[25] De tegenstanders van Calvijn zeggen dat ze het woord hebben, Calvijn vindt dat ze het Woord hebben, maar wel in zoverre hun vooronderstellingen het toelaten. De tegenstanders bedenken eerst het wonderlijkste en als er uit die leer verschrikkelijke ongerijmdheden tevoorschijn komen verschuilen ze zich achter Gods almacht. En dan verwijten ze Calvijn dat hij Gods eer onrecht doet door hem in te perken. Calvijn wil juist de Bijbel laten spreken, hier naar luisteren zonder er een verzinsel of filosofie erin te leggen en daar hardnekkig aan vast te houden.
[26] Niet Aristoteles, maar de Heilige Geest leert dat Jezus lichamelijk in de hemel is en blijft(en dus niet in stukjes brood op aarde is). De Heilige Geest is in plaats van Jezus gekomen. Dit zei Jezus ook al toen Hij zei dat Hij niet altijd bij Zijn discipelen op aarde zou zijn(Matt. 26). Het gaat hier niet om het wel of niet arm zijn van Jezus. Dit is ook wat Augustinus zegt, Jezus is in de hemel en niet naar lichamelijke aanwezigheid aanwezig bij Zijn discipelen, maar door Zijn majesteit, voorzienigheid en onuitsprekelijke genade, wat volgens Calvijn de gemeenschap aan Zijn lichaam en bloed is.
[27] De hemelvaart krijgt in de verkeerde uitleg dan niet de betekenis dat JEzus nu in de hemel is, maar dat Zijn Rijk verheven is. Christus is onzichtbaar geworden, maar heeft de aarde niet verlaten. Dit spreekt alle teksten natuurlijk tegen.
[28] Calvijn bediscussieert de Augustinus citaten die worden aangehaald in de discussie, die ga ik niet opsommen, maar ze zijn of onvolledig geciteerd of spreken samen met andere gedeeltes waaruit blijkt dat Augustinus het lichaam van Jezus in de hemel situeert en niet in de sacramenten.
Morgen lezen we boek IV.17.29 - IV.17.32
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Posts tonen met het label Woord. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Woord. Alle posts tonen
donderdag 19 november 2015
dinsdag 27 oktober 2015
27-08; Boek IV.14.10 - IV.14.15
[10] We moeten de kracht van de Sacramenten niet toeschrijven aan iets wat geschapen is, dan doen we de Heilige Geest geen eer aan. Het is namelijk de Geest die ons hart verlicht. Net zoals mensen elkaar proberen te overtuigen en daarvoor inzicht en welwillendheid nodig hebben van degene die ze proberen te overtuigen, werkt de Heilige Geest in ons om ons de waarde van de prediking en Sacrament in te zien en onze harde harten zacht te maken. Hierdoor versterken Woord en Sacrament ons geloof, doordat ze de welwillendheid van de Vader naar ons toe laten zien, en het kennen van die wil is de kracht van het geloof.
[11] Het uitwendig Woord bezit deze eigenschap en wordt daarom ook zaad genoemd. Het kan wel gestrooid worden op een persoon met een harde nek, dat is dus zand, maar dan komt er niks op, tenzij de Heilige Geest het Woord in de ziel laat belanden. Als Paulus zijn bediening de bediening van de Heilige Geest noemt, bedoelt hij dat prediking onlosmakelijk met het verlichtende werk van de Heilige Geest verbonden is(1 Kor. 2:4). Wel moet hij als arbeider of boer hard werken van zijn kant om de grond te bewerken. De apostelen brachten zo de Heilige Geest aan het licht door hun werk,
[12] soms is het zo dat God Zijn Sacramenten wegneemt om ongefundeerd vertrouwen op de belofte van God weg te nemen. Zoals de boom bij Adam, en Efeziërs die buiten de besnijdenis staan.(Ef. 2:11-12). Dit is niet iets overdragen op iets geschapens wat God alleen toekomt. Net als brood, warmte, vuur, en de zon middelen zijn die alleen waarde hebben als gave van God aan ons, zo zijn de Sacramenten alleen van waarde als ze Gods beloften in aanschouwelijke vorm voor ogen stellen.
[13] Calvijn spreekt hier Zwingli tegen die uit het woord 'sacramentum' de oorspronkelijke betekenis uitdiept en hier theologisch op voort denkt. Het is oorspronkelijk de eed van de soldaat aan zijn veldheer. Zo is het sacrament een onderscheidingsteken om te laten zien bij wie we horen, vindt Zwingli. Dit is niet een heel sterk woord omdat de kerkvaders niet heel veel betekenis aan het woord sacramentum ontleenden, maar wel gaven. Ook wordt het minst belangrijkste tot het belangrijkste gemaakt, namelijk de belijdenis voor mensen. Het gaat primair om dat de Sacramenten ons geloof dienen ten overstaan van God.
[14] Maar tegenover deze mensen die het Sacrament krachteloos en nutteloos maken heb je aan de andere kant mensen die geloven dat het Sacrament geheime krachten bevat. De Sacramenten maken rechtvaardig en brengen genade als daar geen doodzonde als belemmering op wordt gebracht. Dat is een duivelse leer omdat het rechtvaardigheid buiten het geloof om leert en de mensen laat rusten in iets aards in plaats van God zelf. Dit is de ondergang van de Kerk. Er zit niet meer in het Sacrament dan God belooft in Zijn Woord. Ook moeten we onze zekerheid uit Christus halen en niet het Sacrament.
[15] Calvijn hanteert in navolging van Augustinus een onderscheid tussen het Sacrament en de zaak van het Sacrament. Deze zijn niet zo nauw met elkaar verbonden dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan. De Sacramenten werken daarom alleen uit wat ze afbeelden in de uitverkorenen. De onwaardigheid van degene die eet wordt los gemaakt van de werkelijkheid waarnaar het verwijst. Je hebt net zoveel nut van de Sacramenten als dat je vorderingen maakt door de Sacramenten in de gemeenschap met Christus.
