De 48ste week van Lectio Calvini,in mijn druk nog 91 bladzijdes tot het einde.
[46] De verplichting om één keer per jaar deel te nemen aan het Avondmaal noemt Calvijn een uitvinding van de duivel en hij ziet het als een verdraaiing van een goede regel van Zepherinus(bisschop van Rome, 189- 217). Deze bepaalde dat de gelovigen één keer op een bepaalde dag samen belijdenis van het geloof door Avondmaal moesten afleggen in plaats van allemaal op verschillende tijden en daarom niet allemaal tegelijkertijd. Biuj Chrysostomus is al verval te bespeuren als hij zich beklaagd over mensen die soms wel en soms niet aangaan en soms rein en soms onrein, in de meest ongunstige combinaties uiteraard.
[47] Zo is ook de beker op het Concilie van Konstanz in 1415 weggevallen. Dit werd alleen voor de geestelijken beschikbaar. Er werd geredeneerd dat in het brood het hele lichaam van Jezus was, dus ook met bloed en dat daarin alles besloten lag. Calvijn vindt dit een voorbeeld van het verstand dat aan de haal gaat met de Bijbel. Jezus maakt vaak onderscheid tussen Zijn lichaam en bloed en dit moeten we allebei handhaven in het Avondmaal om de ondersteuning van het geloof vast te houden.
[48] Wat hier tegenover wordt gesteld is dat er aan één enkele gebeurtenis in de geschiedenis geen algemene regel gemaakt mag worden, maar Calvijn vindt dat we hier te maken hebben met een inzetting, de apostelen moesten ook zo Avondmaal vieren. Een tweede uitvlucht is dat de apostelen toen al tot de priesterorde hoorden. Maar het is voor Calvijn niet duidelijk waaruit blijkt dat de apostelen toen priesters waren geworden. Ook is dan niet te verklaren waarom in de eerste duizend jaar alle gelovigen wel aan brood en beker mochten. Dit is duidelijk bij Tertullianus, Ambrosius, Chrysostomus en Augustinus.
[49] Bij Gregorius I was de beker ook nog voor de leken. In die periode (rondom 600) werd het als een dwaling gezien om alleen het brood zonder de wijn te ontvangen. Cyprianus is ook ervan overtuigd dat je de twee niet van elkaar kan scheiden.
[50] Ook zegt Christus expliciet dat allen moeten drinken uit de beker. Ook is Calvijn benieuwd wie zich nu durft op te dringen in het Avondmaal, als het alleen bestemd was voor priesters. Ten slotte moet Paulus wel liegen als hij dan iedereen uit de beker wil laten drinken zoals hij schrijft in aan de gemeente in Korinthe.
[1] Calvijn ziet de satan een strijd voeren tegen het Avondmaal toen in de Kerk de overtuiging kwam dat men de mis ging beschouwen als offer dat opgedragen wordt om vergeving van zonde te krijgen. Er zijn veel scholastieke theologen die prima hierover kunnen discussiëren, maar daardoor juist het Avondmaal verduisteren. Calvijn zal dan ook niet direct met ze in discussie treden. De mis als zoenoffer is niet alleen in de opvatting veranderd in een zoenoffer, maar is ook opgezet om dit bewust over te brengen. Maar hoe mooi de mis ook is geworden, Calvijn zal haar toetsen aan de Bijbel en zo met wortel en tak omhakken omdat het Christus verduistert.
Morgen lezen we boek IV.18.2 - IV.18.7
Posts tonen met het label chrysostomus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label chrysostomus. Alle posts tonen
maandag 30 november 2015
vrijdag 27 november 2015
27-11; Boek IV.17.40 - IV.17.45
[40] Er zit wel een keerzijde aan het Avondmaal, voor ongelovigen is het een veroordeling, niet omdat het gezegende Avondmaal niet van zichzelf goed zou zijn, maar omdat de ziel waar het in komt berdorven is. Ongelovigen mensen die eten doen het Avondmaal smaad aan. Ze doen iets wat ze niet erkennen, namelijk het uiten van vertrouwen en geloof in de gemeenschap met Christus in het Avondmaal. Ook verscheuren ze het Lichaam van Christus, de Kerk, door hun zondes te vermengen met het teken van Christus' lichaam. Zo tekenen de ongelovigen hun eigen vonnis. Daarom roept Paulus ook op tot zelfbeproeving, of mensen wel echt op Christus willen vertrouwen voor hun zaligheid, en of ze Christus willen navolgen in het geven van zijn leven en het oefenen van gemeenschap met de broeders.
[41] De roomsen willen alleen mensen aan het Avondmaal toelaten die in een staat van genade zijn, dat is rein en gezuiverd van alle zonden. Hierdoor wordt zelfonderzoek een marteling, niemand mag dan aangaan. Zelfs die staat bereiken door berouw en boetedoening is lastig omdat je nooit weet of het genoeg is. Hierover is al geschreven op een eerdere plek in de Institutie, III.4. Deze zelfbeproeving helpt absoluut niet bij de notie van het zichzelf oordeel eten en drinken door onwaardig aan te gaan aan het Avondmaal.
[42] Niemand is waardig, maar we moeten juist in gedachten houden dat het Avondmaal rijkdom is voor de armen, geneesmiddel voor de zieken en hebben niks te bieden voor rijke en gezonde mensen.We moeten God onze onwaardigheid aanbieden en ons door Christus in Zijn ontferming tot waardige mensen laten maken. Dan is het soms een verschrikking om te denken dat zulke zondaars deelhebben aan het lichaam en bloed van Christus. Dat laat alleen maar zien dat we het nodig hebben. Onze waardigheid ligt vooral in het geloof in Christus. Het is eigenlijk gek om het Avondmaal aan te bieden aan mensen die het niet nodig hebben.
[43] Er zijn veel middelmatige zaken over het brood en de wijn bij het Avondmaal waarin de Kerk zelf mag beslissen wat voor brood en wijn en hoe dit uitgereikt mag worden. Calvijn roept op om niet allemaal trucjes te bedenken om het volk naar de ogen godsdienstig te laten zijn, ongeacht hoe oud die manieren ook zijn. We moeten de berg ceremoniën achter ons laten en tenminste een keer per week Avondmaal vieren in de Kerk met de volgende opeenvolgende elementen, uiteraard na de preek in de eredienst.
- Brood en Wijn op tafel zetten
- Spreken over de inzetting van het Heilig Avondmaal
- De beloften van het Avondmaal ter sprake brengen
- De tucht toepassen en mensen uitsluiten volgens de regels van de Heere
- Bidden om vorming en onderricht in geloof in onze harten voor deze maaltijd of Jezus ons waardig wil maken
- Een psalm zingen of iets lezen, de gelovigen kunnen in gepaste orden aangaan.
- Predikant reikt brood en wijn aan.
- Aansporing van predikant tot oprecht geloof, belijdenis en naastenliefde
- Lof en dank zingen aan God
[44] Het is dus duidelijk dat het Avondmaal vaker dan de toen gebruikelijke een keer per jaar gevierd moest worden(in de RKK). Het moet zo vaak mogelijk gevierd worden om herinnerd te worden aan Christus en het geloof te laten ondersteunen terwijl met het Avondmaal de liefde voor de broeders en zusters tot uitdrukking komt. Eigenlijk zou er volgens Calvijn geen dienst mogen zijn zonder Woord en Sacrament. Dat is ook zo vroeger geweest in de Oude Kerk, sterker nog, mensen die niet aan het Avondmaal gingen werden aangespoord en bij volharding uit de Kerk geweerd.
[45] Augustinus bericht dat mensen aangespoord werden tot het Avondmaal, best dringend zo te lezen. Chrysostomus noemt mensen die niet aangaan brutale en lompe vlegels die bij de gastheer wel de indruk wekken aan tafel te gaan maar toch niet doen.
Volgende week lezen we boek IV.17.46 - IV.18.1
[41] De roomsen willen alleen mensen aan het Avondmaal toelaten die in een staat van genade zijn, dat is rein en gezuiverd van alle zonden. Hierdoor wordt zelfonderzoek een marteling, niemand mag dan aangaan. Zelfs die staat bereiken door berouw en boetedoening is lastig omdat je nooit weet of het genoeg is. Hierover is al geschreven op een eerdere plek in de Institutie, III.4. Deze zelfbeproeving helpt absoluut niet bij de notie van het zichzelf oordeel eten en drinken door onwaardig aan te gaan aan het Avondmaal.
[42] Niemand is waardig, maar we moeten juist in gedachten houden dat het Avondmaal rijkdom is voor de armen, geneesmiddel voor de zieken en hebben niks te bieden voor rijke en gezonde mensen.We moeten God onze onwaardigheid aanbieden en ons door Christus in Zijn ontferming tot waardige mensen laten maken. Dan is het soms een verschrikking om te denken dat zulke zondaars deelhebben aan het lichaam en bloed van Christus. Dat laat alleen maar zien dat we het nodig hebben. Onze waardigheid ligt vooral in het geloof in Christus. Het is eigenlijk gek om het Avondmaal aan te bieden aan mensen die het niet nodig hebben.
[43] Er zijn veel middelmatige zaken over het brood en de wijn bij het Avondmaal waarin de Kerk zelf mag beslissen wat voor brood en wijn en hoe dit uitgereikt mag worden. Calvijn roept op om niet allemaal trucjes te bedenken om het volk naar de ogen godsdienstig te laten zijn, ongeacht hoe oud die manieren ook zijn. We moeten de berg ceremoniën achter ons laten en tenminste een keer per week Avondmaal vieren in de Kerk met de volgende opeenvolgende elementen, uiteraard na de preek in de eredienst.
- Brood en Wijn op tafel zetten
- Spreken over de inzetting van het Heilig Avondmaal
- De beloften van het Avondmaal ter sprake brengen
- De tucht toepassen en mensen uitsluiten volgens de regels van de Heere
- Bidden om vorming en onderricht in geloof in onze harten voor deze maaltijd of Jezus ons waardig wil maken
- Een psalm zingen of iets lezen, de gelovigen kunnen in gepaste orden aangaan.
- Predikant reikt brood en wijn aan.
- Aansporing van predikant tot oprecht geloof, belijdenis en naastenliefde
- Lof en dank zingen aan God
[44] Het is dus duidelijk dat het Avondmaal vaker dan de toen gebruikelijke een keer per jaar gevierd moest worden(in de RKK). Het moet zo vaak mogelijk gevierd worden om herinnerd te worden aan Christus en het geloof te laten ondersteunen terwijl met het Avondmaal de liefde voor de broeders en zusters tot uitdrukking komt. Eigenlijk zou er volgens Calvijn geen dienst mogen zijn zonder Woord en Sacrament. Dat is ook zo vroeger geweest in de Oude Kerk, sterker nog, mensen die niet aan het Avondmaal gingen werden aangespoord en bij volharding uit de Kerk geweerd.
