soort teksten niet om een klein beetje hulp van God om de menselijke wil te helpen.

Een van de bezwaren die spelen in de discussie over de vrije wil is at als God alles bewerkt, er geen daden van de mens meer kunnen zijn. Het is de verhouding tussen Gods daden en onze daden. Onze goede daden zouden dan niet ons zijn. Calvijn stelt hier het "ons brood" uit het Onze Vader tegenover. Het gaat erom dat de mens wordt gebruikt als instrument, niet als een steen die alleen beweegt door een kracht buiten hem. Om met Augustinus te zeggen: "U werkt zelf en u wordt bewerkt."

Als de Geest in de mens werkt is het door het vernieuwen van de wil. De Geest vernietigd de wil niet, maar herstelt deze. Dit gebeurt buiten onze wil om. Iets claimen voor de mens is dus wijn mengen met vies en bitter water.

Nu wat teksten; Genesis 4:7
Hierin wordt Kaïn niet gebonden tot het begeren en overheersen van de zonde, maar Abel. Maar als het wel over Abel ging, dan zou het nog steeds niks bewijzen, het zou dan een bevel of een gebod zijn. Een gebod hoeft niet afgemeten te worden naar het vermogen. Een belofte kunnen we er niet van maken omdat Kaïn gestorven was voor de vervulling.

Romeinen 9:17
Hierin kan je een klein vermogen lezen, net als Origenes en Hieronymus. Maar Paulus bedoelt hier dat zaligheid en verdoemenis samenhangen met uitverkoren zijn en verworpen zijn. Het ligt niet aan de wil of inspanning van een mens maar de ontferming van God.

1 Kor. 3:9
Ook de inspiratie voor een boek over Praktische Theologie van emeritus-professor De Ruijter. Eigenlijk wil de term zeggen dat God gebruikt maakt van werken nadat Hij mensen bekwaam heeft gemakt en van nodige gaven voorzien heeft.

Maandag lezen we Boek II.5.18 - II.6.2

donderdag 19 maart 2015

19-03; Boek II.5.9 - II.5.12

De tegenstanders zijn niet gevoelig voor de Bijbelteksten die Calvijn aandroeg in de vorige paragraaf. Ze denken dat de bekering een werk is dat tussen mens en God wordt verdeeld. Dat kan niet, ze zullen toch moeten erkennen dat de Wet met belofte wordt gegeven? Ook zijn teksten uit Jeremia belangrijk.

Mensen willen er ook niet aan omdat ze denken dat God geen dingen belooft die de mens niet kan willen. Een belofte is overeenkomstig onze wil. Anders zou God ons pesten met iets wat we niet kunnen bereiken. Calvijn komt hier later nog op terug, maar aangezien de beloften de gelovige en ongelovige wordt voorgehouden moeten ze voor beiden nut hebben. De eerste laat Hij door de belofte een afkeer van zichzelf te krijgen en Zijn hulp roepen, de tweede laat Hij zien dat zij de belofte niet waard zijn.

Een derde groep mensen beroept zich op teksten waarin God het volk verwijten maakt dat het door eigen schuld was dat het geen goede dingen uit Zijn hand ontving. Dit zou uitsluiten dat het volk kan zeggen dat ze zondigde omdat ze de vrijheid niet hadden, ze konden niet anders dan zondigen. Calvijn vraat zich af of mensen die dat zeggen compleet vrij te pleiten zijn van schuld. De bron voor het kwaad dat ze hebben gedaan is immers in hunzelf te vinden. Als God zoiets verwijt is het juist reden om een schuldbelijdenis te doen. Zoals Daniël 9. Dat Gods verwijt niet werd erkend in gedeeltes in de Bijbel wil niet zegen at het niet waar of terecht is. De bijbel spoort ons aan om niet passief te blijven staan, maar ook werk te maken en ook de deugd te betrachten.

Een special tegenargument is Deut. 30:11. Maar, zegt Calvijn, deze slaan niet op de geboden op zichzelf. als we Paulus volgen slaat dit gebod op het Evangelie, iets wat Mozes een paar verzen eerder ook al duidelijk maakt. Het gebod is niet bedoeld om ons vol zelfvertrouwen de geboden aan te grijpen om onszelf tot gerechtigheid te brengen, maar juist om het tegengestelde te bewerken.