Morgen lezen we boek IV.14.16 - IV.14.20
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[11] Het uitwendig Woord bezit deze eigenschap en wordt daarom ook zaad genoemd. Het kan wel gestrooid worden op een persoon met een harde nek, dat is dus zand, maar dan komt er niks op, tenzij de Heilige Geest het Woord in de ziel laat belanden. Als Paulus zijn bediening de bediening van de Heilige Geest noemt, bedoelt hij dat prediking onlosmakelijk met het verlichtende werk van de Heilige Geest verbonden is(1 Kor. 2:4). Wel moet hij als arbeider of boer hard werken van zijn kant om de grond te bewerken. De apostelen brachten zo de Heilige Geest aan het licht door hun werk,
[12] soms is het zo dat God Zijn Sacramenten wegneemt om ongefundeerd vertrouwen op de belofte van God weg te nemen. Zoals de boom bij Adam, en Efeziërs die buiten de besnijdenis staan.(Ef. 2:11-12). Dit is niet iets overdragen op iets geschapens wat God alleen toekomt. Net als brood, warmte, vuur, en de zon middelen zijn die alleen waarde hebben als gave van God aan ons, zo zijn de Sacramenten alleen van waarde als ze Gods beloften in aanschouwelijke vorm voor ogen stellen.
[13] Calvijn spreekt hier Zwingli tegen die uit het woord 'sacramentum' de oorspronkelijke betekenis uitdiept en hier theologisch op voort denkt. Het is oorspronkelijk de eed van de soldaat aan zijn veldheer. Zo is het sacrament een onderscheidingsteken om te laten zien bij wie we horen, vindt Zwingli. Dit is niet een heel sterk woord omdat de kerkvaders niet heel veel betekenis aan het woord sacramentum ontleenden, maar wel gaven. Ook wordt het minst belangrijkste tot het belangrijkste gemaakt, namelijk de belijdenis voor mensen. Het gaat primair om dat de Sacramenten ons geloof dienen ten overstaan van God.
[14] Maar tegenover deze mensen die het Sacrament krachteloos en nutteloos maken heb je aan de andere kant mensen die geloven dat het Sacrament geheime krachten bevat. De Sacramenten maken rechtvaardig en brengen genade als daar geen doodzonde als belemmering op wordt gebracht. Dat is een duivelse leer omdat het rechtvaardigheid buiten het geloof om leert en de mensen laat rusten in iets aards in plaats van God zelf. Dit is de ondergang van de Kerk. Er zit niet meer in het Sacrament dan God belooft in Zijn Woord. Ook moeten we onze zekerheid uit Christus halen en niet het Sacrament.
[15] Calvijn hanteert in navolging van Augustinus een onderscheid tussen het Sacrament en de zaak van het Sacrament. Deze zijn niet zo nauw met elkaar verbonden dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan. De Sacramenten werken daarom alleen uit wat ze afbeelden in de uitverkorenen. De onwaardigheid van degene die eet wordt los gemaakt van de werkelijkheid waarnaar het verwijst. Je hebt net zoveel nut van de Sacramenten als dat je vorderingen maakt door de Sacramenten in de gemeenschap met Christus.
Morgen lezen we boek IV.14.16 - IV.14.20
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 30 september 2015
30-09; Boek IV.8.13 - IV.9.3
[13] De voorstanders van de Roomse kerk beweren dat de Kerk wordt bestuurd door Gods Geest en dat daarom alles wat ze ook maar zegt moet worden gezien als Gods uitspraken. De Kerk kan immers niet dwalen. Calvijn vindt ook dat de Kerk niet kan dwalen in zaken die nodig zijn voor onze zaligheid. MAar dan juist omdat ze afziet van eigen wijsheid en zich door het Woord en dus door de Geest hierin laat leiden. De Roomsen leggen het gezag buiten het Woord, de reformatoren leggen het gezag vast aan het Woord en willen niet dat het daarvan losgemaakt wordt. De Kerk moet niet meer willen weten dan Christus heeft gesproken, we moeten niet meer van de Heilige Geest verwachten dan dat Hij ons verstand verlicht om te begrijpen dat de leer van Jezus waarheid is. Met Chrysostomus wantrouwt Calvijn alles wat mensen naast het Evangelie stellen en onder de naam Geest schuiven. De Geest is met een onlosmaakbare band verbonden aan het Woord.
[14] De tegenstanders beroepen zich op dat de discipelen nog veel moesten leren van de Geest(!oh. 16:12). Daardoor moest de Schrift aangevuld worden. Alsof de discipelen nog steeds onnozel waren toen ze de leer op schrift stelden. Maar dan nog is het vervuld in de geschriften van de apostelen.
[15] Mensen moeten zich schikken naar de uitspraken van de Kerk voor zover deze overeen stemt met het Woord. Mensen mogen geen nieuwe leren erbij verzinnen, dat zou ook gevaarlijk zijn.
[16] Enkele voorbeelden om de Roomse praktijk te ondersteunen weerspreekt Calvijn. De kinderdoop is deels op het besluit van de Kerk, maar niet alleen, dat zou wel heel miserabel zijn.
Het eenswezen zijn met van de Zoon met de Vader staat niet letterlijk in de Bijbel, maar is wel bedoeld in de Bijbel zodat de leeruitspraak niet afhankelijk is van een uitspraak van het Concilie van Nicea. Het is ook gefundeerd in het Woord.