[45] Augustinus bericht dat mensen aangespoord werden tot het Avondmaal, best dringend zo te lezen. Chrysostomus noemt mensen die niet aangaan brutale en lompe vlegels die bij de gastheer wel de indruk wekken aan tafel te gaan maar toch niet doen.
Volgende week lezen we boek IV.17.46 - IV.18.1
zaterdag 14 november 2015
14-11; Boek IV.17.6 - IV.17.11
[6] Calvijn spreekt Zwinglie(genoemd in de voetnoot) niet tegen als deze zegt dat het een eten in geloof is en niet met de mond. Maar toch vindt Calvijn het te weinig. Het gelovig overdenken van het offer is nuttig en aangenaam, maar in het geloof omhelzen we niet een Jezus die hoog boven ons is, maar Die Zich met ons verenigt en tot een lichaam maakt. Ook Chrysostomus zegt dat met het Avondmaal Jezus ons tot Zijn lichaam maakt.
[7] Calvijn kan ook niet mee gaan met mensen die zeggen dat je met het Avondmaal deel hebt aan de Geest van Christus, daarmee worden de woorden van Jezus Zelf in Johannes 6 veel te kort gedaan. Het zijn mensen die overdrijven en een manier van eten drinken uitdenken die van Jezus een soort spookgestalte maakt. Calvijn zelf vraagt zich af hoe ze zoveel kunnen denken, hij kan zo ver niet komen met zijn denken, laat staan met zijn schrijven. Calvijn noemt het Avondmaal een groot mysterie.
[8] Jezus is vanaf het begin de bron van het leven geweest omdat Hij het Woord va de Vader is. Dit zagen we pas toen Jezus in het vlees Zichzelf openbaarde. Als wij delen in Zijn vlees krijgen wij ook de onsterfelijkheid. We hebben hierin nieuwe troost die makkelijk en dichtbij is. De gemeenschap met het leven is in Hem te vinden.
[9] Het vlees van Jezus heeft in zichzelf niet zoveel kracht, het was ook sterfelijk, maar omdat het is het doortrokken van de volheid van het leven, leeft het nu niet uit eigen kracht. Zo is het vlees de bron, maar niet het leven zelf, zie het voorbeeld van de bron. En zo wordt de Kerk ook het Lichaam van Christus genoemd, vooral in de Efeze brief.
[10] Doordat we een heilige gemeenschap hebben aan het lichaam en bloed van Jezus worden onze zielen gevoed op dezelfde manier als onze lichamen worden gevoed met het brood en de wijn. Anders gaat de analogie van het teken niet op. Daarvoor zorgt de verborgen kracht van de Heilige Geest die iedereen die de maaltijd met vroom geloof neemt vrucht laat dragen. Het breken van het brood is niet alleen maar een symbool, maar we mogen aannemen dat God geeft wat Hij ons in de tekenen voorhoudt. Welk ander doel zou God hebben met een teken dan te verzekeren dat we werkelijk deel aan Hem hebben?
[11] Het heilig Avondmaal heeft in de Kerk altijd al gestaan voor twee zaken, namelijk het teken die ons een beeld geven van de onzichtbare werkelijkheid. en de geestelijke werkelijkheid die ons worden gegeven met de afbeeldingen ervan. In toenmalige scholastieke termen. Christus is de substantie van de tekenen, en het effect is de verlossing, gerechtigheid, heiliging en het eeuwige leven en andere weldaden van Jezus. Ze hebben te maken met het geloof, maar Calvijn bedoelt absoluut niet dat Jezus alleen met het verstand aangenomen kan worden. Calvijn snapt niet hoe iemand dit überhaupt kan, of steun kan vinden in het kruis van verlossing, zonder eerst zijn steun te vinden in de gemeenschap met Christus zelf. Eerst met Hem verenigd zijn, daarna Zijn kracht ervaren.
Volgende week lezen we boek IV.17.12 - IV.17.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[7] Calvijn kan ook niet mee gaan met mensen die zeggen dat je met het Avondmaal deel hebt aan de Geest van Christus, daarmee worden de woorden van Jezus Zelf in Johannes 6 veel te kort gedaan. Het zijn mensen die overdrijven en een manier van eten drinken uitdenken die van Jezus een soort spookgestalte maakt. Calvijn zelf vraagt zich af hoe ze zoveel kunnen denken, hij kan zo ver niet komen met zijn denken, laat staan met zijn schrijven. Calvijn noemt het Avondmaal een groot mysterie.
[8] Jezus is vanaf het begin de bron van het leven geweest omdat Hij het Woord va de Vader is. Dit zagen we pas toen Jezus in het vlees Zichzelf openbaarde. Als wij delen in Zijn vlees krijgen wij ook de onsterfelijkheid. We hebben hierin nieuwe troost die makkelijk en dichtbij is. De gemeenschap met het leven is in Hem te vinden.
[9] Het vlees van Jezus heeft in zichzelf niet zoveel kracht, het was ook sterfelijk, maar omdat het is het doortrokken van de volheid van het leven, leeft het nu niet uit eigen kracht. Zo is het vlees de bron, maar niet het leven zelf, zie het voorbeeld van de bron. En zo wordt de Kerk ook het Lichaam van Christus genoemd, vooral in de Efeze brief.
[10] Doordat we een heilige gemeenschap hebben aan het lichaam en bloed van Jezus worden onze zielen gevoed op dezelfde manier als onze lichamen worden gevoed met het brood en de wijn. Anders gaat de analogie van het teken niet op. Daarvoor zorgt de verborgen kracht van de Heilige Geest die iedereen die de maaltijd met vroom geloof neemt vrucht laat dragen. Het breken van het brood is niet alleen maar een symbool, maar we mogen aannemen dat God geeft wat Hij ons in de tekenen voorhoudt. Welk ander doel zou God hebben met een teken dan te verzekeren dat we werkelijk deel aan Hem hebben?
[11] Het heilig Avondmaal heeft in de Kerk altijd al gestaan voor twee zaken, namelijk het teken die ons een beeld geven van de onzichtbare werkelijkheid. en de geestelijke werkelijkheid die ons worden gegeven met de afbeeldingen ervan. In toenmalige scholastieke termen. Christus is de substantie van de tekenen, en het effect is de verlossing, gerechtigheid, heiliging en het eeuwige leven en andere weldaden van Jezus. Ze hebben te maken met het geloof, maar Calvijn bedoelt absoluut niet dat Jezus alleen met het verstand aangenomen kan worden. Calvijn snapt niet hoe iemand dit überhaupt kan, of steun kan vinden in het kruis van verlossing, zonder eerst zijn steun te vinden in de gemeenschap met Christus zelf. Eerst met Hem verenigd zijn, daarna Zijn kracht ervaren.
Volgende week lezen we boek IV.17.12 - IV.17.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 28 oktober 2015
28-10; Boek IV.14.16 - IV.14.20
[16] Christus is de eigenlijke inhoud en betekenis van de Sacramenten. Ze ontlenen hun bestaan aan Hem, en hebben in zichzelf geen belofte of kunnen ook niet in zichzelf een oorzaak van gerechtigheid zijn, zoals Petrus Lombardus leert. Als we de Sacramenten met geloof aannemen, versterkt en vermeerdert het ons geloof en kunnen we Jezus nog meer aanvaarden. Desondanks kunnen goddelozen het Sacrament niet waardeloos maken als ze het ontvangen, de kracht of waarde van he Sacrament ligt niet in de persoon die het ontvangt, maar in de aanbieding van God. Je moet dus niet teveel aan het aardse teken blijven hangen, water, brood en wijn, maar aan de andere kant ook weer niet dingen daaraan gaan toekennen die Jezus Zelf toekomt.
[17] Sacramenten bieden, net als het Woord, Jezus met alle schatten van genade in Hem aan en leveren allebei iets op als ze in geloof worden aangenomen. We moeten ons door mooie uitspraken van kerkvaders niet laten verleiden om te denken dat er een soort verborgen kracht aan de Sacramenten is gekoppeld. De Sacramenten leveren ons iets op als de Heilige Geest ons hart opent. Sacramenten zijn van onze kant te zien als bodes met goed nieuws. Ze verwijzen naar God de Geest die de gaven meeneemt en ervoor zorg dat de bediening van de Sacramenten niet vruchteloos en tevergeefs is. Deze twee dingen zijn te onderscheiden. Zo staat alles in de juiste verhouding en komen we van het idee af dat de kracht van de Heilige Geest in de bestanddelen van de Sacramenten ligt opgesloten. God werkt door middel van de Sacramenten.
[18]Het woord sacrament wordt in het algemeen gebruikt voor een teken dat God heeft gegeven tot zekerheid of vertrouwen in de waarheid van Gods beloften. Je hebt natuurlijke tekens en wonderen als tekens. Natuurlijke tekens zijn de boom in het paradijs en de regenboog bij Noach. Door het Woord van God erbij zijn ze iets nieuws geworden, vergelijkbaar met een stuk zilver dat tot een munt wordt gevormd en daardoor nieuwe en meer waarde krijgt. Wondertekens zijn de vuuroven bij Abraham, het vachtje van Gideon en de zonnewijzer bij Hizkia.
[19] Nu wil Calvijn het hebben over de sacramenten die God aan de Kerk heeft gegeven als de gewone(volgens mij is een beter woord: gebruikelijke) middelen om gevoed te worden in geloof en dat geloof te belijden. God heeft de christenen verzameld in een zichtbaar teken, er kan moeilijk een godsdienst bestaan zonder zichtbaar teken. Nu is het teken van het christendom een ceremonie. Vanuit God is deze ceremonieën getuigenis van Zijn genade, van onze kant een belijdenis van onze trouw en gehoorzaamheid aan God. God wil door de Sacramenten in de eerste plaats Zijn volk voeden, opwekken en versterken, in de tweede plaats wil God door de Sacramenten Zijn volk bij de mensen getuigenis geven van hun geloof.
[20] In de verschillende tijden en bedelingen heeft God altijd Sacramenten gegeven, Aan Abraham de besnijdenis, aan het joodse volk de ceremoniën en offers. Deze zijn bij de komst van Christus vervangen door Doop en Avondmaal, Calvijn zou handoplegging door dienaren niet direct ontkennen als Sacrament, waar hij later op terug komt. Oude Sacramenten hadden hetzelfde doel, te wijzen op Christus, eerst als een voorafschaduwing, later als duidelijk getuigenis.