Morgen lezen we Boek II.5.13 - II.5.17

dinsdag 17 maart 2015

17-03; Boek II.4.7 - II.5.3

Terugkomend op wat Calvijn gister als laatste schreef is de samenvatting dat heel ons leven niet buiten de almacht van God ligt. De vrijheid van keuze van de mens is niet zo groot dat God ook in uitwendige zaken daar niet of niet zo veel mee te maken heeft.

Dit staat ook los van of we bereiken wat we willen of niet. De discussie over de vrijheid van de wil gaat over het vermogen, niet over gebeurtenissen buiten de mens.

Hierna behandelt Calvijn wat tegenargumenten in de discussie, we lezen vandaag de eerste drie.
Sommigen zeggen dat als de mens noodzakelijk zondigt het geen zonde is en dat als de mens de zonde wilt, deze dus kan worden vermeden. Calvijn zegt dat de zonde voortkomen uit het bederf van de natuur, dat bederf waar de mens zelf voor gekozen heeft. Plus dat de tegenstanders vrijwillig verwarren met vrij. Onvrij en vrijwillig kunnen prima samen vallen.

Sommigen zeggen dat als de mens niet beloond of gestraft kan worden als er geen vrije wil is. Straf is er sowieso, aldus Calvijn, omdat de begeerte verkeerd is. En wat betreft het belonen, het rijmt gewoon niet om voor God te spreken over beloning. Alles wat wij als beloning kunnen zien is wat God ons al uit genade geeft of heeft gegeven.

Sommige zeggen dat nu alle mensen of goed of slecht moeten zijn. Misschien waren alle mensen wel slecht, zegt Calvijn hierover, als God niet had omgezien naar sommigen om deze te genezen.

Morgen lezen we Boek II.5.4 - II.5.8

maandag 16 maart 2015

16-03; Boek II.3.10 - II.4.6

Excuses, vrijdag was een combinatie van soos op donderdagavond en een weekend weg met mijn dispuut. Daardoor kwam ik vrijdag niet toe aan het typen van eht stukje voor afgelopen vrijdag.

Zo. Calvijn is dus ervan overtuigt dat God het willen in de mens bewerkt. Het is niet dat God een mens iets voorhoudt zodat de keuze van de mens blijft, het is God dit de keuze in de mens werkt. Ieder die Hem zoekt, heeft het zoeken al van Godswege ontvangen. Augustinus wordt erbij gehaald als bewijs.

Volharden in geloof is ook een genadegave van God. Sommige mensen zeiden namelijk dat volharding een beloning is voor het goed gebruiken van de eerste genade, die van het tot geloof komen. Een mens kan niet meewerken met de genade van God, ook niet op basis van 1 Kor. 15:10.


Calvijn sluit zich aan bij Augustinus die beweert dat God niet genade aanbiedt aan de mens en de mens dan de keuze heeft om de genade aan te nemen of af te wijzen. God werkt ook het willen in de mens. Dit betekent niet dat de wil wordt opgeheven, maar van een slechte in een goed wil wordt veranderd en zo voortdurend door de genade wordt geholpen.


In hoofdstuk vier komt de duivel om de hoek kijken, hoe is de invloed van de duivel op de mens? De duivel is een woeste berijder op het paard dat de wil is. Als de Geest niet is gegeven, valt de mens onder het bewind van de duivel, maar de oorzaak hiervan ligt uiteraard niet buiten de wil van de mens zelf. Zo kunnen we in Job dus ook God, de satan en de mens in een gebeurtenis zien werken. De duivel werkt zijn verdorvenheid uit in de Chaldeeuwen die Job overvallen, maar de satan is dan weer niks anders dan een werktuig van God om Job te oefenen in geduld.

Als we het dan hebben over verharding en verblinding, wat we dus volgens Calvijn wèl moeten doen, gebeurt dit doordat God Zich terugtrekt en alles koud, kil en donker wordt, of doordat God door middel van de satan de verharde persoon voorbereid op zijn ondergang als rechtvaardig oordeel van God. Calvijn bewijst dit ook met voorbeelden uit de Schrift.

Ook de wat trivialere keuzes van de mens vallen onder Gods bijzondere genade. Daar getuigt de Bijbel vaak genoeg van.

