[26] Calvijn gaat verder met het afkeuren van de tonsuur. Er zitten ook wat gekke kanten aan, het wordt gekoppeld aan het nazireeërsschap, maar dan zou het volgens Calvijn gewoon een Joodse ceremonie zijn, niet een ceremonie voor de Kerk. Het voorbeeld van het scheren van het hoofd in Hand. 18 is niet duidelijk wie nou het hoofd schoor, en als het Paulus was, was het uit naastenliefde voor zwakke broeders. Maar de roomsen willen het hoofd scheren omwille de heiligheid, dat is een tweede Jodendom oprichten.
[27] Bij Augustinus is te lezen dat geestelijken hun haren moesten knippen omdat ijdeltuiten hun haren lang lieten groeien en geestelijken niet verwijfd over mochten komen. Dit werd ook gehandhaafd toen de Europa werd gekerstend en er volken bij kwamen die hun haar lang lieten groeien. In slechtere tijden werd dit dus onderdeel van een bijgeloof. En dat willen ze nu maken tot een Sacrament. Het is volgens Calvijn gek om alle lagere wijdingen tot een Sacrament te willen maken, met al hun rituelen en attributen. Ze zijn door mensen verzonnen.
[28] De priester, diaken en onderdiaken worden geschaard onder de hogere wijdingen of de heilige orden. Priester en presbyter zijn in de zaak hetzelfde. De roomsen hebben hiervan iemand gemaakt die het offer van Christus' lichaam moet brengen en bij zijn wijding een schaal hosties krijgt en zijn handen gezalfd worden, zonder bewijs voor deze instelling in de Bijbel. Het is de naam priester willen afpakken van Jezus, in Hem zijn wel weliswaar priesters, maar dan om Hem te loven en eren. Een rooms priesterschap is wel God onterend, zeker als je daar een Sacrament van wil maken. Het ambt van presbyter komt uit de Schrift en is een betrouwbaar teken van genade. Het gaat om Evangelie verkondiging en het weiden van de kudde. De genade van de Heilige Geest is er om de leiding over de Kerk te kunnen voeren.
[29] Het teken hiervan is dat Jezus over de discipelen blaast en de Heilige Geest belooft(Joh. 20). Dit is niet gedaan om bij een priesterwijding te herhalen, maar als een eenmalig teken. Wie dit wel wil imiteren vervalt tot spottende na-aperij.
[30] De zalving van de handen is een na-aperij van de priesterwijding van de zonen van Aäron, de grondlegging van hun orde. Maar juist de priesterwijding was een voorafschaduwing van het priesterambt van Christus. Zo staan ze Jezus in de weg. En waarom vullen ze de Kerk dan niet met dieroffers. De zalving is zo erger dan de besnijdenis, zeker als mensen hier iets verdienstelijks van maken.
[31] Het is de vraag van Calvijn waarom ze zo hangen aan de zalving met olie, dat een geestelijke stempel zou zetten. Het is een teken zonder woord, en als er een woord bij wordt gevonden, waarom dan niet de priesterkleding, de offers en de heiliging van de priester in hun kleren en oorlellen? De roomsen proberen een samengestelde godsdienst te maken van jodendom, christendom en heidendom. Bij de wijding hoort ook de handoplegging, wat volgens Calvijn misschien wel een Sacrament kan zijn, maar dan weer niet zoals het toneelstukje dat de roomsen opvoeren.
[32] De diakenen zijn op zich niet verkeerd, als ze maar een voorbeeld nemen aan de diakenen uit de vroege Kerk, niet zoals ze in Calvijns tijd waren. Het takenpakket is niks meer van wat het vroeger was. En de wijding lijkt haast op een apostelwijding dat die onevenredig is met de rang van diaken in de ambten.
Morgen lezen we boek IV.19.33 - IV.20.1
Posts tonen met het label diaken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label diaken. Alle posts tonen
donderdag 10 december 2015
woensdag 9 december 2015
09-12; Boek IV.19.20 - IV.19.25
[20] Over de zalving/laatste oliesel, we hebben geen Sacrament daarin zoals we wel Sacramenten hebben die door God zijn ingesteld en aan ons verbonden zijn. Anders zou de besnijdenis ook een Sacrament van de Kerk zijn. Maar de zalving was dan als handeling meegegeven aan de apostelen. Nu kan feitelijk iedere olie de kracht van de Heilige Geest zijn. Maar dit kan dus niet, vanwege de definitie van Sacramenten die Calvijn hanteert.
[21] Maar goed zelfs als Jacobus dit wel als Sacrament bedoelde, zitten de roomsen er nog naast omdat ze de zalving pas toedienen als de zieke halfdood is, tot op het uiterste van de ziekte. Ook zou het dan door ouderlingen en niet door de priesters toegepast mogen worden nadat de bisschop er allemaal rituelen mee heft uitgespookt. Jakobus zegt dat de gebeden verhoord zullen worden als de zieke door ouderlingen gezalfd wordt. Maar ook de geschiedenis laat andere zaken zien, Van Innocentius, de paus ten tijde van Augustinus, mochten alle christenen in geval van nood zichzelf of een andere gelovige zalven.
[22]Over de wijdingen wordt het was lastiger. Dit is één rooms Sacrament met 7 onderverdelingen of kleine sacramentjes. Deurwachters, lezers, exorcisten, acolieten, onderdiakenen, diakenen en priesters. Dit vaak op basis van de zevenvoudige gaven van de Geest in Jes. 11:2(in het Latijn zijn dit er zeven terwijl de letterlijke tekst 6 gaven kent). Ook is het maar net welke schrijver je pakt of het er 7 of negen zijn en of tonsuur en bisschop er wel of niet bij horen. Dat gebeurt er dus als je los van het Woord gaat redeneren.