Morgen lezen we boek IV.14.21 - IV.14.26
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[17] Sacramenten bieden, net als het Woord, Jezus met alle schatten van genade in Hem aan en leveren allebei iets op als ze in geloof worden aangenomen. We moeten ons door mooie uitspraken van kerkvaders niet laten verleiden om te denken dat er een soort verborgen kracht aan de Sacramenten is gekoppeld. De Sacramenten leveren ons iets op als de Heilige Geest ons hart opent. Sacramenten zijn van onze kant te zien als bodes met goed nieuws. Ze verwijzen naar God de Geest die de gaven meeneemt en ervoor zorg dat de bediening van de Sacramenten niet vruchteloos en tevergeefs is. Deze twee dingen zijn te onderscheiden. Zo staat alles in de juiste verhouding en komen we van het idee af dat de kracht van de Heilige Geest in de bestanddelen van de Sacramenten ligt opgesloten. God werkt door middel van de Sacramenten.
[18]Het woord sacrament wordt in het algemeen gebruikt voor een teken dat God heeft gegeven tot zekerheid of vertrouwen in de waarheid van Gods beloften. Je hebt natuurlijke tekens en wonderen als tekens. Natuurlijke tekens zijn de boom in het paradijs en de regenboog bij Noach. Door het Woord van God erbij zijn ze iets nieuws geworden, vergelijkbaar met een stuk zilver dat tot een munt wordt gevormd en daardoor nieuwe en meer waarde krijgt. Wondertekens zijn de vuuroven bij Abraham, het vachtje van Gideon en de zonnewijzer bij Hizkia.
[19] Nu wil Calvijn het hebben over de sacramenten die God aan de Kerk heeft gegeven als de gewone(volgens mij is een beter woord: gebruikelijke) middelen om gevoed te worden in geloof en dat geloof te belijden. God heeft de christenen verzameld in een zichtbaar teken, er kan moeilijk een godsdienst bestaan zonder zichtbaar teken. Nu is het teken van het christendom een ceremonie. Vanuit God is deze ceremonieën getuigenis van Zijn genade, van onze kant een belijdenis van onze trouw en gehoorzaamheid aan God. God wil door de Sacramenten in de eerste plaats Zijn volk voeden, opwekken en versterken, in de tweede plaats wil God door de Sacramenten Zijn volk bij de mensen getuigenis geven van hun geloof.
[20] In de verschillende tijden en bedelingen heeft God altijd Sacramenten gegeven, Aan Abraham de besnijdenis, aan het joodse volk de ceremoniën en offers. Deze zijn bij de komst van Christus vervangen door Doop en Avondmaal, Calvijn zou handoplegging door dienaren niet direct ontkennen als Sacrament, waar hij later op terug komt. Oude Sacramenten hadden hetzelfde doel, te wijzen op Christus, eerst als een voorafschaduwing, later als duidelijk getuigenis.
Morgen lezen we boek IV.14.21 - IV.14.26
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 22 oktober 2015
22-10; Boek IV.13.4 - IV.13.10
[4] De laatste van de drie dingen waarop gelet moet worden met geloftes, is de gezindheid waarmee je een gelofte doet. Calvijn onderscheid twee soorten geloftes, die gaan over het verleden en die gaan over de toekomst. Deze hebben ook weer twee soorten onder zich. Allereerst die voor het verleden. Daarvoor heb je die van dankbetoon, zoals Jakob die God de tienden belooft als hij uit zijn ballingschap terugkeert. Dit kan vandaag de dag ook als God ons heeft gered van ernstige ziekte of ander gevaar. De ander is voor boetedoening. Bijvoorbeeld iemand die zondigt door gulzigheid en een gelofte aflegt om zich een tijd lang van lekkernijen te onthouden om zijn onmatigheid te straffen.
[5] Geloftes voor de toekomst maken ons voorzichtiger, maar sporen ons ook aan om onze plicht te doen. Dit kan dus bijvoorbeeld een sieraad niet dragen als je hierdoor verlokt wordt tot begeertes, maar ook een gelofte om godsdienstplichten, of met een mooier hedendaags woord, geloofspraktijken te onderhouden. Soms lijken deze geloftes op het opvoeden van en klein kind, maar onervaren en onvolmaakte mensen kunnen er veel aan hebben.
[6] In algemene zin doet iedere christen een gelofte bij de Doop die wordt bevestigd door kerkelijk onderricht en Avondmaal. Het is het afzweren van de duivel en God te volgen in plaats van onze eigen gedachtes. Niet dat iedereen zich hieraan kan houden, maar deze gelofte hoort bij het genadeverbond van God die daarmee ook vergeving van zonden en de Geest van heiliging geeft. Bij bijzondere geloften moet gelet worden op de drie zaken die Calvijn net heeft genoemd. Alleen moet men niet te vaak geloftes afleggen, dan zou het bijgeloof kunnen worden of gemakzucht. Ook moet je er wel een tijd bij afspreken, anders loop je kans om moeite of tegenzin te ondervinden.
[7] Calvijn ergert zich aan de eeuwenlange praktijk van zinloze, kinderachtige geloftes die mensen doen alsof het iets bijzonders is en een heilige zaak. Met de regels van Calvijn kan dit voorkomen worden en blijken die geloftes een zelfverzonnen godsdienst en God haat verzonden godsdienst.
[8] Calvijn wil niet uitgebreid de gekke geloftes behandelen, maar de kloostergeloftes vindt hij toch wel belangrijk genoeg om te behandelen. In zijn tijd werd het monnikdom verdedigd door het lange bestaan ervan. Maar vroeger was het kloosterwezen iets heel anders, er heerste spartaanse tucht en de mensen daar werden opgeleid tot een ambt in de Kerk. Een klooster was een voorbereiding op het bisschopsambt. Hiervoor haalt Calvijn Augustinus aan om het te bewijzen.
[9] Calvijn geeft een samenvatting van wat Augustinus schrijft ter verdediging van monniken tegen losbandige monniken en manicheeërs. Monniken leven samen en doen veel aan bidden, lezen en met elkaar praten onder leiding van een een man die veel kennis van theologie heet en vader genoemd wordt. Hier luisteren ze 's avonds na. Ze leven sober, eten niet te veel eten geen vlees en drinken geen wijn. De liefde staat centraal en ze dwingen elkaar tot niks.
[10] Calvijn wil de lezers de monniken van zijn dagen vergelijken met de weergave van Augustinus. Daarin is geen plaats voor onwrikbare eisen en vaste regels, alleen de liefde is het belangrijkste. Ook is monnikendom niet een nieuwe soort christendom, maar een voorbeeld voor de eenheid van de hele Kerk.
Volgende lezing is Boek IV.13.11 - IV.13.17
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[5] Geloftes voor de toekomst maken ons voorzichtiger, maar sporen ons ook aan om onze plicht te doen. Dit kan dus bijvoorbeeld een sieraad niet dragen als je hierdoor verlokt wordt tot begeertes, maar ook een gelofte om godsdienstplichten, of met een mooier hedendaags woord, geloofspraktijken te onderhouden. Soms lijken deze geloftes op het opvoeden van en klein kind, maar onervaren en onvolmaakte mensen kunnen er veel aan hebben.
[6] In algemene zin doet iedere christen een gelofte bij de Doop die wordt bevestigd door kerkelijk onderricht en Avondmaal. Het is het afzweren van de duivel en God te volgen in plaats van onze eigen gedachtes. Niet dat iedereen zich hieraan kan houden, maar deze gelofte hoort bij het genadeverbond van God die daarmee ook vergeving van zonden en de Geest van heiliging geeft. Bij bijzondere geloften moet gelet worden op de drie zaken die Calvijn net heeft genoemd. Alleen moet men niet te vaak geloftes afleggen, dan zou het bijgeloof kunnen worden of gemakzucht. Ook moet je er wel een tijd bij afspreken, anders loop je kans om moeite of tegenzin te ondervinden.
[7] Calvijn ergert zich aan de eeuwenlange praktijk van zinloze, kinderachtige geloftes die mensen doen alsof het iets bijzonders is en een heilige zaak. Met de regels van Calvijn kan dit voorkomen worden en blijken die geloftes een zelfverzonnen godsdienst en God haat verzonden godsdienst.
[8] Calvijn wil niet uitgebreid de gekke geloftes behandelen, maar de kloostergeloftes vindt hij toch wel belangrijk genoeg om te behandelen. In zijn tijd werd het monnikdom verdedigd door het lange bestaan ervan. Maar vroeger was het kloosterwezen iets heel anders, er heerste spartaanse tucht en de mensen daar werden opgeleid tot een ambt in de Kerk. Een klooster was een voorbereiding op het bisschopsambt. Hiervoor haalt Calvijn Augustinus aan om het te bewijzen.
[9] Calvijn geeft een samenvatting van wat Augustinus schrijft ter verdediging van monniken tegen losbandige monniken en manicheeërs. Monniken leven samen en doen veel aan bidden, lezen en met elkaar praten onder leiding van een een man die veel kennis van theologie heet en vader genoemd wordt. Hier luisteren ze 's avonds na. Ze leven sober, eten niet te veel eten geen vlees en drinken geen wijn. De liefde staat centraal en ze dwingen elkaar tot niks.
[10] Calvijn wil de lezers de monniken van zijn dagen vergelijken met de weergave van Augustinus. Daarin is geen plaats voor onwrikbare eisen en vaste regels, alleen de liefde is het belangrijkste. Ook is monnikendom niet een nieuwe soort christendom, maar een voorbeeld voor de eenheid van de hele Kerk.
Volgende lezing is Boek IV.13.11 - IV.13.17
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 30 september 2015
30-09; Boek IV.8.13 - IV.9.3
[13] De voorstanders van de Roomse kerk beweren dat de Kerk wordt bestuurd door Gods Geest en dat daarom alles wat ze ook maar zegt moet worden gezien als Gods uitspraken. De Kerk kan immers niet dwalen. Calvijn vindt ook dat de Kerk niet kan dwalen in zaken die nodig zijn voor onze zaligheid. MAar dan juist omdat ze afziet van eigen wijsheid en zich door het Woord en dus door de Geest hierin laat leiden. De Roomsen leggen het gezag buiten het Woord, de reformatoren leggen het gezag vast aan het Woord en willen niet dat het daarvan losgemaakt wordt. De Kerk moet niet meer willen weten dan Christus heeft gesproken, we moeten niet meer van de Heilige Geest verwachten dan dat Hij ons verstand verlicht om te begrijpen dat de leer van Jezus waarheid is. Met Chrysostomus wantrouwt Calvijn alles wat mensen naast het Evangelie stellen en onder de naam Geest schuiven. De Geest is met een onlosmaakbare band verbonden aan het Woord.
[14] De tegenstanders beroepen zich op dat de discipelen nog veel moesten leren van de Geest(!oh. 16:12). Daardoor moest de Schrift aangevuld worden. Alsof de discipelen nog steeds onnozel waren toen ze de leer op schrift stelden. Maar dan nog is het vervuld in de geschriften van de apostelen.
[15] Mensen moeten zich schikken naar de uitspraken van de Kerk voor zover deze overeen stemt met het Woord. Mensen mogen geen nieuwe leren erbij verzinnen, dat zou ook gevaarlijk zijn.
