En weer verder. [6] Het vergaderen van schatten in de hemel. De goede werken worden vergeleken met rijkdommen die we kunnen genieten in het geluk van het eeuwige leven. Dit is te vergelijken met mensen die gaan emigreren, die sturen hun spullen ook vast naar het buitenland naar hun nieuwe adres alvorens ze zelf gaan reizen. En dit doen mensen door middel van geven aan de armen.
[7] Er zijn ook een paar teksten waarin het lijden omwille God op een verdienste lijkt te komen(2 Thess. 1:5; Hebr. 6:10). De eerste tekst gaat over de gelijkvoormigheid aan Christus door verheerlijkt te zijn ná het lijden. De littekenen van de Here zijn kentekenen van Gods kinderen. De tekst uit Hebreeën gaat meer over de waarheid van Gods belofte dan om de billijkheid van de betaling van schuld.
[8] Er is ook een groepje teksten met de liefde als thema, 1 Kor. 13:2; 1 Kor. 13:13; Kol. 3:14;. Tegenstanders zeggen daarom dat de mens door liefde gerechtvaardigd word. Maar de eerste tekst gaat niet over het ware geloof en de tweede tekst gaat over de vruchtbaarheid van de deugden, niet over de verdienstelijkheid. De tegenstanders willen van de liefde een verdienste maken en zo langs Christus die de spil van de gerechtigheid is. Calvijns interpretatie van het stukje heeft te maken met dat er een paar keer het woord geloof staat in bredere en smallere betekenis. De derde tekst zou volgens de tegenstanders af te leiden zijn dat als de band van de liefde volmaakt is, deze het ook is van de gerechtigheid, want dat is niet anders dan de gerechtigheid. Maar daar gaat volgens Calvijn de tekst niet over, en dan nog, wie heeft dan die liefde volkomen verwerkelijkt?
[9] Calvijn besluit met een algemene opmerking van een tekst die door alle tegenstanders van de universiteit van Sorbonne wordt geliefd. De rijke jongeling van Matt. 19. Een sluitend argument omdat Jezus zegt dat de geboden het eeuwige leven verdienen. MAar uit de context blijkt dat Jezus Zich aanpast aan de vragensteller. Terecht wordt deze op de Wet als spiegel van de gerechtigheid gewezen. Maar pas bij het verschil tussen de volmaakte gerechtigheid en het eigen leven is de noodzaak van Christus zichtbaar. De man leert nu iets over zichzelf.
[10] Er zijn nog wat slimmigheden waar Calvijn niet op in wil gaan, te vermoeiend voor de beste man. Toch is er een schijnbaar redelijk argument waar hij niet aan voorbij wil gaan. Er zijn mensen die één maatstaf voor zonde en goede werken lijken te hanteren. Iedere zonde op zich is een ongerechtigheid, maar ieder goed werk is een gerechtigheid op zich. Ze gaan hier voorbij aan het feit dat de volmaaktheid zit in de voortdurende onderhouding van de Wet, niet een enkel werk. En dat aan één gebodsovertreding de hele Wet overtreden wordt.
Morgen lezen we boek III.19.1 - II.19.7
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Posts tonen met het label rechtvaardiging. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rechtvaardiging. Alle posts tonen
woensdag 15 juli 2015
maandag 13 juli 2015
13-07; Boek III.17.11 - III.17.15
De 28ste week van Lectio Calvini.
[11] De tegenstanders van Calvijn zeggen dat hij zijn handen vol moet hebben met het Bijbelboek Jakobus. Het gaatg om de tegenspraak tussen rechtvaardiging, niet alleen door geloof(Jak. 2:21ec) en rechtvaardiging door geloof alleen(Rom. 4:3). Hoe zijn deze teksten overeen te stemmen. Jakobus schrijft tegen mensen die zonder de kenmerkende werken voor gelovige, zichzelf toch nog lieten voorstaan op hun geloof. Uit de tekst blijkt dat Jakobus het onterechte zelfvertrouwen van die mensen ook 'geloof' noemt, iets wat er op lijkt maar het niet is. Het is het geloof dat God bestaat, niet meer dan dat. Het geloof rechtvaardigt niet omdat het kennis over het bestaan van God brengt, maar omdat het doet rusten in de zekerheid van Gods ontferming.