[1] Alles wat Calvijns tegenstanders over de Kerk zeggen wordt direct op concilies toegepast als vertegenwoordiging van de Kerk. Calvijn lijkt onbuigzaam om concilies te erkennen, maar dit ligt anders. Calvijn respecteert concilies, maar in zoverre ze worden voorgezeten door Christus in de beraadslaging door Woord en Geest. Ten tweede is Calvijn ervan overtuigd dat de concilies zijn zaak steunen, desondanks hij dus minder aan concilies hecht dan zijn tegenstanders.
[2] Desondanks het meer over kleinere bijeenkomsten gaat, ligt de Bijbelse basis voor concilies in Matth. 18:20(Waar twee of drie in Mijn naam bij elkaar zijn...). Het laat ook zien dat een concilie pas een concilie is als deze vergaderd in Christus' Naam. Mensen die buiten het woord om zelf dingen verzinnen zijn ongetwijfeld niet in Christus' Naam vergaderd en vallen niet onder de belofte, ze spannen tegen Christus samen. De tekst is dus een kenmerk voor een waar en een vals concilie.
[3] In de Bijbel wordt ook vaak gesproken dat de Kerk blind is en dingen niet ziet aankomen, zoals in Jesaja. Priesters en profeten spreken leugens, sterker nog, God verblindt soms priesters en profeten. Dit is voornamelijk te lezen in de profetische Bijbelboeken.
Morgen lezen we boek IV.9.4 - IV.9.11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[14] De tegenstanders beroepen zich op dat de discipelen nog veel moesten leren van de Geest(!oh. 16:12). Daardoor moest de Schrift aangevuld worden. Alsof de discipelen nog steeds onnozel waren toen ze de leer op schrift stelden. Maar dan nog is het vervuld in de geschriften van de apostelen.
[15] Mensen moeten zich schikken naar de uitspraken van de Kerk voor zover deze overeen stemt met het Woord. Mensen mogen geen nieuwe leren erbij verzinnen, dat zou ook gevaarlijk zijn.
[16] Enkele voorbeelden om de Roomse praktijk te ondersteunen weerspreekt Calvijn. De kinderdoop is deels op het besluit van de Kerk, maar niet alleen, dat zou wel heel miserabel zijn.
Het eenswezen zijn met van de Zoon met de Vader staat niet letterlijk in de Bijbel, maar is wel bedoeld in de Bijbel zodat de leeruitspraak niet afhankelijk is van een uitspraak van het Concilie van Nicea. Het is ook gefundeerd in het Woord.
[1] Alles wat Calvijns tegenstanders over de Kerk zeggen wordt direct op concilies toegepast als vertegenwoordiging van de Kerk. Calvijn lijkt onbuigzaam om concilies te erkennen, maar dit ligt anders. Calvijn respecteert concilies, maar in zoverre ze worden voorgezeten door Christus in de beraadslaging door Woord en Geest. Ten tweede is Calvijn ervan overtuigd dat de concilies zijn zaak steunen, desondanks hij dus minder aan concilies hecht dan zijn tegenstanders.
[2] Desondanks het meer over kleinere bijeenkomsten gaat, ligt de Bijbelse basis voor concilies in Matth. 18:20(Waar twee of drie in Mijn naam bij elkaar zijn...). Het laat ook zien dat een concilie pas een concilie is als deze vergaderd in Christus' Naam. Mensen die buiten het woord om zelf dingen verzinnen zijn ongetwijfeld niet in Christus' Naam vergaderd en vallen niet onder de belofte, ze spannen tegen Christus samen. De tekst is dus een kenmerk voor een waar en een vals concilie.
[3] In de Bijbel wordt ook vaak gesproken dat de Kerk blind is en dingen niet ziet aankomen, zoals in Jesaja. Priesters en profeten spreken leugens, sterker nog, God verblindt soms priesters en profeten. Dit is voornamelijk te lezen in de profetische Bijbelboeken.
Morgen lezen we boek IV.9.4 - IV.9.11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 29 september 2015
29-09; Boek IV.8.8 - IV.8.12
[8] In de Kerk mag er dus geen ruimte geboden worden aan wat niet in de Wet, Profeten. of bij de Apostelen te lezen valt. De apostelen hadden ook deze regel en mochten zich daarom geen meester laten noemen. En omdat ze in zekere zin ook onkundig waren, belooft Jezus hun de Geest der Waarheid om hen te leiden.
[9] Wie spreekt moet dan volop vertrouwend op de opdrachten van God de woorden van God spreken. Dit betekent dus de verzinsels van welke mens ook aan de kant schuiven. Dit Woord van God is de macht bij uitstek van de herders van de Kerk. Ze regeren door de kracht van het Woord. Apostelen waren wel als het ware de ware en oorspronkelijke secretarissen van de Heilige Geest en daarom moeten hun geschriften als de woorden van God beschouwd worden. Hun opvolgers hebben de taak te onderwijzen wat er in die geschriften geopenbaard en vastgelegd is. Dit geldt voor mensen, maar ook voor de Kerk als geheel. Paulus leert dit als hij zegt dat profetische getuigenissen beoordeeld moeten worden. Voor de Kerk geldt dat het geloof uit het horen is uit het woord van God, dus er is geen ruimte voor woorden uit de wereld. Plus dat God de enige is die nieuwe leerstukken kan maken omdat Hij de Enige is die niet kan liegen en bedriegen.
[10] Het verschil met macht en gezag in het pausdom is heel erg groot. Ten eerste gaan ze ervan uit dat concilies ware beelden van de Kerk zijn en rechtstreeks door de Heilige Geest geleid worden. Maar ze geven zelf vorm aan concilies en leiden deze. Daarom verdedigen ze hun eigen gezag en smeden nieuwe willekeurige leerstellingen met verachting voor het Woord. Hiermee moet men het eens zijn, anders mag men geen christen heten. Het is volgens hun aan de Kerk om nieuwe geloofsartikelen te maken.