[16] Enkele voorbeelden om de Roomse praktijk te ondersteunen weerspreekt Calvijn. De kinderdoop is deels op het besluit van de Kerk, maar niet alleen, dat zou wel heel miserabel zijn.
Het eenswezen zijn met van de Zoon met de Vader staat niet letterlijk in de Bijbel, maar is wel bedoeld in de Bijbel zodat de leeruitspraak niet afhankelijk is van een uitspraak van het Concilie van Nicea. Het is ook gefundeerd in het Woord.
[1] Alles wat Calvijns tegenstanders over de Kerk zeggen wordt direct op concilies toegepast als vertegenwoordiging van de Kerk. Calvijn lijkt onbuigzaam om concilies te erkennen, maar dit ligt anders. Calvijn respecteert concilies, maar in zoverre ze worden voorgezeten door Christus in de beraadslaging door Woord en Geest. Ten tweede is Calvijn ervan overtuigd dat de concilies zijn zaak steunen, desondanks hij dus minder aan concilies hecht dan zijn tegenstanders.
[2] Desondanks het meer over kleinere bijeenkomsten gaat, ligt de Bijbelse basis voor concilies in Matth. 18:20(Waar twee of drie in Mijn naam bij elkaar zijn...). Het laat ook zien dat een concilie pas een concilie is als deze vergaderd in Christus' Naam. Mensen die buiten het woord om zelf dingen verzinnen zijn ongetwijfeld niet in Christus' Naam vergaderd en vallen niet onder de belofte, ze spannen tegen Christus samen. De tekst is dus een kenmerk voor een waar en een vals concilie.
[3] In de Bijbel wordt ook vaak gesproken dat de Kerk blind is en dingen niet ziet aankomen, zoals in Jesaja. Priesters en profeten spreken leugens, sterker nog, God verblindt soms priesters en profeten. Dit is voornamelijk te lezen in de profetische Bijbelboeken.
Morgen lezen we boek IV.9.4 - IV.9.11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[14] De tegenstanders beroepen zich op dat de discipelen nog veel moesten leren van de Geest(!oh. 16:12). Daardoor moest de Schrift aangevuld worden. Alsof de discipelen nog steeds onnozel waren toen ze de leer op schrift stelden. Maar dan nog is het vervuld in de geschriften van de apostelen.
[15] Mensen moeten zich schikken naar de uitspraken van de Kerk voor zover deze overeen stemt met het Woord. Mensen mogen geen nieuwe leren erbij verzinnen, dat zou ook gevaarlijk zijn.
[16] Enkele voorbeelden om de Roomse praktijk te ondersteunen weerspreekt Calvijn. De kinderdoop is deels op het besluit van de Kerk, maar niet alleen, dat zou wel heel miserabel zijn.
Het eenswezen zijn met van de Zoon met de Vader staat niet letterlijk in de Bijbel, maar is wel bedoeld in de Bijbel zodat de leeruitspraak niet afhankelijk is van een uitspraak van het Concilie van Nicea. Het is ook gefundeerd in het Woord.
[1] Alles wat Calvijns tegenstanders over de Kerk zeggen wordt direct op concilies toegepast als vertegenwoordiging van de Kerk. Calvijn lijkt onbuigzaam om concilies te erkennen, maar dit ligt anders. Calvijn respecteert concilies, maar in zoverre ze worden voorgezeten door Christus in de beraadslaging door Woord en Geest. Ten tweede is Calvijn ervan overtuigd dat de concilies zijn zaak steunen, desondanks hij dus minder aan concilies hecht dan zijn tegenstanders.
[2] Desondanks het meer over kleinere bijeenkomsten gaat, ligt de Bijbelse basis voor concilies in Matth. 18:20(Waar twee of drie in Mijn naam bij elkaar zijn...). Het laat ook zien dat een concilie pas een concilie is als deze vergaderd in Christus' Naam. Mensen die buiten het woord om zelf dingen verzinnen zijn ongetwijfeld niet in Christus' Naam vergaderd en vallen niet onder de belofte, ze spannen tegen Christus samen. De tekst is dus een kenmerk voor een waar en een vals concilie.
[3] In de Bijbel wordt ook vaak gesproken dat de Kerk blind is en dingen niet ziet aankomen, zoals in Jesaja. Priesters en profeten spreken leugens, sterker nog, God verblindt soms priesters en profeten. Dit is voornamelijk te lezen in de profetische Bijbelboeken.
Morgen lezen we boek IV.9.4 - IV.9.11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 9 september 2015
09-09; Boek IV.4.5 - IV.4.10
En dan nu over de diakenen.
[5] Diakenen zijn er geweest om het geld en de kerkelijke goederen te beheren en de armen te verzorgen, onder toezicht van de bisschop. Bisschoppen mochten ook niks financieels doen zonder medeweten van diaken en presbyter. Onderdiakenen zijn later toegevoegd als hulp, maar het onderscheid en tussen onder- en normale diaken is geleidelijk verdwenen. Aartsdiaken was de opzichthouder en waren eindverantwoordelijken. Ook mochten diakenen in de eredienst het Evangelie voorlezen, aansporen tot gebed en de beker aanreiken tijdens het Heilig Avondmaal. Dit om te laten zien dat het zeker wel een geestelijk ambt was.
[6] Vroeger was al duidelijk dat alles wat de Kerk aan land en geld heeft, geldt als vermogen van de armen. Er is altijd opgeroepen om zuiver met het geld om te gaan en de diakenen zonder aanzien van het persoon uit te delen onder de armen. Dit doen bijvoorbeeld Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus. Ambtsdragers leefden ook van het kerkelijke geld. Het was dan ook niet de bedoeling van ambtsdragers om luxe te leven in weelde. Er zijn presbyters die in vrijwillige armoede leefden door hun erfenis aan de Kerk te geven.
[7] Op een gegeven moment zijn er regels voor het verdelen van geld ingesteld. Het geld had vier doelen. Onderhouding van de geestelijken, van de armen, van de kerkelijke gebouwen en nog een vierde deel voor de armen die van elders kwamen en behoeftigen in de eigen stad. Onder het toezicht van een bisschop waarvan verwacht werd dat hij dit geld niet gebruikte als een leuk zakcentje, maar zelf ingetogen en sober leefde met voedsel en kleding.
[8] Kerk leefde altijd bescheiden. Tijdens een hongersnood in Jeruzalem heeft de bisschop Cyrillus zelfs vaatwerk en kleding van de kerk verkocht om voor de armen te kunnen zorgen. Zo ook verhalen over Ambrosius en een zekere Acatius en een Exuperius. Ambrosius heeft benadrukt dat alles wat de Kerk en bisschop bezit het vermogen van de armen is en daarom mag al het goud gebrukt worden om de armen te onderhouden.
[9] Bovenstaande zijn de ambten van de vroege Kerk. Andere diensten waren een soort voorbereidende diensten voor mensen. Er waren jongens die van jongs af aan geschoold werden om later een ambt goed te kunnen aanvaarden. Deze werden clerici genoemd. Calvijn is ongelukkig met de naam, maar ziet zo'n opleiding van jongs af aan wel zitten. Ze oefenden zo in het geestelijk leven. Eerst werden dit soort jongens aangesteld om deuren te open of te sluiten en heetten ze deurwachters(ostiarii), later werden ze volgelingen(acolieten) genoemd omdat ze altijd bij de bisschop waren en de Schriftlezing mochten doen en onderdiaken werden als oefening. Wat Calvijn hiermee wil aantonen is dat deze functies geen ambten waren, maar voorbereidende oefeningen.
[10] Net als de apostelen deden moeten we ook nu eerbiedig te werk gaan en gelovige vrome mensen tot het ambt kiezen. Op een gegeven moment werd er meer gevraagd dan Paulus de bisschop vraagt, zoals ongehuwd blijven. Wat verschilde tussen gemeentes onderling was de manier waarop de ambtsdragers aangesteld werden. Cyprianus laat in een brief zien dat hij zich grondig verontschuldigt voor het aanstellen van een lector zonder het medeweten van de gemeente. Praktische rompslomp zorgde dat voor kleinere functies de gemeente niet geraadpleegd hoefde te worden. Alle functies behalve bisschop werden door de bisschop en presbyters gekozen. Een presbyter voor een parochie werd wel door de gemeente gekozen.
Morgen lezen we boek IV.4.11 - IV.5.1
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[5] Diakenen zijn er geweest om het geld en de kerkelijke goederen te beheren en de armen te verzorgen, onder toezicht van de bisschop. Bisschoppen mochten ook niks financieels doen zonder medeweten van diaken en presbyter. Onderdiakenen zijn later toegevoegd als hulp, maar het onderscheid en tussen onder- en normale diaken is geleidelijk verdwenen. Aartsdiaken was de opzichthouder en waren eindverantwoordelijken. Ook mochten diakenen in de eredienst het Evangelie voorlezen, aansporen tot gebed en de beker aanreiken tijdens het Heilig Avondmaal. Dit om te laten zien dat het zeker wel een geestelijk ambt was.
[6] Vroeger was al duidelijk dat alles wat de Kerk aan land en geld heeft, geldt als vermogen van de armen. Er is altijd opgeroepen om zuiver met het geld om te gaan en de diakenen zonder aanzien van het persoon uit te delen onder de armen. Dit doen bijvoorbeeld Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus. Ambtsdragers leefden ook van het kerkelijke geld. Het was dan ook niet de bedoeling van ambtsdragers om luxe te leven in weelde. Er zijn presbyters die in vrijwillige armoede leefden door hun erfenis aan de Kerk te geven.
[7] Op een gegeven moment zijn er regels voor het verdelen van geld ingesteld. Het geld had vier doelen. Onderhouding van de geestelijken, van de armen, van de kerkelijke gebouwen en nog een vierde deel voor de armen die van elders kwamen en behoeftigen in de eigen stad. Onder het toezicht van een bisschop waarvan verwacht werd dat hij dit geld niet gebruikte als een leuk zakcentje, maar zelf ingetogen en sober leefde met voedsel en kleding.
[8] Kerk leefde altijd bescheiden. Tijdens een hongersnood in Jeruzalem heeft de bisschop Cyrillus zelfs vaatwerk en kleding van de kerk verkocht om voor de armen te kunnen zorgen. Zo ook verhalen over Ambrosius en een zekere Acatius en een Exuperius. Ambrosius heeft benadrukt dat alles wat de Kerk en bisschop bezit het vermogen van de armen is en daarom mag al het goud gebrukt worden om de armen te onderhouden.