[23] Ook hebben de roomsen zeer speculatief alle ordeningen aangewezen in het leven van Jezus, zodat Hij alle ambten ook Zelf had. Calvijn vindt dit te onbenullig om te weerleggen.
[24] Desondanks worden deze ambten weer gedelegeerd aan armen en kinderen. Eigenlijk doet zo'n iemand alles tot het moment dat hij de titel zelf krijgt. Ook zegt Calvijn dat de exorcisten zelf vaker bezeten zijn dan geesten uitdrijven. Alles over de zevenvoudige ambten is uiteindelijk kletspraat.
[25] Ook de wijdingsceremonie kan Calvijn niet bekoren, vooral de tonsuur, het scheren van de schedel. Het moet een kroon zijn als symbool van het koninklijk priesterlijk geslacht van 1 Petr. 2:9. Of het kan nog zoveel andere symbolische betekenissen hebben. Alsof het voorhangsel niet is gescheurd. Calvijn zou liever hebben dat ze uitvoerden dan symbolen bedachten.
Morgen lezen we boek IV.19.26 - IV.19.32
[21] Maar goed zelfs als Jacobus dit wel als Sacrament bedoelde, zitten de roomsen er nog naast omdat ze de zalving pas toedienen als de zieke halfdood is, tot op het uiterste van de ziekte. Ook zou het dan door ouderlingen en niet door de priesters toegepast mogen worden nadat de bisschop er allemaal rituelen mee heft uitgespookt. Jakobus zegt dat de gebeden verhoord zullen worden als de zieke door ouderlingen gezalfd wordt. Maar ook de geschiedenis laat andere zaken zien, Van Innocentius, de paus ten tijde van Augustinus, mochten alle christenen in geval van nood zichzelf of een andere gelovige zalven.
[22]Over de wijdingen wordt het was lastiger. Dit is één rooms Sacrament met 7 onderverdelingen of kleine sacramentjes. Deurwachters, lezers, exorcisten, acolieten, onderdiakenen, diakenen en priesters. Dit vaak op basis van de zevenvoudige gaven van de Geest in Jes. 11:2(in het Latijn zijn dit er zeven terwijl de letterlijke tekst 6 gaven kent). Ook is het maar net welke schrijver je pakt of het er 7 of negen zijn en of tonsuur en bisschop er wel of niet bij horen. Dat gebeurt er dus als je los van het Woord gaat redeneren.
[23] Ook hebben de roomsen zeer speculatief alle ordeningen aangewezen in het leven van Jezus, zodat Hij alle ambten ook Zelf had. Calvijn vindt dit te onbenullig om te weerleggen.
[24] Desondanks worden deze ambten weer gedelegeerd aan armen en kinderen. Eigenlijk doet zo'n iemand alles tot het moment dat hij de titel zelf krijgt. Ook zegt Calvijn dat de exorcisten zelf vaker bezeten zijn dan geesten uitdrijven. Alles over de zevenvoudige ambten is uiteindelijk kletspraat.
[25] Ook de wijdingsceremonie kan Calvijn niet bekoren, vooral de tonsuur, het scheren van de schedel. Het moet een kroon zijn als symbool van het koninklijk priesterlijk geslacht van 1 Petr. 2:9. Of het kan nog zoveel andere symbolische betekenissen hebben. Alsof het voorhangsel niet is gescheurd. Calvijn zou liever hebben dat ze uitvoerden dan symbolen bedachten.
Morgen lezen we boek IV.19.26 - IV.19.32
woensdag 16 september 2015
16-09; IV.5.16 - IV.6.3
[16] De verdeling van het geld zoals die vroeger was ingezet en was weergegeven door Calvijn in IV.4.7, is zo goed als afgeschaft. Priesters en bisschoppen verrijkten zichzelf met kerkelijk geld ten koste van de armen. Calvijn vindt dit zeer oneerbiedig en gewoonweg kerkroof.
[17] Er zijn mensen die deze praktijken verdedigen door te wijzen op de waardigheid en de eer van de kerk. Per slot van rekening zijn er teksten die de luister van het koninkrijk beschrijven met termen als goud en zilver. Calvijn vindt het niet de moeite waard om ze te weerleggen, maar vraagt zich wel af wat de lieden zelf zouden vinden als een Jood deze teksten op zichzelf toepast en de geestelijke zaken niet-geestelijk opvat. Er zijn wel momenten geweest in de kerkgeschiedenis dat keizers hun keizerlijke kleren aflegden en met het volk boetedoening deden voor het aangezicht van God. Maar toen baadden de priesters niet in overdaad van geld en goud. Ambrosius heeft op het Concilie van Aquileia benadrukt dat priesters moeten roemen in hun armoede.
[18] Calvijn vat het samen. Er is een Bijbelse norm voor wat mag worden uitgegeven ter versiering van de kerkgebouwen in de aard van de versierde dingen zelf. Nu wordt het geld besteed aan zaken waar Christus gen opdracht heeft gegeven, en dat terwijl het armen van de honger omkomen. Sterker nog, waar het geld dan wel aan wordt uitbesteed is beargumenteerd met bijgeloof van de priesters en bisschoppen.
[19] Ook is het dwaasheid om de kerkregering te betrekken op het huis- en landerijenbezitten van de geestelijken. Het staat in tegenspraak met de soberheid en matigheid die ons wel in de Bijbel wordt voorgehouden voor ambtsdragers. Waarschijnlijk vinden de ambtsdragers van nu het veel te streng van Hieronymus als deze schrijft dat armen en vreemdelingen en met heb Christus als gasten aan hun tafel moeten zijn. De titel van diakenschap is toen in ieder geval verloren gegaan.