[11] Hun argumenten voor deze taak van Kerk is dat de bruidegom nooit door Christus verlaten zou worden. Maar dit geldt niet minder voor de individuele gelovigen. Ook als Jezus de Geest der Waarheid belooft(Joh. 14), geldt dit voor de discipelen en de discipelen die er later bij zouden komen. Het gaat ook om de individuele gelovigen en hun troost hierin. Zeggen dat het alleen voor de Kerk gaat is verdraaiing, desondanks dit óók waar is. God staat de Zijnen altijd bij zodat ze steeds meer vooruitgang maken in hun heiliging.
[12] De Kerk krijgt van God wel gaven zodat deze in het hele Lichaam niet ontbreken, maar de Kerk zal nooit die opperste volkomenheid bevatten die de papisten wel claimen dat ze heeft. De Kerk maakt als geheel een proces door doordat haar leden van dag tot dag vernieuwd en geheiligd worden. Er blijven altijd wat vlekken en rimpels over. De heiliging van de Kerk is waar, maar we zien slechts het begin hiervan. De volheid van de heiligheid komt pas als Christus hiervoor zorgt. Anders moeten we betogen met de pelagianen dat de gerechtigheid van de gelovigen al in dit leven te bereiken is en met de katharen en donatisten dat we geen onvolkomenheden in de Kerk mogen toestaan. De Kerk is vast en pilaar van waarheid door de dienst van de prediking. De waarheid in de Kerk wordt door Jezus in stand gehouden. Als het hoeden van de waarheid ligt in de dienst van profeten en apostelen, is dit in het geheel afhnkelijk van het woord van de Heere.
Morgen lezen we boek IV.8.13 - IV.9.3
Lees deze en andere pots terug op lectiocalvini.blogspot.com
[9] Wie spreekt moet dan volop vertrouwend op de opdrachten van God de woorden van God spreken. Dit betekent dus de verzinsels van welke mens ook aan de kant schuiven. Dit Woord van God is de macht bij uitstek van de herders van de Kerk. Ze regeren door de kracht van het Woord. Apostelen waren wel als het ware de ware en oorspronkelijke secretarissen van de Heilige Geest en daarom moeten hun geschriften als de woorden van God beschouwd worden. Hun opvolgers hebben de taak te onderwijzen wat er in die geschriften geopenbaard en vastgelegd is. Dit geldt voor mensen, maar ook voor de Kerk als geheel. Paulus leert dit als hij zegt dat profetische getuigenissen beoordeeld moeten worden. Voor de Kerk geldt dat het geloof uit het horen is uit het woord van God, dus er is geen ruimte voor woorden uit de wereld. Plus dat God de enige is die nieuwe leerstukken kan maken omdat Hij de Enige is die niet kan liegen en bedriegen.
[10] Het verschil met macht en gezag in het pausdom is heel erg groot. Ten eerste gaan ze ervan uit dat concilies ware beelden van de Kerk zijn en rechtstreeks door de Heilige Geest geleid worden. Maar ze geven zelf vorm aan concilies en leiden deze. Daarom verdedigen ze hun eigen gezag en smeden nieuwe willekeurige leerstellingen met verachting voor het Woord. Hiermee moet men het eens zijn, anders mag men geen christen heten. Het is volgens hun aan de Kerk om nieuwe geloofsartikelen te maken.
[11] Hun argumenten voor deze taak van Kerk is dat de bruidegom nooit door Christus verlaten zou worden. Maar dit geldt niet minder voor de individuele gelovigen. Ook als Jezus de Geest der Waarheid belooft(Joh. 14), geldt dit voor de discipelen en de discipelen die er later bij zouden komen. Het gaat ook om de individuele gelovigen en hun troost hierin. Zeggen dat het alleen voor de Kerk gaat is verdraaiing, desondanks dit óók waar is. God staat de Zijnen altijd bij zodat ze steeds meer vooruitgang maken in hun heiliging.
[12] De Kerk krijgt van God wel gaven zodat deze in het hele Lichaam niet ontbreken, maar de Kerk zal nooit die opperste volkomenheid bevatten die de papisten wel claimen dat ze heeft. De Kerk maakt als geheel een proces door doordat haar leden van dag tot dag vernieuwd en geheiligd worden. Er blijven altijd wat vlekken en rimpels over. De heiliging van de Kerk is waar, maar we zien slechts het begin hiervan. De volheid van de heiligheid komt pas als Christus hiervoor zorgt. Anders moeten we betogen met de pelagianen dat de gerechtigheid van de gelovigen al in dit leven te bereiken is en met de katharen en donatisten dat we geen onvolkomenheden in de Kerk mogen toestaan. De Kerk is vast en pilaar van waarheid door de dienst van de prediking. De waarheid in de Kerk wordt door Jezus in stand gehouden. Als het hoeden van de waarheid ligt in de dienst van profeten en apostelen, is dit in het geheel afhnkelijk van het woord van de Heere.
Morgen lezen we boek IV.8.13 - IV.9.3
Lees deze en andere pots terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 2 juni 2015
02-06-2015; Boek III.4.16 - III.4.20
Vanochtend weigerde mijn wekker dienst dus moest ik direct door naar college. Daarom nu wat later de lectio van vandaag. Ik voeg ook per alinea toe welke paragraaf het betreft. Overzicht is een schone zaak.
Calvijn zal nog eens de roomse biechtleer afdrogen. [16]Later in boek IV zal Calvijn nog terug komen op de biecht. Allereerst is het vreemd dat alle zonden gebiecht moeten worden, als we kijken naar de uitspraken van David in de Psalmen waarin hij weliswaar spreekt over veel, afgrijselijk veel zonden, maar niet over iedere zonde afzonderlijk in een opsomming.