[9] Bovenstaande zijn de ambten van de vroege Kerk. Andere diensten waren een soort voorbereidende diensten voor mensen. Er waren jongens die van jongs af aan geschoold werden om later een ambt goed te kunnen aanvaarden. Deze werden clerici genoemd. Calvijn is ongelukkig met de naam, maar ziet zo'n opleiding van jongs af aan wel zitten. Ze oefenden zo in het geestelijk leven. Eerst werden dit soort jongens aangesteld om deuren te open of te sluiten en heetten ze deurwachters(ostiarii), later werden ze volgelingen(acolieten) genoemd omdat ze altijd bij de bisschop waren en de Schriftlezing mochten doen en onderdiaken werden als oefening. Wat Calvijn hiermee wil aantonen is dat deze functies geen ambten waren, maar voorbereidende oefeningen.
[10] Net als de apostelen deden moeten we ook nu eerbiedig te werk gaan en gelovige vrome mensen tot het ambt kiezen. Op een gegeven moment werd er meer gevraagd dan Paulus de bisschop vraagt, zoals ongehuwd blijven. Wat verschilde tussen gemeentes onderling was de manier waarop de ambtsdragers aangesteld werden. Cyprianus laat in een brief zien dat hij zich grondig verontschuldigt voor het aanstellen van een lector zonder het medeweten van de gemeente. Praktische rompslomp zorgde dat voor kleinere functies de gemeente niet geraadpleegd hoefde te worden. Alle functies behalve bisschop werden door de bisschop en presbyters gekozen. Een presbyter voor een parochie werd wel door de gemeente gekozen.
Morgen lezen we boek IV.4.11 - IV.5.1
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 19 augustus 2015
19-08; Boek III.24.12 - III.24.17
Hoe zit het met de verharding? Calvijn wijdt er een paar paragrafen aan.
[12] God heeft dus sommige mensen geschapen tot de ondergang om werktuigen van Zijn toorn te zijn en toonbeelden van Zijn strengheid. Deze verworpenen krijgen soms geen prediking, en als ze wel prediking krijgen worden ze blinder en dwazer. Het eerste is te zien in de vierduizend jaar voordat Jezus kwam, er was geen Evangelie, maar de mensen daarna verdienden net zo min het Evangelie als de mensen ervoor, aldus Maleachi. De reden hiervoor is diep verscholen in Gods geheime raad. Het tweede is te bewijzen aan de ervaring van vandaag de dag en in de Bijbel, waarin duidelijk staat dat niet iedereen het Evangelie aanneemt.
[13] God verkiest sommigen dus en gaat aan anderen voorbij, er is, met Augustinus, niks anders op te zegen dat dit gods wil is en dat God wilt wat Hij wilt. Chrysostomus legt dan weer teveel de nadruk op de beslissing van de mens, terwijl in de Bijbel bijvoorbeeld staat dat Lydia God vreesde, maar toch door God haar hart geopend kreeg voor de leer van Paulus. Evenzo staat in de bijbel dat God Zijn Woord stuurt naar mensen om hen te verharden, zoals de Farao. God geeft Zijn onderwijs soms om te verdwazen.
[14] Waarom verharden sommige mensen hun hart? Wat is de reden? Er zijn er die zeggen dat de mensen dit hebben verdiend(zoals Erasmus blijkbaar), maar dat is nog niet de diepste reden. De diepste reden ligt eraan dat de mensen gemaakt zijn om de Naam van God over de aarde bekend te maken. Hun verdoemenis draagt bij aan de eer van God. Het is duidelijk dat halsstarrigen niet verontschuldigt worden als de aanneming van de genade alleen kan door de Heilige Geest. Mensen klagen om deze leer en zeggen dat God Zijn macht misbruikt. Maar de gelovigen weten dat er niemand is die het oordeel kan doorstaan en dat er dus niemand onschuldig is.
[15] Er zijn Bijbelteksten die het tegenovergestelde van deze leer lijken te zeggen.
Ezechiel 33:1, God wil niet de dood van de zondaar. Deze tekst gaat zo tegen de ervaring in, dat de conclusie wel moet zijn dat de tekst geen recht wordt gedaan als men de wil uit deze tekst opvat als tegenovergesteld aan Gods eeuwige raad. De profeet spreekt hier hoop op vergeving te wekken bij de mensen die zich bekeren. Gods barmhartigheid komt altijd de boetvaardigheid tegemoet, en wie boetvaardig is hoeven niet bang te zijn dat God hun dood in de zin heeft. De goddelozen worden dubbel gestraft omdat ze geen gehoor geven aan Gods vriendelijkheid.
[16] 1 Tim 2:3-4; God wil dat alle mensen zalig worden. Deze tekst moet vooral uit de contekst zijn betekenis krijgen. anders moet de vraag beantwoord worden waarom God zoveel volken en mensen niet het Evangelie heeft gegeven. Alle mensen slaat niet op de getalsmatige som van alle mensen, maar op alle soorten mensen. Er is geen categorie mensen uitgesloten. God ontfermt Zich over wie Hij Zich wil ontfermen. Het gaat niet om afzonderlijke mensen, maar om alle mensen.
[17] Sommige mensen halen hieruit dat Gods beloften in strijd zijn met Zijn eeuwig raad en dus minder betrouwbaar. Zeker niet, maar de belofte moet wel in geloof aangenomen worden. God belooft alles aan diegene die gelooft, en die gelooft gelooft omdat hij gepredestineerd is. De goddelozen wijzen de belofte af. Het is inderdaad niet goed om God twee willen toe te schrijven, maar twee willen zijn alleen het resultaat van slechte exegese.
Morgen lezen we boek III.25.1 - III.25.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[12] God heeft dus sommige mensen geschapen tot de ondergang om werktuigen van Zijn toorn te zijn en toonbeelden van Zijn strengheid. Deze verworpenen krijgen soms geen prediking, en als ze wel prediking krijgen worden ze blinder en dwazer. Het eerste is te zien in de vierduizend jaar voordat Jezus kwam, er was geen Evangelie, maar de mensen daarna verdienden net zo min het Evangelie als de mensen ervoor, aldus Maleachi. De reden hiervoor is diep verscholen in Gods geheime raad. Het tweede is te bewijzen aan de ervaring van vandaag de dag en in de Bijbel, waarin duidelijk staat dat niet iedereen het Evangelie aanneemt.
[13] God verkiest sommigen dus en gaat aan anderen voorbij, er is, met Augustinus, niks anders op te zegen dat dit gods wil is en dat God wilt wat Hij wilt. Chrysostomus legt dan weer teveel de nadruk op de beslissing van de mens, terwijl in de Bijbel bijvoorbeeld staat dat Lydia God vreesde, maar toch door God haar hart geopend kreeg voor de leer van Paulus. Evenzo staat in de bijbel dat God Zijn Woord stuurt naar mensen om hen te verharden, zoals de Farao. God geeft Zijn onderwijs soms om te verdwazen.
[14] Waarom verharden sommige mensen hun hart? Wat is de reden? Er zijn er die zeggen dat de mensen dit hebben verdiend(zoals Erasmus blijkbaar), maar dat is nog niet de diepste reden. De diepste reden ligt eraan dat de mensen gemaakt zijn om de Naam van God over de aarde bekend te maken. Hun verdoemenis draagt bij aan de eer van God. Het is duidelijk dat halsstarrigen niet verontschuldigt worden als de aanneming van de genade alleen kan door de Heilige Geest. Mensen klagen om deze leer en zeggen dat God Zijn macht misbruikt. Maar de gelovigen weten dat er niemand is die het oordeel kan doorstaan en dat er dus niemand onschuldig is.
[15] Er zijn Bijbelteksten die het tegenovergestelde van deze leer lijken te zeggen.
Ezechiel 33:1, God wil niet de dood van de zondaar. Deze tekst gaat zo tegen de ervaring in, dat de conclusie wel moet zijn dat de tekst geen recht wordt gedaan als men de wil uit deze tekst opvat als tegenovergesteld aan Gods eeuwige raad. De profeet spreekt hier hoop op vergeving te wekken bij de mensen die zich bekeren. Gods barmhartigheid komt altijd de boetvaardigheid tegemoet, en wie boetvaardig is hoeven niet bang te zijn dat God hun dood in de zin heeft. De goddelozen worden dubbel gestraft omdat ze geen gehoor geven aan Gods vriendelijkheid.
[16] 1 Tim 2:3-4; God wil dat alle mensen zalig worden. Deze tekst moet vooral uit de contekst zijn betekenis krijgen. anders moet de vraag beantwoord worden waarom God zoveel volken en mensen niet het Evangelie heeft gegeven. Alle mensen slaat niet op de getalsmatige som van alle mensen, maar op alle soorten mensen. Er is geen categorie mensen uitgesloten. God ontfermt Zich over wie Hij Zich wil ontfermen. Het gaat niet om afzonderlijke mensen, maar om alle mensen.
[17] Sommige mensen halen hieruit dat Gods beloften in strijd zijn met Zijn eeuwig raad en dus minder betrouwbaar. Zeker niet, maar de belofte moet wel in geloof aangenomen worden. God belooft alles aan diegene die gelooft, en die gelooft gelooft omdat hij gepredestineerd is. De goddelozen wijzen de belofte af. Het is inderdaad niet goed om God twee willen toe te schrijven, maar twee willen zijn alleen het resultaat van slechte exegese.
Morgen lezen we boek III.25.1 - III.25.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 8 juli 2015
08-07; Boek III.16.1 - III.16.4
[1] Calvijn weerlegt enkele lastsprekers die op de leer gereageerd hebben. Er zijn mensen die zeggen dat Calvijn de goede werken afschaft en mensen niet meer hiertoe aanspoort door de nadruk te leggen op rechtvaardiging door geloof. Ze zijn treurig als er meer geloof is en minder werken. Maar Calvijn stelt dat werken juist het geloof versterken, slechts de rechtvaardiging is uit geloof en niet uit werken. We kunnen de rechtaardiging van Christus ons niet toeeigenen zonder de heiligmaking toe te eigenen(vgl. 1 Kor. 1:30).
[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.
[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.
[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?
Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.
Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.
[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.
[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?
Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.
Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 6 juli 2015
06-06; Boek III.14.19 - III.15.3
Week 27 van Lectio Calvini. Misschien moet ik van de week maar eens gaan vooruit lezen en het posten automatiseren om echt vakantie te vieren, als dat nodig is.
Eerst verder wat Calvijn zegt. [19] Heiligen kunnen uit hun geweten troost putten en blijdschap halen, omdat het reine geweten een vrucht is van de roeping. Ze weten dat er nog veel vlees mee vermengd is, maar ze hebben eerst de goedheid van God omarmt, en vinden zo de mogelijkheid om Gods bijstand in moeilijke omstandigheden te verwachten. Het is ook een verkondiging van Gods weldaden, ze gaan niet de genade van God hierin voorbij, maar doordenken hoeveel liefde hier wel niet in zit.