[12] Bij Jakobus blijkt uit het schrijven dat rechtvaardigen een andere betekenis heeft dan bij Paulus. Bij Jakobus is Abraham pas gerechtvaardigd door het offeren van Izaäk. Maar Genesis vertelt dat Abraham al lang daarvoor gerechtvaardigd is, er moet dus een andere betekenis aan het woord zitten dan bij Paulus Jakobus bedoelt hier. Jakobus gebruikt rechtvaardigheid hier dan ook om rechtvaardigheid te bewijzen door middel van gehoorzaamheid en goede werken.
[13] Ook halen de tegenstanders Rom. 2:13 aan. Hier gaat het om de Joden wakker te schudden die een grote kennis had van de Wet, maar de Wet niet deden. Het doel van het stukje is om te laten zien dat iedereen tekort geschoten is in het doen van de Wet, Joden en heidenen samen. Het is niet de bedoeling om te laten zien dat mensen door de Wet gerechtvaardigd worden.
[14] Ook worden er door sommige teksten aangehaald, voornamelijk uit de Psalmen, waarin mensen hun gerechtigheid bij God in herinnering roepen(bijv. Ps. 7:9). De teksten zijn vaak beter te verklaren als je let in welke context of samenhang ze staan, het gaat ook om de teksten eromheen. Dan blijkt dat in de eerste plaats het om een bijzondere omstandigheid wanneer zoiets wordt gezegd, en niet aan de maatstaf van Gods volmaaktheid, maar in vergelijking met de verdorvenheden van andere mensen. Als het gaat om rechtvaardigheid, wordt dit altijd gezegd over iemands hele leven. De mensen houden het vertrouwen op God en roepen Hem aan omdat ze als onschuldigen worden verdrukt. Ze roepen God op als Rechter tussen hen en hun tegenstanders.
[15] Er zijn meer teksten die ongeveer hetzelfde bedoelen als bovenstaand. Maar er is niemand zo volmaakt, dus moet iedereen wel omkomen of vertrouwen op Gods barmhartigheid. Hun werken zijn in het genadeverbond opgenomen. Niet op de manier van de Scholastiek, dat de werken nu wel de zaligheid verdienen.
Er zijn gebeden van de apostel waarin volmaaktheid van de gelovigen werd gewenst. Dit is in het verleden door aanhangers van ene Coelestius aangehaald om te betogen dat volmaaktheid in dit leven kan worden behaald. Met Augustinus vindt Calvijn dat dat pas zal lukken in de hemel na de aardse dood. Desondanks zijn gelovigen volmaakt te noemen, ook omdat ze ootmoedig zijn en weten van hun onvolmaaktheid.
Morgen lezen we boek III.18.1 - III.18.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[11] De tegenstanders van Calvijn zeggen dat hij zijn handen vol moet hebben met het Bijbelboek Jakobus. Het gaatg om de tegenspraak tussen rechtvaardiging, niet alleen door geloof(Jak. 2:21ec) en rechtvaardiging door geloof alleen(Rom. 4:3). Hoe zijn deze teksten overeen te stemmen. Jakobus schrijft tegen mensen die zonder de kenmerkende werken voor gelovige, zichzelf toch nog lieten voorstaan op hun geloof. Uit de tekst blijkt dat Jakobus het onterechte zelfvertrouwen van die mensen ook 'geloof' noemt, iets wat er op lijkt maar het niet is. Het is het geloof dat God bestaat, niet meer dan dat. Het geloof rechtvaardigt niet omdat het kennis over het bestaan van God brengt, maar omdat het doet rusten in de zekerheid van Gods ontferming.
[12] Bij Jakobus blijkt uit het schrijven dat rechtvaardigen een andere betekenis heeft dan bij Paulus. Bij Jakobus is Abraham pas gerechtvaardigd door het offeren van Izaäk. Maar Genesis vertelt dat Abraham al lang daarvoor gerechtvaardigd is, er moet dus een andere betekenis aan het woord zitten dan bij Paulus Jakobus bedoelt hier. Jakobus gebruikt rechtvaardigheid hier dan ook om rechtvaardigheid te bewijzen door middel van gehoorzaamheid en goede werken.