[17]De casuïstiek van de roomse theologen doet de mens verstikken in eindeloze onderverdelingen zonder echte oplossingen te bieden. Niemand kan hierdoor getroost worden, zeker als iemand zich bedenkt hoe moeilijk het is om alle zondes van een dag boven water te krijgen, laat staan van één jaar tijdens de verplichte biecht.
[18]De kerkelijke wet dat niemand de hemel inkomt zonder (het voornemen tot) de biecht maakt van mensen dus wanhopers, ze kunnen hieraan niet voldoen, en ook huichelaars omdat een lijstje opsommen niks anders is dan de echte kennis van hoe ellendig ze eraan toe zijn. Dit is een besef dat zondigheid groter is dan wat de mens ervan gezien heeft en ervan weet. dit drukt de tollenaar uit(Luk. 18:13). Niet dat Calvijn bedoelt dat een enkele zin genoeg is om gegarandeerd vergeven te zijn, maar we moeten erkennen dat we zondiger zijn dan we zelf hebben bedacht en kunnen beseffen. Krachtig tegenargument tegen de biecht is dat Christus zonder te biechten vergaf. Ook in de eerste eeuwen van de kerk bestond de biecht niet. De opsteller(in de Summa) van de biechtregel heeft zichzelf tot rechters aangesteld. Maar het is geen zaak van de rechter om te weten of de zondaar wordt vrijgesproken, vrijspraak van zonden bestaat in geloof en bekering, dus het is de zaak van de zondaar die het voorwaardelijke Woord zich toegeëigend dat door de dienaar van het Woord gesproken wordt.
[19]Desondanks een paar schijnvoordelen wil Calvijn de oorbiecht afgeschaft zien. Schijnvoordeel is de schaamte die bij de biecht komt, dit zou vervolg van de zonde tegengaan. Alsof het roepen voor het gerechtelijk onderzoek door God de mens niet genoeg verootmoedigt. Praktijk is dat de priester een losplaats is voor zonden waar verder niet over nagedacht wordt in de rest van het jaar.
[20]Calvijn vindt de priesters geen opvolgers van de apostelen en daarom bezitten ze niet hun dierbare sleutelmacht. De sleutelmacht wordt namelijk gegeven met de Heilige Geest, weliswaar aan de apostelen, maar pas op de tweede plaats. Calvijn is er niet van overtuigd dat de priesters deze hebben. Bewijs daarvoor vindt hij in het onderwijs waarin met bedekte termen wordt gesuggereerd dat vergissen mogelijk is met de sleutelmacht, maar de Heilige Geest vergist Zich niet.
Morgen lezen we boek III.4.21 - III.4.26
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Calvijn zal nog eens de roomse biechtleer afdrogen. [16]Later in boek IV zal Calvijn nog terug komen op de biecht. Allereerst is het vreemd dat alle zonden gebiecht moeten worden, als we kijken naar de uitspraken van David in de Psalmen waarin hij weliswaar spreekt over veel, afgrijselijk veel zonden, maar niet over iedere zonde afzonderlijk in een opsomming.
[17]De casuïstiek van de roomse theologen doet de mens verstikken in eindeloze onderverdelingen zonder echte oplossingen te bieden. Niemand kan hierdoor getroost worden, zeker als iemand zich bedenkt hoe moeilijk het is om alle zondes van een dag boven water te krijgen, laat staan van één jaar tijdens de verplichte biecht.
[18]De kerkelijke wet dat niemand de hemel inkomt zonder (het voornemen tot) de biecht maakt van mensen dus wanhopers, ze kunnen hieraan niet voldoen, en ook huichelaars omdat een lijstje opsommen niks anders is dan de echte kennis van hoe ellendig ze eraan toe zijn. Dit is een besef dat zondigheid groter is dan wat de mens ervan gezien heeft en ervan weet. dit drukt de tollenaar uit(Luk. 18:13). Niet dat Calvijn bedoelt dat een enkele zin genoeg is om gegarandeerd vergeven te zijn, maar we moeten erkennen dat we zondiger zijn dan we zelf hebben bedacht en kunnen beseffen. Krachtig tegenargument tegen de biecht is dat Christus zonder te biechten vergaf. Ook in de eerste eeuwen van de kerk bestond de biecht niet. De opsteller(in de Summa) van de biechtregel heeft zichzelf tot rechters aangesteld. Maar het is geen zaak van de rechter om te weten of de zondaar wordt vrijgesproken, vrijspraak van zonden bestaat in geloof en bekering, dus het is de zaak van de zondaar die het voorwaardelijke Woord zich toegeëigend dat door de dienaar van het Woord gesproken wordt.
[19]Desondanks een paar schijnvoordelen wil Calvijn de oorbiecht afgeschaft zien. Schijnvoordeel is de schaamte die bij de biecht komt, dit zou vervolg van de zonde tegengaan. Alsof het roepen voor het gerechtelijk onderzoek door God de mens niet genoeg verootmoedigt. Praktijk is dat de priester een losplaats is voor zonden waar verder niet over nagedacht wordt in de rest van het jaar.
[20]Calvijn vindt de priesters geen opvolgers van de apostelen en daarom bezitten ze niet hun dierbare sleutelmacht. De sleutelmacht wordt namelijk gegeven met de Heilige Geest, weliswaar aan de apostelen, maar pas op de tweede plaats. Calvijn is er niet van overtuigd dat de priesters deze hebben. Bewijs daarvoor vindt hij in het onderwijs waarin met bedekte termen wordt gesuggereerd dat vergissen mogelijk is met de sleutelmacht, maar de Heilige Geest vergist Zich niet.