[20] Gelovigen zien hun werken(naast een teken van hun uitverkiezing) als een gave van God en afhankelijk van de gerechtigheid in Christus. Ook Augustinus leerde dit. Het gelovig hart vraagt God om Zijn werk in de mens te zien, niet het werk van de mens zelf.
[21] Als er in de Bijbel staat dat God de werken van de gelovigen aanneemt, moet men dat volgens Calvijn op de volgende manier lezen. Het doel wordt in het spreken als oorzaak genoemd. Het is niet het oorzakelijke verband. God geeft het eeuwige leven door middel van goede werken. Genade volgt op genade, eerst geeft God werken en aan die genade knoopt God als het ware de genade van het eeuwig leven aan vast.
[1] Het bovenstaande is als volgt samen te vatten; gerechtigheid moet op de gemeenschap met Christus(geloof) berusten of het kan niet voor Gods aangezicht bestaan als het op eigen werken steunt. In alle verwarrende gesprekken moet hieraan vastgehouden worden. En dat rechtvaardigheid uit werken volkomen en absolute onderhouding van de hele Wet is. Een andere vraag is of dde onvolkomen werken niet uit genade aangenomen worden.
[2] Calvijn is niet echt blij met diegene die het woord 'verdienste' als eerste heeft gebruikt in de theologie. Hij is sowieso geen fan buitenbijbelse woorden, zoals hij al aangaf in de discussie over de Drieëenheid. Ook hebben de kerkvaders blijkbaar aanleiding gegeven om het mis te verstaan. Augustinus, Chrysostomus en Bernardus houden vast aan de waarheid, maar Calvijn laat zien dat vooral de laatste van de drie de waarheid van zijn scherpte ontneemt.
[3] De bijbel leert dat onze werken vol ongerechtigheid zijn en dat de volkomen onderhouding van de Wet een schuldige plicht is in plaats van een beloning waardig. Maar aan de andere kant geeft God ons ook goede werken die Hij zal belonen. Desondanks is het pure ondankbaarheid om de eer hiervoor te verdelen in plaats van God alle eer hiervoor te geven. God geeft goede gaven die Hij beloont. Maar het is niet zo dat we hierop kunnen pochen, als een vrijgekochte slaaf die zich presenteert als een vrijgeborene.
Morgen lezen we boek III.15.4 - III.15.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Eerst verder wat Calvijn zegt. [19] Heiligen kunnen uit hun geweten troost putten en blijdschap halen, omdat het reine geweten een vrucht is van de roeping. Ze weten dat er nog veel vlees mee vermengd is, maar ze hebben eerst de goedheid van God omarmt, en vinden zo de mogelijkheid om Gods bijstand in moeilijke omstandigheden te verwachten. Het is ook een verkondiging van Gods weldaden, ze gaan niet de genade van God hierin voorbij, maar doordenken hoeveel liefde hier wel niet in zit.
[20] Gelovigen zien hun werken(naast een teken van hun uitverkiezing) als een gave van God en afhankelijk van de gerechtigheid in Christus. Ook Augustinus leerde dit. Het gelovig hart vraagt God om Zijn werk in de mens te zien, niet het werk van de mens zelf.
[21] Als er in de Bijbel staat dat God de werken van de gelovigen aanneemt, moet men dat volgens Calvijn op de volgende manier lezen. Het doel wordt in het spreken als oorzaak genoemd. Het is niet het oorzakelijke verband. God geeft het eeuwige leven door middel van goede werken. Genade volgt op genade, eerst geeft God werken en aan die genade knoopt God als het ware de genade van het eeuwig leven aan vast.
[1] Het bovenstaande is als volgt samen te vatten; gerechtigheid moet op de gemeenschap met Christus(geloof) berusten of het kan niet voor Gods aangezicht bestaan als het op eigen werken steunt. In alle verwarrende gesprekken moet hieraan vastgehouden worden. En dat rechtvaardigheid uit werken volkomen en absolute onderhouding van de hele Wet is. Een andere vraag is of dde onvolkomen werken niet uit genade aangenomen worden.
[2] Calvijn is niet echt blij met diegene die het woord 'verdienste' als eerste heeft gebruikt in de theologie. Hij is sowieso geen fan buitenbijbelse woorden, zoals hij al aangaf in de discussie over de Drieëenheid. Ook hebben de kerkvaders blijkbaar aanleiding gegeven om het mis te verstaan. Augustinus, Chrysostomus en Bernardus houden vast aan de waarheid, maar Calvijn laat zien dat vooral de laatste van de drie de waarheid van zijn scherpte ontneemt.
[3] De bijbel leert dat onze werken vol ongerechtigheid zijn en dat de volkomen onderhouding van de Wet een schuldige plicht is in plaats van een beloning waardig. Maar aan de andere kant geeft God ons ook goede werken die Hij zal belonen. Desondanks is het pure ondankbaarheid om de eer hiervoor te verdelen in plaats van God alle eer hiervoor te geven. God geeft goede gaven die Hij beloont. Maar het is niet zo dat we hierop kunnen pochen, als een vrijgekochte slaaf die zich presenteert als een vrijgeborene.
Morgen lezen we boek III.15.4 - III.15.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 2 juli 2015
02-07;Boek III.14.12 - III.14.18
De laatste lezing van deze week, het Amerikaanse rooster houdt ergens deze week blijkbaar Independence Day(Ik moet altijd denken aan die film over de buitenlandse invasie).
In dit gedeelte gaat Calvijn in discussie met de scholastici. [12] Hun uitvlucht is dat hun werken niet genoeg intrinsieke waarde hebben. Deze werken worden desondanks aanvaard uit genade, bovendien kunnen de verdere zonden altijd gecompenseerd worden met werken die boven de Wet uitgaan. Maar die aanvaarding uit genade is volgens Calvijn niets anders dan de genadige goedheid waarmee God ons in Christus omhelst en ons daarin voor heilig, rein en onschuldig houdt. door het geloof hebben we blijvende vergeving van zonde.
[13] God heeft een belofte en een vloek aan de Wet gehangen, en daarmee een partiële gerechtigheid uitgesloten. De onderhouding zou leven geven en een overtreding is de hele Wet overtreden. Ook maakt God duidelijk dat er geen gerechtigheid op grond van werken bestaat buiten de volmaakte onderhouding van Zijn Wet. De werken boven de Wet kunnen gewoonweg niet bestaan. De scholastici beseffen niet hoe diep de zonde zit. Vijanden van god kunnen Hem niets geven wat Hij kan en wil accepteren, en ieder die Hij de zonden toerekent is Zijn vijand.
[14] Op basis van Lukas 17:10 moeten we niet denken dat we God geen gunst bewijzen door te doen wat we moeten doen, maar dat we doen wat we behoren te doen. Zelfs al zouden dit alle goede werken van de hele mensheid samen zijn. We kunnen ons er niet op beroemen er een schepje boven op te doen, de dienst aan God kent geen 'mag-het-een-onsje-meer-zijn. Er kan ook niets verzonnen worden wat niet in de Wet te vinden is, dus roemen op eigen wil is zinloos.
[15] Sommige mensen bewijzen bovenstaand punt met Paulus' afstand nemen tot zijn recht, maar vergeten dat dit gebeurde om de zwakken geen aanstoot te geven(1 Kor. 9). In die zin deed Paulus niets verdienstelijks, maar wat nodig was en wat hij schuldig was te doen. Ook wat werken boven de Wet zouden zijn is wat God niet heeft bevolen, niet goedkeurt en ook niet aanvaarden zal. De OT-profeten hebben het vaker over dit soort werken.
[16] Dus geen vertrouwen stellen in werken en ook niet lopen te pochen met werken. Ons werk stinkt en het is alleen om Christus' wil dat ze aanvaard worden. Ook Job wil niet tegen Gods rechtvaardigheid ruziën, maar ziet ook zijn rechtvaardigheid voor God geen standhouden.
[17] Ook de aristoteliaanse causaliteitsleer(https://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles#Kosmologie_.2F_ontologie, derde meest linkse bullet) van de filosofen laat voor de mens geen bijdrage van de mens zien. De werkoorzaak(causa efficiens)
van het eeuwig leven is de barmhartigheid en liefde van God, de materiële oorzaak(causa materialis) is Christus en Zijn gehoorzaamheid, de formele oorzaak(causa formalis) is het geloof. Deze zijn terug te vinden in Johannes 3:16. De doeloorzaak(causa finalis) is volgens Paulus de betoning van Gods gerechtigheid en de lof op Gods goedheid. Er zit nog een rits van de vier oorzaken in Rom. 3:24-26. We zien dus dat de zaligheid tot in de kleinste details buiten ons ligt.
[18] Desondanks kunnen de heiligen wel spreken over hun onschuld en zuiverheid. Dit kan in vergelijking van hun goede zaak met de slechte zaak van de goddelozen. Of door niet te vergelijken, maar de reinheid van het geweten tot troost e vertrouwen aangrijpen. Dit is niet rusten in werken, maar zien op Gods goedheid, niet alleen als begin van hun zaligheid, maar ook als de vervulling daarvan. Calvijn is er niet op tegen om de tekenen van God in het leven te gebruiken als ondersteuning van het geloof.
Volgende week lezen we boek III.14.19 - III.15.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
In dit gedeelte gaat Calvijn in discussie met de scholastici. [12] Hun uitvlucht is dat hun werken niet genoeg intrinsieke waarde hebben. Deze werken worden desondanks aanvaard uit genade, bovendien kunnen de verdere zonden altijd gecompenseerd worden met werken die boven de Wet uitgaan. Maar die aanvaarding uit genade is volgens Calvijn niets anders dan de genadige goedheid waarmee God ons in Christus omhelst en ons daarin voor heilig, rein en onschuldig houdt. door het geloof hebben we blijvende vergeving van zonde.
[13] God heeft een belofte en een vloek aan de Wet gehangen, en daarmee een partiële gerechtigheid uitgesloten. De onderhouding zou leven geven en een overtreding is de hele Wet overtreden. Ook maakt God duidelijk dat er geen gerechtigheid op grond van werken bestaat buiten de volmaakte onderhouding van Zijn Wet. De werken boven de Wet kunnen gewoonweg niet bestaan. De scholastici beseffen niet hoe diep de zonde zit. Vijanden van god kunnen Hem niets geven wat Hij kan en wil accepteren, en ieder die Hij de zonden toerekent is Zijn vijand.
[14] Op basis van Lukas 17:10 moeten we niet denken dat we God geen gunst bewijzen door te doen wat we moeten doen, maar dat we doen wat we behoren te doen. Zelfs al zouden dit alle goede werken van de hele mensheid samen zijn. We kunnen ons er niet op beroemen er een schepje boven op te doen, de dienst aan God kent geen 'mag-het-een-onsje-meer-zijn. Er kan ook niets verzonnen worden wat niet in de Wet te vinden is, dus roemen op eigen wil is zinloos.