Morgen lezen we Boek II. 4.6 - II.5.3

donderdag 12 maart 2015

12-03; Boek II.3.5 - II.3.9

De wil is slaaf van de zonde, dat wil zeggen dat de wil noodzakelijk zondigt, maar hier niet toe gedwongen wordt. Hij heeft zelf gekozen voor de slavernij en deze slavernij is niet tegen zijn zin. Net zoals God niet tegen Zijn wil goed doet, maar omdat Hij goed is. Augustinus en Bernardus van Clairvaux leerden dit al, maar Petrus Lombardes' misinterpretatie zorgde ervoor dat mensen noodzakelijkheid ging zien als dwang, wat in de latere tijden bij theologen ontspoorde.

Het grootste bewijs voor de onmacht van de wil tot het goede blijkt wel uit wat de bekering is. Dat is een goed werk van God dat Hij in ons hart begint. Het begint met liefde tot gerechtigheid en wordt voltooid in volharding geven. Dit is een nieuw hart van vlees geven in het binnenste. Nergens blijkt dat de mens een zwakke wil heeft die wordt ondersteund door God. En als de mens het goede wil na de bekering is dit niet zijn eigen wil, maar het doorgaande werken van God in hem.

Twee redeneringen brengt Calvijn ter bewijs aan. Alleen de uitverkorenen hebben een goede wil, maar de oorzaak van de uitverkiezing ligt buiten de mens. Waarschijnlijk komt dit ook wel terug als we het daadwerkelijk over de uitverkiezing gaan hebben. Ten tweede het goede wil en hand liggen in het geloof, maar geloof is weer een genadegave van God.
De gebeden die we in de Bijbel zien, demonstreren dit ook. 1 Kon. 8:58, Ps. 119:36, Ps. 51:12.
Ook na de bekering houdt God niet op om de wil naar het goede te trekken, er zijn genoeg dingen die de wil van de gelovigen aftrekken van het goede.

Morgen lezen we Boek II.3.10 - II.3.14

dinsdag 10 maart 2015

10-03; Boek II.2.24 - II.2.27

De mensen kunnen van nature niks bedenken wat op de eerste tafel van de Wet staat, misschien wel van de tweede tafel, maar dan alleen in zoverre dat het maatschappelijke verhoudingen betreft. Maar wat belangrijker is, is dat de aandacht eens moet worden gevestigd op de zondige begeertes die leven in de mens. Al zijn deze alleen bij zichzelf te merken, het zijn ook zondes, in tegenstelling tot wat filosofen hebben beweerd.

De mens kan van nature niks bedenken wat goed is. Dit doet pijn voor de meeste mens want zijn redelijk verstand is zijn trots. Maar Paulus zegt dat de mens tot niks bekwaam is uit zichzelf. Daarom moet ons denken vernieuwd worden en van dag tot dag verlicht worden door de Heilige Geest.

We moeten een onderscheid maken tussen zoeken wat fijn en goed is zoals de dieren dat doen, en wat werkelijk goed is in eeuwige zin. De eerste komt vanuit de natuur van de mensen voort, ieder ding streeft naar zijn eigen ontplooiing en verwerkelijking van zijn potenties. Maar dit is geen neiging van de wil, die zit namelijk meer in het verstand en kan verschillende opties beoordelen en kiezen uit wat hij onderscheidt.

Het is ook niet zo dat mensen in navolging van Origenes mogen denken dat de mens een klein beetje vrije wil heeft die geholpen moet worden. Dit berust op een verkeerde uitleg van Rom. 7:15, 19. Dit gedeelte gaat namelijk over de christen, niet over de natuurlijke mens. Zo zeggen Paulus en Mozes dat alles wat een mens bedenkt en wilt gewoonweg verkeerd is. Er zijn geen goede bewegingen van de wil buiten de Geest om.

In de kerkgeschiedenis komen wel vaker discussies voort waaruit de uitleg van het zevende hoofdstuk van de Romeinenbrief een belangrijke rol speelt. Of dit hoofdstuk slaat op een wedergeboren of onwedergeboren persoon bepaalt voor een groot gedeelte je theologisch denken over de mens. Het is dan ook niet voor niets dat de reformatoren zoals Calvijn en Luther en ook Augustinus(alhoewel die geen reformator, maar kerkvader was) zich goed hebben ingelezen in de Romeinenbrief. Ook Barth begon zijn carrière met de Römerbrief.