[1] Calvijn heeft het verval van de inzettingen van de vroege Kerk laten zien. Nu gaat hij het hebben over de paus, de waarborg dat de Roomse kerk de echte katholieke Kerk is. Het primaat van de stoel van Rome is niet een inzetting van vroeger of van de Bijbel. Iedereen probeert de protestanten te overtuigen dat de enige band van kerkelijke eenheid in de gehoorzaamheid aan de stoel van Rome ligt.Er wordt gedacht vanuit het axioma dat de paus van Rome, als plaatsvervanger van Christus die het Hoofd van de Kerk is, in Zijn plaats de leiding over de hgehele Kerk heeft en dat er slechts dan een goede kerkinrichting is indien deze stoel het primaat boven alle bisschopszetels houdt.
[2] De vraag is dus of er een primaat van een bisschopzetel nodig is, zodat deze het hoofd van het lichaam wordt? Het hogepriesterschap wordt aangevoerd als argument, ten onrechte. Voor het land Israël was één man genoeg om de eenheid te bewaren, maar om alle macht over Oost en West in de handen van een man te leggen is te gek. Maar de hogepriester was ten diepste ook een type van Christus, en dus moet het priesterschap en het recht overgedragen worden, maar niet aan de paus, maar aan Christus.
[3] Het tijdelijke priesterschap was dus geen eeuwige wet. In het NT is er dan ook geen bevestiging behalve Matth. 16:18, waarbij nog moet worden aangetoond dat het gaat over gezag voeren over de hele wereld is. Ook moet worden aangetoond dat er meer aan PEtrus is gegeven dan aan de andere discipelen. Die tekst leert uiteindelijk dat alle apostelen de opdracht als dienaren van het Evangelie mensen te verzoenen met God en de macht hebben om straffend op te treden als ze niet luisteren.
Morgen lezen we boek IV.6.4 - IV.6.9
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[17] Er zijn mensen die deze praktijken verdedigen door te wijzen op de waardigheid en de eer van de kerk. Per slot van rekening zijn er teksten die de luister van het koninkrijk beschrijven met termen als goud en zilver. Calvijn vindt het niet de moeite waard om ze te weerleggen, maar vraagt zich wel af wat de lieden zelf zouden vinden als een Jood deze teksten op zichzelf toepast en de geestelijke zaken niet-geestelijk opvat. Er zijn wel momenten geweest in de kerkgeschiedenis dat keizers hun keizerlijke kleren aflegden en met het volk boetedoening deden voor het aangezicht van God. Maar toen baadden de priesters niet in overdaad van geld en goud. Ambrosius heeft op het Concilie van Aquileia benadrukt dat priesters moeten roemen in hun armoede.
[18] Calvijn vat het samen. Er is een Bijbelse norm voor wat mag worden uitgegeven ter versiering van de kerkgebouwen in de aard van de versierde dingen zelf. Nu wordt het geld besteed aan zaken waar Christus gen opdracht heeft gegeven, en dat terwijl het armen van de honger omkomen. Sterker nog, waar het geld dan wel aan wordt uitbesteed is beargumenteerd met bijgeloof van de priesters en bisschoppen.
[19] Ook is het dwaasheid om de kerkregering te betrekken op het huis- en landerijenbezitten van de geestelijken. Het staat in tegenspraak met de soberheid en matigheid die ons wel in de Bijbel wordt voorgehouden voor ambtsdragers. Waarschijnlijk vinden de ambtsdragers van nu het veel te streng van Hieronymus als deze schrijft dat armen en vreemdelingen en met heb Christus als gasten aan hun tafel moeten zijn. De titel van diakenschap is toen in ieder geval verloren gegaan.
[1] Calvijn heeft het verval van de inzettingen van de vroege Kerk laten zien. Nu gaat hij het hebben over de paus, de waarborg dat de Roomse kerk de echte katholieke Kerk is. Het primaat van de stoel van Rome is niet een inzetting van vroeger of van de Bijbel. Iedereen probeert de protestanten te overtuigen dat de enige band van kerkelijke eenheid in de gehoorzaamheid aan de stoel van Rome ligt.Er wordt gedacht vanuit het axioma dat de paus van Rome, als plaatsvervanger van Christus die het Hoofd van de Kerk is, in Zijn plaats de leiding over de hgehele Kerk heeft en dat er slechts dan een goede kerkinrichting is indien deze stoel het primaat boven alle bisschopszetels houdt.
[2] De vraag is dus of er een primaat van een bisschopzetel nodig is, zodat deze het hoofd van het lichaam wordt? Het hogepriesterschap wordt aangevoerd als argument, ten onrechte. Voor het land Israël was één man genoeg om de eenheid te bewaren, maar om alle macht over Oost en West in de handen van een man te leggen is te gek. Maar de hogepriester was ten diepste ook een type van Christus, en dus moet het priesterschap en het recht overgedragen worden, maar niet aan de paus, maar aan Christus.
[3] Het tijdelijke priesterschap was dus geen eeuwige wet. In het NT is er dan ook geen bevestiging behalve Matth. 16:18, waarbij nog moet worden aangetoond dat het gaat over gezag voeren over de hele wereld is. Ook moet worden aangetoond dat er meer aan PEtrus is gegeven dan aan de andere discipelen. Die tekst leert uiteindelijk dat alle apostelen de opdracht als dienaren van het Evangelie mensen te verzoenen met God en de macht hebben om straffend op te treden als ze niet luisteren.