[13] Ook halen de tegenstanders Rom. 2:13 aan. Hier gaat het om de Joden wakker te schudden die een grote kennis had van de Wet, maar de Wet niet deden. Het doel van het stukje is om te laten zien dat iedereen tekort geschoten is in het doen van de Wet, Joden en heidenen samen. Het is niet de bedoeling om te laten zien dat mensen door de Wet gerechtvaardigd worden.
[14] Ook worden er door sommige teksten aangehaald, voornamelijk uit de Psalmen, waarin mensen hun gerechtigheid bij God in herinnering roepen(bijv. Ps. 7:9). De teksten zijn vaak beter te verklaren als je let in welke context of samenhang ze staan, het gaat ook om de teksten eromheen. Dan blijkt dat in de eerste plaats het om een bijzondere omstandigheid wanneer zoiets wordt gezegd, en niet aan de maatstaf van Gods volmaaktheid, maar in vergelijking met de verdorvenheden van andere mensen. Als het gaat om rechtvaardigheid, wordt dit altijd gezegd over iemands hele leven. De mensen houden het vertrouwen op God en roepen Hem aan omdat ze als onschuldigen worden verdrukt. Ze roepen God op als Rechter tussen hen en hun tegenstanders.
[15] Er zijn meer teksten die ongeveer hetzelfde bedoelen als bovenstaand. Maar er is niemand zo volmaakt, dus moet iedereen wel omkomen of vertrouwen op Gods barmhartigheid. Hun werken zijn in het genadeverbond opgenomen. Niet op de manier van de Scholastiek, dat de werken nu wel de zaligheid verdienen.
Er zijn gebeden van de apostel waarin volmaaktheid van de gelovigen werd gewenst. Dit is in het verleden door aanhangers van ene Coelestius aangehaald om te betogen dat volmaaktheid in dit leven kan worden behaald. Met Augustinus vindt Calvijn dat dat pas zal lukken in de hemel na de aardse dood. Desondanks zijn gelovigen volmaakt te noemen, ook omdat ze ootmoedig zijn en weten van hun onvolmaaktheid.
Morgen lezen we boek III.18.1 - III.18.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
vrijdag 10 juli 2015
10-07; Boek III.17.6 - III.17.10
[6] Calvijn maakt een onderscheid tussen de beloften van de Wet en de beloften voor de bediening van de Wet. Als er staat dat God weldadigheid betracht aan mensen de Zijn Wet betrachten, wordt er bedoeld dat de mensen als God kinderen aangenomen zijn om God als Vader te eren en hun plicht te vervullen. Maar aan de andere kant is de vervulling hiervan niet om werken, maar aan mensen die zich bekeren en door de Geest tot het goede geleid worden.
[7] Er zijn ook teksten die het woord 'gerechtigheid' gebruiken en suggereren dat de mens door werken uit de Wet gerechtvaardigd zijn. Deze teksten worden gebruikt door de tegenstanders om te laten zien dat het niet alleen door geloof is om gerechtvaardigd te worden. Maar, aldus Calvijn, de voorschriften van de Wet zíjn ook gerechtigheden. Het is een ongelukkige vertaling van Hebreeuws naar Grieks. Het probleem ligt bij de mens. De voorschriften van de Wet zijn gerechtigheden, maar om de gerechtigheid te verdienen moet men zich aan de hele Wet houden. Voor heiligen worden hun gerechtigheden wel van de Wet afgemeten, niet naar hun eigen hoedanigheden
[8] Er is ook een discussie over de gerechtigheid van Abraham vergeleken met die van Pinehas. Maar bij Abraham gaat het om de rechtvaardiging door geloof, bij Pinehas is het een geloof na de aanneming en vergeving van zonde en doet Pinehas dus uit geloof een goed werk dat hem tot rechtvaardigheid wordt gerekend,.
[9] Calvijn vraagt aan de mensen die hier bezwaar tegen maken of mensen rechtvaardig geacht kunnen worden om één of twee heilige werken terwijl hij met alle andere dader een overtreder van de Wet is. En of men niet alle werken moet doen en of niet allee werken onvolledig zijn. Zo wordt duidelijk dat werken geen fundament zijn om gerechtigheid op te bouwen.
[10] De werken zijn dan wel ten dele ter rechtvaardiging, maar op een heel ander fundament. De werken worden in vergeving van zonden aangenomen. Niet alleen de mens zelf, maar ook zijn werken worden door het geloof in Christus gerechtvaardigd. Uiteindelijk zijn beide afhankelijk van genade.