[15] Sommige mensen bewijzen bovenstaand punt met Paulus' afstand nemen tot zijn recht, maar vergeten dat dit gebeurde om de zwakken geen aanstoot te geven(1 Kor. 9). In die zin deed Paulus niets verdienstelijks, maar wat nodig was en wat hij schuldig was te doen. Ook wat werken boven de Wet zouden zijn is wat God niet heeft bevolen, niet goedkeurt en ook niet aanvaarden zal. De OT-profeten hebben het vaker over dit soort werken.
[16] Dus geen vertrouwen stellen in werken en ook niet lopen te pochen met werken. Ons werk stinkt en het is alleen om Christus' wil dat ze aanvaard worden. Ook Job wil niet tegen Gods rechtvaardigheid ruziën, maar ziet ook zijn rechtvaardigheid voor God geen standhouden.
[17] Ook de aristoteliaanse causaliteitsleer(https://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles#Kosmologie_.2F_ontologie, derde meest linkse bullet) van de filosofen laat voor de mens geen bijdrage van de mens zien. De werkoorzaak(causa efficiens)
van het eeuwig leven is de barmhartigheid en liefde van God, de materiële oorzaak(causa materialis) is Christus en Zijn gehoorzaamheid, de formele oorzaak(causa formalis) is het geloof. Deze zijn terug te vinden in Johannes 3:16. De doeloorzaak(causa finalis) is volgens Paulus de betoning van Gods gerechtigheid en de lof op Gods goedheid. Er zit nog een rits van de vier oorzaken in Rom. 3:24-26. We zien dus dat de zaligheid tot in de kleinste details buiten ons ligt.
[18] Desondanks kunnen de heiligen wel spreken over hun onschuld en zuiverheid. Dit kan in vergelijking van hun goede zaak met de slechte zaak van de goddelozen. Of door niet te vergelijken, maar de reinheid van het geweten tot troost e vertrouwen aangrijpen. Dit is niet rusten in werken, maar zien op Gods goedheid, niet alleen als begin van hun zaligheid, maar ook als de vervulling daarvan. Calvijn is er niet op tegen om de tekenen van God in het leven te gebruiken als ondersteuning van het geloof.
Volgende week lezen we boek III.14.19 - III.15.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 10 juni 2015
10-06; Boek III.5.9 - III.6.1
Gisteravond was er een Corpsvergadering van FQI, daarom nu de lectio van vandaag.
Terug naar het vagevuur![9] 1 Korinthe 3:12. Maar deze tekst heeft het over een beproeving of kruisdragen voor alle gelovigen, i.t.t het vagevuur. De gedachte van mensen worden hier hout, hooi en stoppels genoemd dat verbrand wordt door het werk van de Geest, de metafoor slaat op verzinsels in minder belangrijke zaken.
[10Je lijdt dus schade als je iets hebt gebouwd, wat niet bij het fundament past. Paulus uitleg veegt ook het argument van tafel dat de kerk dit altijd heeft geloofd, dat geldt dus niet voor de apostolische kerk. Er wordt niet gebeden naar doden in de Schrift, ook niet bij uitvoerige beschrijvingen van begrafenissen. Wat je wel zou verwachten als het zo'n belangrijke zaak is. Ook de kerkleraars die de gebeden uitspraken missen een concrete opdracht en voorbeeld in de Bijbel. Calvijn noemt het lichtgelovigheid en kopiëren wat alle heidense godsdiensten ook doen, waarschijnlijk om het leed van verlies te verzachten. Gelovigen rusten na hun dood, en doen dus geen voorbede.
Nu volgt een hoofdstuk waarin Gods gerechtigheid de aanleiding is om ons als Gods kinderen gehoorzaamheid te laten zien, hoe we moeten leven. [1] Hier is al veel over geschreven. Calvijn wil geen uitgebreid vertoog, maar een korte regel. Want hij houdt van kort en bondig. NEt als de filosofische systemen kent de Bijbel ook een afbakening van wat goed en eerbaar is, alleen niet systematisch omdat de Geest niet wordt gedreven door eerzucht, in tegenstelling tot de streberige filosofen.
Morgen lezen we boek III.6.2 - III.7.2
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Terug naar het vagevuur![9] 1 Korinthe 3:12. Maar deze tekst heeft het over een beproeving of kruisdragen voor alle gelovigen, i.t.t het vagevuur. De gedachte van mensen worden hier hout, hooi en stoppels genoemd dat verbrand wordt door het werk van de Geest, de metafoor slaat op verzinsels in minder belangrijke zaken.
[10Je lijdt dus schade als je iets hebt gebouwd, wat niet bij het fundament past. Paulus uitleg veegt ook het argument van tafel dat de kerk dit altijd heeft geloofd, dat geldt dus niet voor de apostolische kerk. Er wordt niet gebeden naar doden in de Schrift, ook niet bij uitvoerige beschrijvingen van begrafenissen. Wat je wel zou verwachten als het zo'n belangrijke zaak is. Ook de kerkleraars die de gebeden uitspraken missen een concrete opdracht en voorbeeld in de Bijbel. Calvijn noemt het lichtgelovigheid en kopiëren wat alle heidense godsdiensten ook doen, waarschijnlijk om het leed van verlies te verzachten. Gelovigen rusten na hun dood, en doen dus geen voorbede.
Nu volgt een hoofdstuk waarin Gods gerechtigheid de aanleiding is om ons als Gods kinderen gehoorzaamheid te laten zien, hoe we moeten leven. [1] Hier is al veel over geschreven. Calvijn wil geen uitgebreid vertoog, maar een korte regel. Want hij houdt van kort en bondig. NEt als de filosofische systemen kent de Bijbel ook een afbakening van wat goed en eerbaar is, alleen niet systematisch omdat de Geest niet wordt gedreven door eerzucht, in tegenstelling tot de streberige filosofen.
Morgen lezen we boek III.6.2 - III.7.2
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 8 juni 2015
08-06; Boek III.4.36 - III.5.2
De 23ste week van Lectio Calvini.
Vorige week waren we gestopt bij waar Calvijn de boetedoening, straf en tuchtiging behandelde. Nu over de genoegdoening. [36]Als God het heeft over goede daden, zoals bij NEbukadnezar en in de Spreuken(10:12), gaat het niet om goede daden naar God toe, maar om zich met mensen te verzoenen. De liefde bedekt de zonde door andermans zonde te verdragen en te vermanen, dan er volop tegenin te gaan en ze te verergeren. Het gaat niet om de oorzaak van vergeving, maar om de manier van bekering, een reiniging van binnen- en buitenkant, een omwenteling in hart en daden.
[37]De vrouw uit Lucas 7 bewijst dit ook, Jezus zegt dat haar zonde vergeven zijn door middel van de gelijkenis. Ze verdient het niet, maar huilt en toont liefde in antwoord op de vergeving.
[38]Zoals Calvijn laat zien kunnen de roomse 'genoegdoeningsdrijvers' zich niet beroepen op in ieder geval Augustinus en Chrysostomus. [39]Genoegdoening werd bij hen niet behandeld als vergelding, maar als openbare schuldbelijdenis om weer in de gemeente opgenomen te worden. Dit is verhapselt in het allegaartje van onkritisch kerkvader gebruik door Lombardus. We moeten wat dit betreft Calvijn geloven, hij gaat alleen in op zaken waar de lezer iets aan heeft.
Nieuw hoofdstuk over de aflaten en het vagevuur. [1]Aflaten zijn compensaties voor het gebrek aan menselijk vermogen. Het is een eeuwenoude instelling dat zich alleen maar laat zien als middel om door te gaan met zondigen. [2] Ze worden gehaald uit de verdiensten van Christus, apostelen en martelaren als uit een schatkamer in beheer van de Paus. Dit zou suggereren dat het bloed van Christus niet genoeg is, in tegenstelling tot het heldere getuigenis van de Bijbel.
Morgen lezen we boek III.5.3 - III.5.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Vorige week waren we gestopt bij waar Calvijn de boetedoening, straf en tuchtiging behandelde. Nu over de genoegdoening. [36]Als God het heeft over goede daden, zoals bij NEbukadnezar en in de Spreuken(10:12), gaat het niet om goede daden naar God toe, maar om zich met mensen te verzoenen. De liefde bedekt de zonde door andermans zonde te verdragen en te vermanen, dan er volop tegenin te gaan en ze te verergeren. Het gaat niet om de oorzaak van vergeving, maar om de manier van bekering, een reiniging van binnen- en buitenkant, een omwenteling in hart en daden.
[37]De vrouw uit Lucas 7 bewijst dit ook, Jezus zegt dat haar zonde vergeven zijn door middel van de gelijkenis. Ze verdient het niet, maar huilt en toont liefde in antwoord op de vergeving.
[38]Zoals Calvijn laat zien kunnen de roomse 'genoegdoeningsdrijvers' zich niet beroepen op in ieder geval Augustinus en Chrysostomus. [39]Genoegdoening werd bij hen niet behandeld als vergelding, maar als openbare schuldbelijdenis om weer in de gemeente opgenomen te worden. Dit is verhapselt in het allegaartje van onkritisch kerkvader gebruik door Lombardus. We moeten wat dit betreft Calvijn geloven, hij gaat alleen in op zaken waar de lezer iets aan heeft.
Nieuw hoofdstuk over de aflaten en het vagevuur. [1]Aflaten zijn compensaties voor het gebrek aan menselijk vermogen. Het is een eeuwenoude instelling dat zich alleen maar laat zien als middel om door te gaan met zondigen. [2] Ze worden gehaald uit de verdiensten van Christus, apostelen en martelaren als uit een schatkamer in beheer van de Paus. Dit zou suggereren dat het bloed van Christus niet genoeg is, in tegenstelling tot het heldere getuigenis van de Bijbel.
Morgen lezen we boek III.5.3 - III.5.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
zaterdag 6 juni 2015
05-06; Boek III.4.32 - III.4.35
Een dagje later, ik was gister op een conferentie vanaf verschrikkelijk vroeg. Misschien is dit onderdeel ook wel een van de moeilijkere gedeeltes in het calvinisme; de straffende God. Dit godsbeeld gaat in tegen het godsbeeld dat veel mensen hebben, het Moralistic Therapeutic Deism(https://en.wikipedia.org/wiki/Moralistic_therapeutic_deism) of het roept nare ervaringen of onbeantwoorde vragen over het levensloop bij jezelf of andere op. Maar ik denk dat Calvijn toch de moeite waar is om door te lezen.