Morgen lezen we boek IV.6.4 - IV.6.9
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Labels:
Ambrosius,
ambt,
armoede,
bisschop,
Cassiodorus,
Concilie van Aquileia,
diaken,
geld,
Johannes Cochlaeus,
Johannes Eck,
kerkregering,
lectiocalvini,
paus,
priester,
Thomas de Vio Cajetanus
dinsdag 15 september 2015
15-09; Boek IV.5.8 - IV.5.15
[8] In vroegere tijden was het niet mogelijk om monnik te zijn en te behoren tot de geestelijkheid. ER zijn pausen geweest die dit gebruik met een woord aan de kant hebben geschoven. En dat terwijl Hieronymus zegt dat hij zijn priesterschap niet uitoefent als hij onder de monniken is, en dat hij zich ziet als man uit het volk. Het is nooit de bedoeling geweest van Christus om monniken in hun schuilhoekje de mis te laten prevelen. Een presbyter is er om leiding te geven aan een gemeente. En juist monniken moeten geen openbare dienst beleggen, in hun klooster blijven en al helemaal niet de sacramenten bedienen.
[9] Daarnaast heb je dus de wereldgeestelijken, die voor een gedeelte bestaan uit de beneficiarissen, en mensen die leven van het onderhouden van de mis. Allebei de soorten wereldgeestelijkheid hebben te maken met misbruik en perverteringen. Ze doen de waardigheid van de presbyter teniet, Calvijn vindt het geen wettig ambt, omdat ze de inzetting van vroeger niet uitvoeren.
[10] Er zijn ook veel functies, die buiten de pracht en praal van ceremonieën geen enkele waarde hebben, er zit geen dienst aan de Kerk in door bijvoorbeeld woordverkondiging, tucht of zorg voor Sacramenten. Ze zullen niet eens weten wat de vereisten in de Bijbel zijn voor een presbyter. Kanunniken hadden ouderling(presbyter) moeten worden, andere titels hebben weinig tot niets te maken met degelijke kerkregering. Ze beweren wel presbyters te zijn, maar dat is gewoonweg niet waar.
[11] Bisschoppen en bestuurders van de parochies hebben een vroom en uitnemend ambt, maar voeren hier niet veel van uit. Meestal hebben ze de taken aan iemand anders overgedragen. Vaak komen ze niet een keer per jaar in hun kerk. Of ze houden alleen zaken in de gaten die opbrengst kunnen leveren.
[12] Bij Gregorius is al te lezen dat er een kiem van dit kwaad bestond in de Kerk. Hij schrijft erover dat de bestuurders nalatig werden in het geven van onderwijs. Hij klaagt in preken erover dat herders de taken laten liggen. Ook Bernardus van Clairvaux maakt in zijn tijd nog werk van dit probleem in zijn preken.
[13] Met het pausdom zoals Calvijn het kende was er geen grotere roversbende te vinden. Alles was in strijd met de inzetting van Christus en de oude Kerk en logisch nadenken. En toch verdedigen mensen zoals Pighius deze eerbiedwaardige hiërarchie als overgeleverd van vroeger. Maar de inzetting van vroeger heeft niets te maken met de chaos van die tijd. Nu is alles versplinterd en verward.
[14] Ook is er in de levenswandel van de priesters niks te zien van het zout der aarde zijn of het licht van de wereld zijn. Priesters zitten vol met ondeugden en zijn asociale lui. Veel, zo niet alle priesters zouden geëxcommuniceerd moeten worden volgens de maatstaven van de tucht van de oude kerkelijke bepalingen.
[15] En diakenen doen nu niet meer datgene waar ze voor aangesteld zijn, namelijk armenzorg. Behalve dan heel misschien als ze voor de consecratie de offergaven ophalen. Desondanks vroeger de kerkgangers eerst elkaar een kus gaven en hun gaven zelf naar voren brachten. Tegenwoordig(toen in Calvijns tijd dus) kan je beter je offergaven in zee gooien, dan heb je even grote kans dat ze bij de armen komen. Het fantasiediaconaat is de draak steken met de kerk. Het licht van Gods Woord is gedoofd en na zo de Kerk als het ware vermoord te hebben hebben ze de buit geplunderd.
Morgen lezen we boek IV.5.16 - IV.6.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[9] Daarnaast heb je dus de wereldgeestelijken, die voor een gedeelte bestaan uit de beneficiarissen, en mensen die leven van het onderhouden van de mis. Allebei de soorten wereldgeestelijkheid hebben te maken met misbruik en perverteringen. Ze doen de waardigheid van de presbyter teniet, Calvijn vindt het geen wettig ambt, omdat ze de inzetting van vroeger niet uitvoeren.
[10] Er zijn ook veel functies, die buiten de pracht en praal van ceremonieën geen enkele waarde hebben, er zit geen dienst aan de Kerk in door bijvoorbeeld woordverkondiging, tucht of zorg voor Sacramenten. Ze zullen niet eens weten wat de vereisten in de Bijbel zijn voor een presbyter. Kanunniken hadden ouderling(presbyter) moeten worden, andere titels hebben weinig tot niets te maken met degelijke kerkregering. Ze beweren wel presbyters te zijn, maar dat is gewoonweg niet waar.
[11] Bisschoppen en bestuurders van de parochies hebben een vroom en uitnemend ambt, maar voeren hier niet veel van uit. Meestal hebben ze de taken aan iemand anders overgedragen. Vaak komen ze niet een keer per jaar in hun kerk. Of ze houden alleen zaken in de gaten die opbrengst kunnen leveren.
[12] Bij Gregorius is al te lezen dat er een kiem van dit kwaad bestond in de Kerk. Hij schrijft erover dat de bestuurders nalatig werden in het geven van onderwijs. Hij klaagt in preken erover dat herders de taken laten liggen. Ook Bernardus van Clairvaux maakt in zijn tijd nog werk van dit probleem in zijn preken.