Volgende week lezen we boek III.17.11 - III.17.15.
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[7] Er zijn ook teksten die het woord 'gerechtigheid' gebruiken en suggereren dat de mens door werken uit de Wet gerechtvaardigd zijn. Deze teksten worden gebruikt door de tegenstanders om te laten zien dat het niet alleen door geloof is om gerechtvaardigd te worden. Maar, aldus Calvijn, de voorschriften van de Wet zíjn ook gerechtigheden. Het is een ongelukkige vertaling van Hebreeuws naar Grieks. Het probleem ligt bij de mens. De voorschriften van de Wet zijn gerechtigheden, maar om de gerechtigheid te verdienen moet men zich aan de hele Wet houden. Voor heiligen worden hun gerechtigheden wel van de Wet afgemeten, niet naar hun eigen hoedanigheden
[8] Er is ook een discussie over de gerechtigheid van Abraham vergeleken met die van Pinehas. Maar bij Abraham gaat het om de rechtvaardiging door geloof, bij Pinehas is het een geloof na de aanneming en vergeving van zonde en doet Pinehas dus uit geloof een goed werk dat hem tot rechtvaardigheid wordt gerekend,.
[9] Calvijn vraagt aan de mensen die hier bezwaar tegen maken of mensen rechtvaardig geacht kunnen worden om één of twee heilige werken terwijl hij met alle andere dader een overtreder van de Wet is. En of men niet alle werken moet doen en of niet allee werken onvolledig zijn. Zo wordt duidelijk dat werken geen fundament zijn om gerechtigheid op te bouwen.
[10] De werken zijn dan wel ten dele ter rechtvaardiging, maar op een heel ander fundament. De werken worden in vergeving van zonden aangenomen. Niet alleen de mens zelf, maar ook zijn werken worden door het geloof in Christus gerechtvaardigd. Uiteindelijk zijn beide afhankelijk van genade.
Volgende week lezen we boek III.17.11 - III.17.15.
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 9 juli 2015
09-07; Boek III.17.1 - III.17.5
Calvijn gaat vrolijk verder met het behandelen van de tegenargumenten uit de scholastiek.
[1] Interessante tegenwerping is dat de beloften van de Wet niet krachteloos zijn. Er zijn veel teksten in de Bijbel die dit lijken te zeggen. Maar Calvijn heeft al duidelijk gemaakt dat dit alleen geldt voor degene die de Wet volmaakt onderhoudt. Voor ieder is er dus de vloek van de Wet waar de mens van bevrijd moet worden. En dat geschiedt uit genade.
[2] Niemand zou aan de voorwaarde van de Wet kunnen voldoen, dus op die wijze is de belofte van de Wet krachteloos. Daarom is Christus gegeven, niet als aanvulling op onze werken, maar om door geloof te rechtvaardigen. Het is niet de belofte van de Wet, maar onze mogelijkheden om de Wet te vervullen waar het probleem ligt.
[3] Op zichzelf genomen zou de Wet net zo goed niet gegeven kunnen zijn. Maar de beloften in het licht van het Evangelie maakt dat we goede werken kunnen doen. Daartoe de Wet dus. Zo vallen de intrinsieke waarde van werken op hun plaats als echt intrinsiek, en niet binnen een verbond toegekend.
[4] Sommigen concluderen op basis van Hand. 10:34e.v. dat een mens dus weer Gods gunst verwerft. Maar ze letten er niet op dat de mens niks heeft en alleen maar kwaad wil, dus dat er geen aanleiding is voor een goddelijke roeping. Ook werd Cornelius in hetzelfde hoofdstuk niet voorbereid op het krijgen van Gods genade door zijn gebeden en aalmoezen. Het is meer andersom. De aanneming van God is pure goedheid en de mensen zijn het eigenlijk onwaardig.
[5] God rust de mens toe om goede werken te doen en deze goede werken zijn God aangenaam. In die zin bemint God de trekken van Zijn eigen gelaat in de mensen.