Morgen lezen we boek III.4.21 - III.4.26
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 18 mei 2015
18-05; Boek III.2.32 - III.2.37
De 20ste week van Lectio Calvini
Volgens de Bijbel, en dus Calvijn ook, is het Evangelie volledig tot vervulling gekomen in de kennis van Jezus Christus. Alle beloften zijn in Hem vervuld. Ook zijn deze beloftes blijken van Gods liefde. Niemand kan dus God liefhebben buiten Christus om. Wat betreft Naäman de Syriër, Cornelius en de kamerheer uit Handelingen, zij hadden ook een vage kennis van Christus, een impliciet geloof, voordat ze Christus leerden kennen wordt er namelijk positief over hun gesproken in de Bijbel.
Het Woord van God kan niet gelooft worden zonder dat de Heilige Geest het geloof tot stand brengt. Want de mens is van zichzelf blind en hardnekkig en geneigd tot waardeloze zaken. Calvijn verschilt van scholastieke schrijvers doordat Calvijn geloof ziet als meer dan alleen een verstandelijk toestemmen, maar ook vertrouwen en zekerheid in het hart krijgen door de Heilige Geest, en meer gaven om het geloof van stap tot stap te brengen tot volmaaktheid.
En dit alles is net als de hele Bijbel, alleen te begrijpen door de verlichting met de Heilige Geest. Deze brengt naar Christus. "Het Woord van God is als een zon die zijn stralen laat vallen op allen aan wie het gepredikt wordt; onder blinden levert dat echter niets op. In dit opzicht zijn wij van nature blind. Daarom kan het licht van het Woord alleen doordringen tot ons verstand indien de Geest als inwendige leermeester door Zijn verlichting de deur ervoor opent."
Nogmaals, de mens is niet in staat om uit zichzelf te geloven, dit is een gave van de Geest, die God vrij is om te geven aan wie het Hem behaagt. Sommige komen door de prediking tot geloof, andere niet.
Nu is de verstandelijke overtuiging niet het eindpunt van geloof, de Geest laat het ook diep wortelen in het hart, dat is de verzegeling van de Geest. Zo is de Geest ook het onderpand van het geloof. Zo is er dan ook in alle beproeving en aanvechting rust en troost in het geloof, niet dat bijvoorbeeld David als psalmzinger altijd kalm en vrolijk was, maar in het geloof zijn rust vindt en blijft volharden in het geloof.
Morgen lezen we boek III.3.38 - III.3.42
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Volgens de Bijbel, en dus Calvijn ook, is het Evangelie volledig tot vervulling gekomen in de kennis van Jezus Christus. Alle beloften zijn in Hem vervuld. Ook zijn deze beloftes blijken van Gods liefde. Niemand kan dus God liefhebben buiten Christus om. Wat betreft Naäman de Syriër, Cornelius en de kamerheer uit Handelingen, zij hadden ook een vage kennis van Christus, een impliciet geloof, voordat ze Christus leerden kennen wordt er namelijk positief over hun gesproken in de Bijbel.
Het Woord van God kan niet gelooft worden zonder dat de Heilige Geest het geloof tot stand brengt. Want de mens is van zichzelf blind en hardnekkig en geneigd tot waardeloze zaken. Calvijn verschilt van scholastieke schrijvers doordat Calvijn geloof ziet als meer dan alleen een verstandelijk toestemmen, maar ook vertrouwen en zekerheid in het hart krijgen door de Heilige Geest, en meer gaven om het geloof van stap tot stap te brengen tot volmaaktheid.
En dit alles is net als de hele Bijbel, alleen te begrijpen door de verlichting met de Heilige Geest. Deze brengt naar Christus. "Het Woord van God is als een zon die zijn stralen laat vallen op allen aan wie het gepredikt wordt; onder blinden levert dat echter niets op. In dit opzicht zijn wij van nature blind. Daarom kan het licht van het Woord alleen doordringen tot ons verstand indien de Geest als inwendige leermeester door Zijn verlichting de deur ervoor opent."
Nogmaals, de mens is niet in staat om uit zichzelf te geloven, dit is een gave van de Geest, die God vrij is om te geven aan wie het Hem behaagt. Sommige komen door de prediking tot geloof, andere niet.
Nu is de verstandelijke overtuiging niet het eindpunt van geloof, de Geest laat het ook diep wortelen in het hart, dat is de verzegeling van de Geest. Zo is de Geest ook het onderpand van het geloof. Zo is er dan ook in alle beproeving en aanvechting rust en troost in het geloof, niet dat bijvoorbeeld David als psalmzinger altijd kalm en vrolijk was, maar in het geloof zijn rust vindt en blijft volharden in het geloof.
Morgen lezen we boek III.3.38 - III.3.42
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
vrijdag 15 mei 2015
15-05; Boek III.2.28 - III.2.31
Calvijn ziet niks in een welvaarts-evangelie. De kern van het evangelie is dat God ons in genade heeft aangenomen. Hieruit volgen de zekerheid in dit en het toekomende leven. Maar God heeft geen regel gemaakt van aardse welvaart als onderdeel van het evangelie. Daarom kunnen de grootste ellendige situaties voor gelovigen geluk betekenen.
De grondslag van het geloof is dus de genadige belofte. Niet dat dit het enige is, wat een verwijt is van Pighius(https://nl.wikipedia.org/wiki/Albertus_Pighius, een Kamperse geestelijke die niks van de Reformatie wilde weten), Calvijn houdt ook alle beloftes en dreigingen en geboden van God voor waar. Maar het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen is toch wel dat de eerste rusten op Gods genadige belofte.
Het geloof heeft het Woord nodig. Je kan alleen hopen op God als je Zijn naam kent, en deze komt niet in de mens zelf op. Daarom wordt er in de Bijbel zo vaak over Gods almacht verteld als het gaat over redding omdat mensen in beproevingen al sneller de duivel dan God geloven. Er is pas geloof als God een getuigenis van Zijn genade laat zien. Sarah en Rebekka zondigden om buiten de belofte van God om te werken. Er is geen geloof als het geen steun heeft uit Gods Woord.