[13] Met het pausdom zoals Calvijn het kende was er geen grotere roversbende te vinden. Alles was in strijd met de inzetting van Christus en de oude Kerk en logisch nadenken. En toch verdedigen mensen zoals Pighius deze eerbiedwaardige hiërarchie als overgeleverd van vroeger. Maar de inzetting van vroeger heeft niets te maken met de chaos van die tijd. Nu is alles versplinterd en verward.
[14] Ook is er in de levenswandel van de priesters niks te zien van het zout der aarde zijn of het licht van de wereld zijn. Priesters zitten vol met ondeugden en zijn asociale lui. Veel, zo niet alle priesters zouden geëxcommuniceerd moeten worden volgens de maatstaven van de tucht van de oude kerkelijke bepalingen.
[15] En diakenen doen nu niet meer datgene waar ze voor aangesteld zijn, namelijk armenzorg. Behalve dan heel misschien als ze voor de consecratie de offergaven ophalen. Desondanks vroeger de kerkgangers eerst elkaar een kus gaven en hun gaven zelf naar voren brachten. Tegenwoordig(toen in Calvijns tijd dus) kan je beter je offergaven in zee gooien, dan heb je even grote kans dat ze bij de armen komen. Het fantasiediaconaat is de draak steken met de kerk. Het licht van Gods Woord is gedoofd en na zo de Kerk als het ware vermoord te hebben hebben ze de buit geplunderd.
Morgen lezen we boek IV.5.16 - IV.6.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Labels:
ambt,
Bernardus van Clairvaux,
bisschop,
diaken,
Gregorius I,
Hieronymus,
Kerk,
kerkregering,
lectiocalvini,
monnik,
Pighius,
presbyter,
Pseudo-Basilius
maandag 14 september 2015
14-09; Boek IV.5.2 - IV.5.7
De 37ste week van Lectio Calvini!
[2] Een andere pervertering van de oude praktijk is dat het volk geen stem meer heeft in de verkiezing. Als ze de kersverse bisschop zien is dit direct om hem te aanbidden, niet om hem te onderzoeken. Dat noemt Leo I machtsmisbruik. Cyprianus noemt het goddelijk recht dat er niks plaatsvindt zonder toestemming van de gemeente. Er zouden dus nu gen goddelijk en kerkrechtelijk geldige verkiezingen zijn. De tegenstanders van Calvijn vonden dat het nodig was het volk en de regering een stem te onthouden. Maar nu is het middel groter kwaad dan dan de kwaal. Het volk leefde vroeger ook met de regels voor de bisschoppen dus hoefde deze taak niet overgenomen te worden door kanunniken. Plus dat die interne regels de grootste zondaars het ambt in heeft geholpen.
[3] Het is ook dudielijk dat er in vroegere tijden veel beroering was bij de keuze van een bisschop. Toch dacht niemand eraan het volk hun recht te ontnemen. Calvijn schetst een lijn dat het volk wat slordig werd en de presbyters zich het recht toeeigenden ten koste van het recht van het volk. Vorsten zijn hier later bij ingesprongen en hebben bisschoppen opgedrongen aan kerken.
[4] Bisschoppen wijken af van de oude inzetting door geen presbyters te bevestigen om het volk te leiden en hoeden, maar om als priesters te offeren, net als diakenen om bepaalde ceremoniën uit te voeren. Ook wordt een inzetting van het concilie van Chalcedon ongedaan gemaakt. Hier is bepaald dat ordeningen niet in absolute zin mogen zijn. Een ordening moet met taak en plaats zijn. Dit is om te voorkomen dat mensen ergens geld zitten te verbruiken en dat er geen eretitels beschikbaar zijn. Er is dus ook een clandestiene handel in titels.
[5] Maar zelfs zonder misbruik is het raar om een presbyter te benoemen zonder plaats. En dan nog is het een vertekening van de oorspronkelijke taak, desondanks hij is opgeleukt met rituelen en vertoon. er wordt geen onderzoek gepleegd, alleen keken naar geld of kadootjes, daarna wordt er een ordening opgevoerd die Calvijn belachelijk vindt. Desondanks is de gevestigde orde van toen fel in het verdedigen.
[6] Er is een wildgroei aan praktijken rondom beneficies, dat zijn zaken die vroeger aan een ordening vastzaten, maar er nu volkomen los van staan. Ook vermoedt Calvijn veel simonie rondom de beneficies. Priesterplaatsen worden zo verkregen om het belang van mensen te dienen, niet het belang van de kerken.
[7] Het volk had het waarschijnlijk niet zover laten komen met hun benoemingsrecht. Nu kom je jonge manen tegen aan een hof die over meerdere kerken en bisdommen de leiding hebben. Gods Woord en Concilies spreken zich hiertegen uit. Dit zou de heilige opvolging zijn waardoor de kerk niet verloren zal gaan. Calvijn is, zoals te lezen is, verbolgen over de praktijk van de kerk van toen. En terecht.
Morgen lezen we boek IV.5.8 - IV.5.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[2] Een andere pervertering van de oude praktijk is dat het volk geen stem meer heeft in de verkiezing. Als ze de kersverse bisschop zien is dit direct om hem te aanbidden, niet om hem te onderzoeken. Dat noemt Leo I machtsmisbruik. Cyprianus noemt het goddelijk recht dat er niks plaatsvindt zonder toestemming van de gemeente. Er zouden dus nu gen goddelijk en kerkrechtelijk geldige verkiezingen zijn. De tegenstanders van Calvijn vonden dat het nodig was het volk en de regering een stem te onthouden. Maar nu is het middel groter kwaad dan dan de kwaal. Het volk leefde vroeger ook met de regels voor de bisschoppen dus hoefde deze taak niet overgenomen te worden door kanunniken. Plus dat die interne regels de grootste zondaars het ambt in heeft geholpen.