We gaan weer verder met het onderscheid tussen straf en tuchtiging. [32] Calvijn noemt kastijding zelfs een zegen. De straf van de torn daarentegen wordt het voorportaal van de hel in dit leven genoemd. De Bijbelse personen hebben vaak gebeden om bewaard te worden van de toorn maar niet om de kastijding/tuchtiging af te houden. Er ligt zelfs vermindering van smarten in het overdenken van Gods bedoeling, aldus Habakuk. God slaat namelijk soms zo dat mensen zich niet ver van de hel verwijderd voelen, God zegt dat mensen Zijn toorn hebben verdiend en mensen beijveren zich om met God in het reine te komen. En toch is God mild en matig in het kastijden. Dat is ook wel nodig, Calvijn zegt dat mensen die zich toeleggen op de beoefening van vroomheid ook een stuk teerder in hun gemoed worden.
Een tweede verschil[33], de straf is een betaling van de zonden, de tuchtiging is gericht op bekering. Je zou kunnen zeggen dat de straf is gericht op het verleden van een persoon en de tuchtiging op de toekomst. Dit is al bekend bij Augustinus en (Pseudo-)Chrysostomus, niets nieuws wat Calvijn ten berde brengt. God laat Zich ook vaak zien als verontwaardigd als Zijn volk zich niet bekeerd. Wat ook een aspect hierin is, is dat gelijke omstandigheden voor de een tot tuchtiging en voor de ander tot straf is, als ik mij niet vergis werkt Augustinus dit groots uit in de Stad van God, waar gelovigen en ongelovigen in Rome door de Visigoten werden getergd.
[34] Een gelovige moet zich sterken met deze gedachte in de bitterheid van beproeving. Het zou zomaar voorkomen dat een gelovige denkt dat hij gestraft wordt en zich onmogelijk kan voorstellen door God bemint te worden. Maar je komt verder als hij bedenkt dat God Zich over de zonden vertoornt, maar hemzelf genadig en goedgunstig is. Het is soms zwaar, zoals ook in de Bijbel de wanhoop dicht genaderd wordt. Het is ook een beproeving als ongelovigen ongestraft blijven en gelovigen de volle laag krijgen. Maar het is genade om terug naar de Wet gebracht te worden terwijl de goddelozen rondrennen op een weg die eindigt in het graf.
[35]Nu over de bestraffing van David na Batseba. God liet overduidelijk zien dat Hij doodslag en overspel niet wil. David is hierin ook een voorbeeld voor alle eeuwen na hem. Desalniettemin was het geen straf om iets aan God te betalen. Dit is ook de algemene vloek van de mensheid, hierin voelen we hoe serieus God de overtredingen van Zijn Wet opneemt en laat ons verlangen naar het hoogste geluk. God straft op die manier verschillend bij verschillende personen, maar God laat zien dat Hij meteen vergevingsgezind is als de getuchtigde zich bekeert, en dat het onze halstarrigheid is die hiertoe in de weg staat. David wordt uitgebreid besproken, andere voorbeelden laten vaak vergeving uit genade zien., het verhaal van David is in die zin meer een uitzondering.
Wat mij opvalt is dat hier God actief op het mensenleven wordt betrokken, in onze tijd lijkt God wel op afstand te staan, zeker in zaken die je overkomen. Misschien wil de mens vandaag nog wel het positieve aan God toeschrijven, maar echt alles en zo direct als Calvijn het schetst kunnen we misschien nog wat van leren.
Volgende week lezen we Boek III.4.26 - III.5.2
Lees deze en andere post terug op lectiocalvini.blogspot.com
We gaan weer verder met het onderscheid tussen straf en tuchtiging. [32] Calvijn noemt kastijding zelfs een zegen. De straf van de torn daarentegen wordt het voorportaal van de hel in dit leven genoemd. De Bijbelse personen hebben vaak gebeden om bewaard te worden van de toorn maar niet om de kastijding/tuchtiging af te houden. Er ligt zelfs vermindering van smarten in het overdenken van Gods bedoeling, aldus Habakuk. God slaat namelijk soms zo dat mensen zich niet ver van de hel verwijderd voelen, God zegt dat mensen Zijn toorn hebben verdiend en mensen beijveren zich om met God in het reine te komen. En toch is God mild en matig in het kastijden. Dat is ook wel nodig, Calvijn zegt dat mensen die zich toeleggen op de beoefening van vroomheid ook een stuk teerder in hun gemoed worden.
Een tweede verschil[33], de straf is een betaling van de zonden, de tuchtiging is gericht op bekering. Je zou kunnen zeggen dat de straf is gericht op het verleden van een persoon en de tuchtiging op de toekomst. Dit is al bekend bij Augustinus en (Pseudo-)Chrysostomus, niets nieuws wat Calvijn ten berde brengt. God laat Zich ook vaak zien als verontwaardigd als Zijn volk zich niet bekeerd. Wat ook een aspect hierin is, is dat gelijke omstandigheden voor de een tot tuchtiging en voor de ander tot straf is, als ik mij niet vergis werkt Augustinus dit groots uit in de Stad van God, waar gelovigen en ongelovigen in Rome door de Visigoten werden getergd.
[34] Een gelovige moet zich sterken met deze gedachte in de bitterheid van beproeving. Het zou zomaar voorkomen dat een gelovige denkt dat hij gestraft wordt en zich onmogelijk kan voorstellen door God bemint te worden. Maar je komt verder als hij bedenkt dat God Zich over de zonden vertoornt, maar hemzelf genadig en goedgunstig is. Het is soms zwaar, zoals ook in de Bijbel de wanhoop dicht genaderd wordt. Het is ook een beproeving als ongelovigen ongestraft blijven en gelovigen de volle laag krijgen. Maar het is genade om terug naar de Wet gebracht te worden terwijl de goddelozen rondrennen op een weg die eindigt in het graf.
[35]Nu over de bestraffing van David na Batseba. God liet overduidelijk zien dat Hij doodslag en overspel niet wil. David is hierin ook een voorbeeld voor alle eeuwen na hem. Desalniettemin was het geen straf om iets aan God te betalen. Dit is ook de algemene vloek van de mensheid, hierin voelen we hoe serieus God de overtredingen van Zijn Wet opneemt en laat ons verlangen naar het hoogste geluk. God straft op die manier verschillend bij verschillende personen, maar God laat zien dat Hij meteen vergevingsgezind is als de getuchtigde zich bekeert, en dat het onze halstarrigheid is die hiertoe in de weg staat. David wordt uitgebreid besproken, andere voorbeelden laten vaak vergeving uit genade zien., het verhaal van David is in die zin meer een uitzondering.
Wat mij opvalt is dat hier God actief op het mensenleven wordt betrokken, in onze tijd lijkt God wel op afstand te staan, zeker in zaken die je overkomen. Misschien wil de mens vandaag nog wel het positieve aan God toeschrijven, maar echt alles en zo direct als Calvijn het schetst kunnen we misschien nog wat van leren.
Volgende week lezen we Boek III.4.26 - III.5.2
Lees deze en andere post terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 28 mei 2015
28-05; Boek III.4.5 - III.4.9
Het roomse priesterschap wordt ook onderbouwd met het verhaal van Lazarus, waarbij in deze versie de discipelen Lazarus opwekken. Allereerst is dit niet te vinden in de tekst. Maar ook een allegorische uitleg laat geen fundering van priester toe. Calvijn ziet het meer slaan op de barmhartigheid voor Jezus voor zondaren dan voor priesters.
De praktijk van de schuldbelijdenis bij de biecht funderen op de doop van Johannes en de oproep van Jacobus om voor elkaar te bidden na belijdenis kan ook niet. De teksten zeggen simpelweg iets anders. Wie weet van andermans zonden moet voor die persoon bidden.
De biecht is vanouds wel een praktijk geweest, maar nooit een verplichte praktijk. Het zou pas door paus Innocentius III opgelegd zijn tijdens het Vierde Latheraans Concilie in 1215. En in de praktijk van de biecht zit blijkbaar een formulering die doet suggereren dat alleen hermarodieten een keer per jaar moeten biechten. Deze wet om te biechten is niet door Christus opgelegd, maar in tijden van verval van de kerk. Uit het getuigenis van ene Sozomenus is op te maken dat dit gebruik typerend was voor Rome, maar niet voor de hele christenheid, dus niet katholiek. In Constantinopel is de biecht afgeschaft omdat een vrouw de biecht misbruikte voor 'omgang' met een diaken.
Er is zelfs een geschrift op naam van Chrysostomus, later blijkbaar een pseudografie, waarin de biecht wordt gezien als praktijk tussen mens en God.
Calvijn gaat de Bijbelse biecht uit de doeken doen. Allereerst staat in de oude Latijnse vertaling een woord voor biecht dat ook prijzen kan betekenen(of andersom), hier is flink misbruik van gemaakt. De logica is simpel. Aangezien God vergeeft en ons kent, moeten we onze zonden aan Hem opbiechten.
Wie zo belijdt zal ook Gods almacht belijden voor de mensen. Die kan dan getuigen van de eigen schanddaad en van de barmhartigheid van God. Wie aan God in het verborgene zonde heeft beleden heeft , zal dus vrijwillig openbaar verklaren hiervan als het van belang is voor de eer van God of onze eigen verootmoediging.
Volgende week lezen we verder in boek III.4.10 - III.4.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
De praktijk van de schuldbelijdenis bij de biecht funderen op de doop van Johannes en de oproep van Jacobus om voor elkaar te bidden na belijdenis kan ook niet. De teksten zeggen simpelweg iets anders. Wie weet van andermans zonden moet voor die persoon bidden.
De biecht is vanouds wel een praktijk geweest, maar nooit een verplichte praktijk. Het zou pas door paus Innocentius III opgelegd zijn tijdens het Vierde Latheraans Concilie in 1215. En in de praktijk van de biecht zit blijkbaar een formulering die doet suggereren dat alleen hermarodieten een keer per jaar moeten biechten. Deze wet om te biechten is niet door Christus opgelegd, maar in tijden van verval van de kerk. Uit het getuigenis van ene Sozomenus is op te maken dat dit gebruik typerend was voor Rome, maar niet voor de hele christenheid, dus niet katholiek. In Constantinopel is de biecht afgeschaft omdat een vrouw de biecht misbruikte voor 'omgang' met een diaken.
Er is zelfs een geschrift op naam van Chrysostomus, later blijkbaar een pseudografie, waarin de biecht wordt gezien als praktijk tussen mens en God.
Calvijn gaat de Bijbelse biecht uit de doeken doen. Allereerst staat in de oude Latijnse vertaling een woord voor biecht dat ook prijzen kan betekenen(of andersom), hier is flink misbruik van gemaakt. De logica is simpel. Aangezien God vergeeft en ons kent, moeten we onze zonden aan Hem opbiechten.
Wie zo belijdt zal ook Gods almacht belijden voor de mensen. Die kan dan getuigen van de eigen schanddaad en van de barmhartigheid van God. Wie aan God in het verborgene zonde heeft beleden heeft , zal dus vrijwillig openbaar verklaren hiervan als het van belang is voor de eer van God of onze eigen verootmoediging.
Volgende week lezen we verder in boek III.4.10 - III.4.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)