Volgende week lezen we boek III.2.32 - III.2.37
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
De grondslag van het geloof is dus de genadige belofte. Niet dat dit het enige is, wat een verwijt is van Pighius(https://nl.wikipedia.org/wiki/Albertus_Pighius, een Kamperse geestelijke die niks van de Reformatie wilde weten), Calvijn houdt ook alle beloftes en dreigingen en geboden van God voor waar. Maar het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen is toch wel dat de eerste rusten op Gods genadige belofte.
Het geloof heeft het Woord nodig. Je kan alleen hopen op God als je Zijn naam kent, en deze komt niet in de mens zelf op. Daarom wordt er in de Bijbel zo vaak over Gods almacht verteld als het gaat over redding omdat mensen in beproevingen al sneller de duivel dan God geloven. Er is pas geloof als God een getuigenis van Zijn genade laat zien. Sarah en Rebekka zondigden om buiten de belofte van God om te werken. Er is geen geloof als het geen steun heeft uit Gods Woord.
Volgende week lezen we boek III.2.32 - III.2.37
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
vrijdag 8 mei 2015
09-05; Boek III.2.1 - III.2.6
Voor de goeie orde is het belangrijk om tot den duidelijke omschrijving van geloof te komen. Daarvoor is het nodig om het een en ander opnieuw in overweging te nemen. Dit zijn namelijk de punten dat God straft wie Zijn Wet overtreedt, dat niemand Zijn Wet kan volbrengen en we daarom niks van onszelf te verwachten hebben. Ten slotte moeten we weten dat de enige manier om uit deze penarie te komen de openbaring van Jezus Christus als verlosser is. Dit moeten we geloven. En dan niet oppervlakkig mee instemmen, maar geloven in Christus als verlosser. Zoals Paulus gepredikt hebben en Augustinus ook mooi over heeft geschreven.
Scholastici hebben het impliciete geloof bedacht, dat bestaat uit onderwerping en gehoorzaamheid aan wat de kerk leert. Maar dit is schadelijk van het echte geloof zoals Calvijn dat omschrijft; kennis dat God goedgunstig is geweest en Jezus christus heeft gegeven tot gerechtigheid, heiligheid en leven. Expliciete kennis. De voetnoten geven hier de Summa van Thomas van Aquino aan(http://www.newadvent.org/summa/3002.htm#article2).
Calvijn ontkent niet dat er altijd impliciete of onbekende zaken zijn in het geloof, maar dat heeft te maken met onze onvoltooide staat en die zullen we uiteindelijk pas kennen als we bij God zijn. Geloof is in de Bijbel altijd verbonden aan kennis, en niet aan blinde gehoorzaamheid aan uitspraken en ook dwalingen van de kerk alsof het godsspraak is.
Impliciet geloof heb je altijd, er zijn altijd veel dingen verborgen en omgeven door dwalingen. Daarom is het wijs om altijd een leerling te blijven en nederig te blijven. Ook de discipelen waren echte gelovigen, maar snapten ook veel niet, vooral rondom de opstanding van Jezus. Het geloof lag als zaad opgesloten in hun hart en kwam toen in een keer op. Ze hadden waar geloof omdat ze Christus als enige leermeester wilden kennen.
Impliciet geloof zou eigenlijk een voorstadium van het geloof genoemd kunnen worden. In de Bijbel is het ook te zien dat er eerst een geloof is dat bestaat uit de vrijwillige onderwerping, de tweede keer bestaat het in aanvaarding en schikking van gezag en leer van Christus. Het impliciet geloof is hier een bereidheid te leren die afstaat van de roomse onwetendheid.
Het ware kennen van Jezus is dus wanneer wij Hem aannemen zoals Hij door de Vader wordt voorgesteld; in het gewaad van het Evangelie. Maar ook weer niet zo strikt christologisch dat Mozes en de profeten ons niks over het geloof kunnen leren. In de Bijbel is er wel een sterke nadruk op de band tussen geloof en het Woord. De gelovigen worden hierdoor over God geleerd. Het geloof rust op het Woord en als het daar niet zijn doel in vindt, doolt het geloof. Het gaat dus niet alleen om geloof dat God bestaat, maar ook over de kennis van Zijn wil.
Volgende week lezen we boek III.2.7 - III.2.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Scholastici hebben het impliciete geloof bedacht, dat bestaat uit onderwerping en gehoorzaamheid aan wat de kerk leert. Maar dit is schadelijk van het echte geloof zoals Calvijn dat omschrijft; kennis dat God goedgunstig is geweest en Jezus christus heeft gegeven tot gerechtigheid, heiligheid en leven. Expliciete kennis. De voetnoten geven hier de Summa van Thomas van Aquino aan(http://www.newadvent.org/summa/3002.htm#article2).
Calvijn ontkent niet dat er altijd impliciete of onbekende zaken zijn in het geloof, maar dat heeft te maken met onze onvoltooide staat en die zullen we uiteindelijk pas kennen als we bij God zijn. Geloof is in de Bijbel altijd verbonden aan kennis, en niet aan blinde gehoorzaamheid aan uitspraken en ook dwalingen van de kerk alsof het godsspraak is.
Impliciet geloof heb je altijd, er zijn altijd veel dingen verborgen en omgeven door dwalingen. Daarom is het wijs om altijd een leerling te blijven en nederig te blijven. Ook de discipelen waren echte gelovigen, maar snapten ook veel niet, vooral rondom de opstanding van Jezus. Het geloof lag als zaad opgesloten in hun hart en kwam toen in een keer op. Ze hadden waar geloof omdat ze Christus als enige leermeester wilden kennen.