[3] Het is ook dudielijk dat er in vroegere tijden veel beroering was bij de keuze van een bisschop. Toch dacht niemand eraan het volk hun recht te ontnemen. Calvijn schetst een lijn dat het volk wat slordig werd en de presbyters zich het recht toeeigenden ten koste van het recht van het volk. Vorsten zijn hier later bij ingesprongen en hebben bisschoppen opgedrongen aan kerken.
[4] Bisschoppen wijken af van de oude inzetting door geen presbyters te bevestigen om het volk te leiden en hoeden, maar om als priesters te offeren, net als diakenen om bepaalde ceremoniën uit te voeren. Ook wordt een inzetting van het concilie van Chalcedon ongedaan gemaakt. Hier is bepaald dat ordeningen niet in absolute zin mogen zijn. Een ordening moet met taak en plaats zijn. Dit is om te voorkomen dat mensen ergens geld zitten te verbruiken en dat er geen eretitels beschikbaar zijn. Er is dus ook een clandestiene handel in titels.
[5] Maar zelfs zonder misbruik is het raar om een presbyter te benoemen zonder plaats. En dan nog is het een vertekening van de oorspronkelijke taak, desondanks hij is opgeleukt met rituelen en vertoon. er wordt geen onderzoek gepleegd, alleen keken naar geld of kadootjes, daarna wordt er een ordening opgevoerd die Calvijn belachelijk vindt. Desondanks is de gevestigde orde van toen fel in het verdedigen.
[6] Er is een wildgroei aan praktijken rondom beneficies, dat zijn zaken die vroeger aan een ordening vastzaten, maar er nu volkomen los van staan. Ook vermoedt Calvijn veel simonie rondom de beneficies. Priesterplaatsen worden zo verkregen om het belang van mensen te dienen, niet het belang van de kerken.
[7] Het volk had het waarschijnlijk niet zover laten komen met hun benoemingsrecht. Nu kom je jonge manen tegen aan een hof die over meerdere kerken en bisdommen de leiding hebben. Gods Woord en Concilies spreken zich hiertegen uit. Dit zou de heilige opvolging zijn waardoor de kerk niet verloren zal gaan. Calvijn is, zoals te lezen is, verbolgen over de praktijk van de kerk van toen. En terecht.
Morgen lezen we boek IV.5.8 - IV.5.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 9 september 2015
09-09; Boek IV.4.5 - IV.4.10
En dan nu over de diakenen.
[5] Diakenen zijn er geweest om het geld en de kerkelijke goederen te beheren en de armen te verzorgen, onder toezicht van de bisschop. Bisschoppen mochten ook niks financieels doen zonder medeweten van diaken en presbyter. Onderdiakenen zijn later toegevoegd als hulp, maar het onderscheid en tussen onder- en normale diaken is geleidelijk verdwenen. Aartsdiaken was de opzichthouder en waren eindverantwoordelijken. Ook mochten diakenen in de eredienst het Evangelie voorlezen, aansporen tot gebed en de beker aanreiken tijdens het Heilig Avondmaal. Dit om te laten zien dat het zeker wel een geestelijk ambt was.
[6] Vroeger was al duidelijk dat alles wat de Kerk aan land en geld heeft, geldt als vermogen van de armen. Er is altijd opgeroepen om zuiver met het geld om te gaan en de diakenen zonder aanzien van het persoon uit te delen onder de armen. Dit doen bijvoorbeeld Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus. Ambtsdragers leefden ook van het kerkelijke geld. Het was dan ook niet de bedoeling van ambtsdragers om luxe te leven in weelde. Er zijn presbyters die in vrijwillige armoede leefden door hun erfenis aan de Kerk te geven.
[7] Op een gegeven moment zijn er regels voor het verdelen van geld ingesteld. Het geld had vier doelen. Onderhouding van de geestelijken, van de armen, van de kerkelijke gebouwen en nog een vierde deel voor de armen die van elders kwamen en behoeftigen in de eigen stad. Onder het toezicht van een bisschop waarvan verwacht werd dat hij dit geld niet gebruikte als een leuk zakcentje, maar zelf ingetogen en sober leefde met voedsel en kleding.
[8] Kerk leefde altijd bescheiden. Tijdens een hongersnood in Jeruzalem heeft de bisschop Cyrillus zelfs vaatwerk en kleding van de kerk verkocht om voor de armen te kunnen zorgen. Zo ook verhalen over Ambrosius en een zekere Acatius en een Exuperius. Ambrosius heeft benadrukt dat alles wat de Kerk en bisschop bezit het vermogen van de armen is en daarom mag al het goud gebrukt worden om de armen te onderhouden.
[9] Bovenstaande zijn de ambten van de vroege Kerk. Andere diensten waren een soort voorbereidende diensten voor mensen. Er waren jongens die van jongs af aan geschoold werden om later een ambt goed te kunnen aanvaarden. Deze werden clerici genoemd. Calvijn is ongelukkig met de naam, maar ziet zo'n opleiding van jongs af aan wel zitten. Ze oefenden zo in het geestelijk leven. Eerst werden dit soort jongens aangesteld om deuren te open of te sluiten en heetten ze deurwachters(ostiarii), later werden ze volgelingen(acolieten) genoemd omdat ze altijd bij de bisschop waren en de Schriftlezing mochten doen en onderdiaken werden als oefening. Wat Calvijn hiermee wil aantonen is dat deze functies geen ambten waren, maar voorbereidende oefeningen.
[10] Net als de apostelen deden moeten we ook nu eerbiedig te werk gaan en gelovige vrome mensen tot het ambt kiezen. Op een gegeven moment werd er meer gevraagd dan Paulus de bisschop vraagt, zoals ongehuwd blijven. Wat verschilde tussen gemeentes onderling was de manier waarop de ambtsdragers aangesteld werden. Cyprianus laat in een brief zien dat hij zich grondig verontschuldigt voor het aanstellen van een lector zonder het medeweten van de gemeente. Praktische rompslomp zorgde dat voor kleinere functies de gemeente niet geraadpleegd hoefde te worden. Alle functies behalve bisschop werden door de bisschop en presbyters gekozen. Een presbyter voor een parochie werd wel door de gemeente gekozen.
Morgen lezen we boek IV.4.11 - IV.5.1
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[5] Diakenen zijn er geweest om het geld en de kerkelijke goederen te beheren en de armen te verzorgen, onder toezicht van de bisschop. Bisschoppen mochten ook niks financieels doen zonder medeweten van diaken en presbyter. Onderdiakenen zijn later toegevoegd als hulp, maar het onderscheid en tussen onder- en normale diaken is geleidelijk verdwenen. Aartsdiaken was de opzichthouder en waren eindverantwoordelijken. Ook mochten diakenen in de eredienst het Evangelie voorlezen, aansporen tot gebed en de beker aanreiken tijdens het Heilig Avondmaal. Dit om te laten zien dat het zeker wel een geestelijk ambt was.
[6] Vroeger was al duidelijk dat alles wat de Kerk aan land en geld heeft, geldt als vermogen van de armen. Er is altijd opgeroepen om zuiver met het geld om te gaan en de diakenen zonder aanzien van het persoon uit te delen onder de armen. Dit doen bijvoorbeeld Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus. Ambtsdragers leefden ook van het kerkelijke geld. Het was dan ook niet de bedoeling van ambtsdragers om luxe te leven in weelde. Er zijn presbyters die in vrijwillige armoede leefden door hun erfenis aan de Kerk te geven.
[7] Op een gegeven moment zijn er regels voor het verdelen van geld ingesteld. Het geld had vier doelen. Onderhouding van de geestelijken, van de armen, van de kerkelijke gebouwen en nog een vierde deel voor de armen die van elders kwamen en behoeftigen in de eigen stad. Onder het toezicht van een bisschop waarvan verwacht werd dat hij dit geld niet gebruikte als een leuk zakcentje, maar zelf ingetogen en sober leefde met voedsel en kleding.
[8] Kerk leefde altijd bescheiden. Tijdens een hongersnood in Jeruzalem heeft de bisschop Cyrillus zelfs vaatwerk en kleding van de kerk verkocht om voor de armen te kunnen zorgen. Zo ook verhalen over Ambrosius en een zekere Acatius en een Exuperius. Ambrosius heeft benadrukt dat alles wat de Kerk en bisschop bezit het vermogen van de armen is en daarom mag al het goud gebrukt worden om de armen te onderhouden.
[9] Bovenstaande zijn de ambten van de vroege Kerk. Andere diensten waren een soort voorbereidende diensten voor mensen. Er waren jongens die van jongs af aan geschoold werden om later een ambt goed te kunnen aanvaarden. Deze werden clerici genoemd. Calvijn is ongelukkig met de naam, maar ziet zo'n opleiding van jongs af aan wel zitten. Ze oefenden zo in het geestelijk leven. Eerst werden dit soort jongens aangesteld om deuren te open of te sluiten en heetten ze deurwachters(ostiarii), later werden ze volgelingen(acolieten) genoemd omdat ze altijd bij de bisschop waren en de Schriftlezing mochten doen en onderdiaken werden als oefening. Wat Calvijn hiermee wil aantonen is dat deze functies geen ambten waren, maar voorbereidende oefeningen.
[10] Net als de apostelen deden moeten we ook nu eerbiedig te werk gaan en gelovige vrome mensen tot het ambt kiezen. Op een gegeven moment werd er meer gevraagd dan Paulus de bisschop vraagt, zoals ongehuwd blijven. Wat verschilde tussen gemeentes onderling was de manier waarop de ambtsdragers aangesteld werden. Cyprianus laat in een brief zien dat hij zich grondig verontschuldigt voor het aanstellen van een lector zonder het medeweten van de gemeente. Praktische rompslomp zorgde dat voor kleinere functies de gemeente niet geraadpleegd hoefde te worden. Alle functies behalve bisschop werden door de bisschop en presbyters gekozen. Een presbyter voor een parochie werd wel door de gemeente gekozen.
Morgen lezen we boek IV.4.11 - IV.5.1
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 7 september 2015
07-09; Boek IV.3.8 - IV.3.15
[8] De termen opzieners, ouderlingen, herders en dienaren worden in de Bijbel zonder onderscheid door elkaar gebruikt, zo doet Calvijn dus ook. Dit zijn de termen voor het ambt van de woordbediening, kortom, de opzieners. In Efeze 4 gaat het ook niet om andere ambten. Andere ambten zijn te vinden in Romeinen en 1 Korintiërs, de zorg voor de armen en de regering van de Kerk. Regeerders waren uit het volk gekozen ouderlingen die letten op de levenswandel en de tucht handhaafde. Kenmerkende aan deze ambten was dat deze eeuwig was, in tegenstelling tot de andere ambten die ook genoemd worden in de twee eerdergenoemde brieven.
[9] Diakenen zijn er voor de zorg voor de armen. Er zijn in de Bijbel twee soorten te onderscheiden; die geld beheren en die voor de armen zorgen. Onder de laatste vielen ook de vrouwen of de weduwen uit 1 Tim. 5:10. Maar in de smalle zin van het woord diaken worden hen bedoeld die aangesteld zijn over de uitdeling van de aalmoezen, de armenkas en de zorg voor de armen.