Impliciet geloof zou eigenlijk een voorstadium van het geloof genoemd kunnen worden. In de Bijbel is het ook te zien dat er eerst een geloof is dat bestaat uit de vrijwillige onderwerping, de tweede keer bestaat het in aanvaarding en schikking van gezag en leer van Christus. Het impliciet geloof is hier een bereidheid te leren die afstaat van de roomse onwetendheid.
Het ware kennen van Jezus is dus wanneer wij Hem aannemen zoals Hij door de Vader wordt voorgesteld; in het gewaad van het Evangelie. Maar ook weer niet zo strikt christologisch dat Mozes en de profeten ons niks over het geloof kunnen leren. In de Bijbel is er wel een sterke nadruk op de band tussen geloof en het Woord. De gelovigen worden hierdoor over God geleerd. Het geloof rust op het Woord en als het daar niet zijn doel in vindt, doolt het geloof. Het gaat dus niet alleen om geloof dat God bestaat, maar ook over de kennis van Zijn wil.
Volgende week lezen we boek III.2.7 - III.2.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 13 april 2015
13-10; Boek II.10.1 - II.10.7
De vijftiende week van Lectio Calvini, gaat lekker. Ik hoop dat iedereen nog een beetje op schema ligt of er in ieder geval al wat aan gehad heeft.
Uit het voorgaande blijkt dus dat het oude en het nieuwe verbond hetzelfde verbond zijn. De mensen ten tijde van het oude verbond verschillen wel in positie, maar niet in erfenis en genade en zaligheid. Dat is wat Calvijn nu gaat laten zien. Dit moet omdat Servet en de wederdopers een groot verschil tussen oud en nieuw verbond maken. Alsof de aarde voor het volk Israël is en de onsterfelijkheid in de hemel voor de nieuwverbondsgelovigen.
De verbonden zijn hetzelfde, er is één verbond dat in de uitvoering verschilt. Eerst de eenheid. ten eerste zit deze erin dat de Joden niet vleselijke voorspoed voorgehouden is, maar de hoop op onsterfelijkheid. Ten tweede dat de verdiensten van de Wet niet de reden was voor het verbond met hen, maar de barmhartigheid van God. Ten derde hebben ze Christus gehad en gekend als Middelaar.
Onder de Wet was het Evangelie van Gods Zoon aangekondigd door de profeten, aldus Paulus in de Romeinenbrief. Hieruit blijkt dus dat het OT ook heel duidelijk het toekomstige leven voor ogen stelde.
Hier speelt ook mee dat God het oude verbond heeft opgericht uit barmhartigheid en door Christus is bevestigd. De leer van rechtvaardiging uit geloof is ook aan hun toebedeeld.
Ook hadden de Joden dezelfde tekenen van genade in het oude verbond, dit zegt Paulus in 1 Korintiërs. De Corinthiërs konden zich niet achter tekenen van genade verschuilen, net zo min als de Joden zich daarachter konden verschuilen. Ook het manna getuigt hiervan, desondanks dit niet het hoofdpunt is in een discussie die Jezus voert over manna in Joh. 6. Het gaat niet over het voeden van mensen, maar om een voorbeeld van de geestelijke levendmaking in Christus.
Een bewijs uit het OT zelf i.p.v. het NT is dat God Zijn levendmakende Woord had gegeven als band tussen Hem en Zijn volk. Hierdoor zijn de zielen van de vromen verlicht tot de kenns van God en één met Hem geworden.
Morgen lezen we boek II.10.8 - II.10.13
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Uit het voorgaande blijkt dus dat het oude en het nieuwe verbond hetzelfde verbond zijn. De mensen ten tijde van het oude verbond verschillen wel in positie, maar niet in erfenis en genade en zaligheid. Dat is wat Calvijn nu gaat laten zien. Dit moet omdat Servet en de wederdopers een groot verschil tussen oud en nieuw verbond maken. Alsof de aarde voor het volk Israël is en de onsterfelijkheid in de hemel voor de nieuwverbondsgelovigen.
De verbonden zijn hetzelfde, er is één verbond dat in de uitvoering verschilt. Eerst de eenheid. ten eerste zit deze erin dat de Joden niet vleselijke voorspoed voorgehouden is, maar de hoop op onsterfelijkheid. Ten tweede dat de verdiensten van de Wet niet de reden was voor het verbond met hen, maar de barmhartigheid van God. Ten derde hebben ze Christus gehad en gekend als Middelaar.
Onder de Wet was het Evangelie van Gods Zoon aangekondigd door de profeten, aldus Paulus in de Romeinenbrief. Hieruit blijkt dus dat het OT ook heel duidelijk het toekomstige leven voor ogen stelde.
Hier speelt ook mee dat God het oude verbond heeft opgericht uit barmhartigheid en door Christus is bevestigd. De leer van rechtvaardiging uit geloof is ook aan hun toebedeeld.
Ook hadden de Joden dezelfde tekenen van genade in het oude verbond, dit zegt Paulus in 1 Korintiërs. De Corinthiërs konden zich niet achter tekenen van genade verschuilen, net zo min als de Joden zich daarachter konden verschuilen. Ook het manna getuigt hiervan, desondanks dit niet het hoofdpunt is in een discussie die Jezus voert over manna in Joh. 6. Het gaat niet over het voeden van mensen, maar om een voorbeeld van de geestelijke levendmaking in Christus.
Een bewijs uit het OT zelf i.p.v. het NT is dat God Zijn levendmakende Woord had gegeven als band tussen Hem en Zijn volk. Hierdoor zijn de zielen van de vromen verlicht tot de kenns van God en één met Hem geworden.
Morgen lezen we boek II.10.8 - II.10.13
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)