[10] Voor de goede orde in de inrichting van de heilige vergadering, is het noodzakelijk om niemand een ambt toe te delen die niet geroepen is. Zo deed Paulus het ook, hij legitimeerde zijn apostelambt door te verwijzen naar zijn roeping.
[11] Wat Calvijn hier beschrijft is de uitwendige en ceremoniële roeping. De inwendige roeping van de dienaar wordt hier niet behandeld. Het gaat er dan om dat we het ambt niet uit eerzucht, hebzucht of andere zuchten willen, maar om de opbouw van de gemeente. Er zijn ook mensen met een particuliere roeping tot het ambt. Dat is de ontdekking dat iemand geschikt is voor het ambt, vroomheid en kennis.
[12] Wat voor mensen mogen gekozen worden? Dat zijn mensen die gezonf in de leer zijn, een heilige levenswandel hebben en geen feiten aan zich hebben hangen dat het ambt in diskrediet zou brengen. En hij moet geschikt zijn voor de taak. Met een biddende en vastende houding zou men zich moeten toeleggen op de verkiezing.
[13] Het is lastig te bepalen wie de ambtsdragers moeten kiezen. De apostelen werden niet door mensen, maar door God aangesteld, zoals ook Paulus zelf vaak vertelt in zijn brieven. Daarvoor is het dan ook een buitengewoon ambt, apostel.
[14] Het is een Bijbelse manier van doen dor een opzichter mensen aan te laten wijzen voor het ambt. Ook moeten we niet vergeten dat de apostel Paulus na een goddelijke verkiezing ook door een menselijke inzetting is bevestigd. Dat laat zien dat God de menselijke verkiezing ook goedkeurt. Daarom kozen de 11 discipelen ook twee anderen waar het lot over mocht beslissen welke de 12de apostel zou zijn.
[15] De verkiezing tot het ambt kan gebeuren door een persoon zoals ook Titus en Timotheüs doen, maar het is een vergissing om te denken dat ze dit deden naar eigen goeddunken. Ze gaven adviezen aan het volk en konden niet doen wat ze goed dachten. Zo werden ook de nieuwe apostelen verkozen, door het volk dat met een hand laat zien wie ze willen hebben. Net als in een volksvergadering. Op deze manier heeft Cyprianus dan ook gelijk als hij zegt dat het gezag naar God terug te leiden is als een priester voor en door het volk wordt gekozen. Het volk mag kiezen, maar dan wel onder begeleiding van ambtsdragers om de orde en goede bedoelingen te waarborgen..
Morgen lezen we boek IV.3.16 - IV.4.4
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[9] Diakenen zijn er voor de zorg voor de armen. Er zijn in de Bijbel twee soorten te onderscheiden; die geld beheren en die voor de armen zorgen. Onder de laatste vielen ook de vrouwen of de weduwen uit 1 Tim. 5:10. Maar in de smalle zin van het woord diaken worden hen bedoeld die aangesteld zijn over de uitdeling van de aalmoezen, de armenkas en de zorg voor de armen.
[10] Voor de goede orde in de inrichting van de heilige vergadering, is het noodzakelijk om niemand een ambt toe te delen die niet geroepen is. Zo deed Paulus het ook, hij legitimeerde zijn apostelambt door te verwijzen naar zijn roeping.
[11] Wat Calvijn hier beschrijft is de uitwendige en ceremoniële roeping. De inwendige roeping van de dienaar wordt hier niet behandeld. Het gaat er dan om dat we het ambt niet uit eerzucht, hebzucht of andere zuchten willen, maar om de opbouw van de gemeente. Er zijn ook mensen met een particuliere roeping tot het ambt. Dat is de ontdekking dat iemand geschikt is voor het ambt, vroomheid en kennis.
[12] Wat voor mensen mogen gekozen worden? Dat zijn mensen die gezonf in de leer zijn, een heilige levenswandel hebben en geen feiten aan zich hebben hangen dat het ambt in diskrediet zou brengen. En hij moet geschikt zijn voor de taak. Met een biddende en vastende houding zou men zich moeten toeleggen op de verkiezing.
[13] Het is lastig te bepalen wie de ambtsdragers moeten kiezen. De apostelen werden niet door mensen, maar door God aangesteld, zoals ook Paulus zelf vaak vertelt in zijn brieven. Daarvoor is het dan ook een buitengewoon ambt, apostel.
[14] Het is een Bijbelse manier van doen dor een opzichter mensen aan te laten wijzen voor het ambt. Ook moeten we niet vergeten dat de apostel Paulus na een goddelijke verkiezing ook door een menselijke inzetting is bevestigd. Dat laat zien dat God de menselijke verkiezing ook goedkeurt. Daarom kozen de 11 discipelen ook twee anderen waar het lot over mocht beslissen welke de 12de apostel zou zijn.
[15] De verkiezing tot het ambt kan gebeuren door een persoon zoals ook Titus en Timotheüs doen, maar het is een vergissing om te denken dat ze dit deden naar eigen goeddunken. Ze gaven adviezen aan het volk en konden niet doen wat ze goed dachten. Zo werden ook de nieuwe apostelen verkozen, door het volk dat met een hand laat zien wie ze willen hebben. Net als in een volksvergadering. Op deze manier heeft Cyprianus dan ook gelijk als hij zegt dat het gezag naar God terug te leiden is als een priester voor en door het volk wordt gekozen. Het volk mag kiezen, maar dan wel onder begeleiding van ambtsdragers om de orde en goede bedoelingen te waarborgen..
Morgen lezen we boek IV.3.16 - IV.4.4
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)