Morgen lezen we boek III.17.6 - III.17.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[1] Interessante tegenwerping is dat de beloften van de Wet niet krachteloos zijn. Er zijn veel teksten in de Bijbel die dit lijken te zeggen. Maar Calvijn heeft al duidelijk gemaakt dat dit alleen geldt voor degene die de Wet volmaakt onderhoudt. Voor ieder is er dus de vloek van de Wet waar de mens van bevrijd moet worden. En dat geschiedt uit genade.
[2] Niemand zou aan de voorwaarde van de Wet kunnen voldoen, dus op die wijze is de belofte van de Wet krachteloos. Daarom is Christus gegeven, niet als aanvulling op onze werken, maar om door geloof te rechtvaardigen. Het is niet de belofte van de Wet, maar onze mogelijkheden om de Wet te vervullen waar het probleem ligt.
[3] Op zichzelf genomen zou de Wet net zo goed niet gegeven kunnen zijn. Maar de beloften in het licht van het Evangelie maakt dat we goede werken kunnen doen. Daartoe de Wet dus. Zo vallen de intrinsieke waarde van werken op hun plaats als echt intrinsiek, en niet binnen een verbond toegekend.
[4] Sommigen concluderen op basis van Hand. 10:34e.v. dat een mens dus weer Gods gunst verwerft. Maar ze letten er niet op dat de mens niks heeft en alleen maar kwaad wil, dus dat er geen aanleiding is voor een goddelijke roeping. Ook werd Cornelius in hetzelfde hoofdstuk niet voorbereid op het krijgen van Gods genade door zijn gebeden en aalmoezen. Het is meer andersom. De aanneming van God is pure goedheid en de mensen zijn het eigenlijk onwaardig.
[5] God rust de mens toe om goede werken te doen en deze goede werken zijn God aangenaam. In die zin bemint God de trekken van Zijn eigen gelaat in de mensen.
Morgen lezen we boek III.17.6 - III.17.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 8 juli 2015
08-07; Boek III.16.1 - III.16.4
[1] Calvijn weerlegt enkele lastsprekers die op de leer gereageerd hebben. Er zijn mensen die zeggen dat Calvijn de goede werken afschaft en mensen niet meer hiertoe aanspoort door de nadruk te leggen op rechtvaardiging door geloof. Ze zijn treurig als er meer geloof is en minder werken. Maar Calvijn stelt dat werken juist het geloof versterken, slechts de rechtvaardiging is uit geloof en niet uit werken. We kunnen de rechtaardiging van Christus ons niet toeeigenen zonder de heiligmaking toe te eigenen(vgl. 1 Kor. 1:30).
[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.
[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.
[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?
Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.
Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.
[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.
[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?
Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.
Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 6 juli 2015
06-06; Boek III.14.19 - III.15.3
Week 27 van Lectio Calvini. Misschien moet ik van de week maar eens gaan vooruit lezen en het posten automatiseren om echt vakantie te vieren, als dat nodig is.
Eerst verder wat Calvijn zegt. [19] Heiligen kunnen uit hun geweten troost putten en blijdschap halen, omdat het reine geweten een vrucht is van de roeping. Ze weten dat er nog veel vlees mee vermengd is, maar ze hebben eerst de goedheid van God omarmt, en vinden zo de mogelijkheid om Gods bijstand in moeilijke omstandigheden te verwachten. Het is ook een verkondiging van Gods weldaden, ze gaan niet de genade van God hierin voorbij, maar doordenken hoeveel liefde hier wel niet in zit.
[20] Gelovigen zien hun werken(naast een teken van hun uitverkiezing) als een gave van God en afhankelijk van de gerechtigheid in Christus. Ook Augustinus leerde dit. Het gelovig hart vraagt God om Zijn werk in de mens te zien, niet het werk van de mens zelf.
[21] Als er in de Bijbel staat dat God de werken van de gelovigen aanneemt, moet men dat volgens Calvijn op de volgende manier lezen. Het doel wordt in het spreken als oorzaak genoemd. Het is niet het oorzakelijke verband. God geeft het eeuwige leven door middel van goede werken. Genade volgt op genade, eerst geeft God werken en aan die genade knoopt God als het ware de genade van het eeuwig leven aan vast.
[1] Het bovenstaande is als volgt samen te vatten; gerechtigheid moet op de gemeenschap met Christus(geloof) berusten of het kan niet voor Gods aangezicht bestaan als het op eigen werken steunt. In alle verwarrende gesprekken moet hieraan vastgehouden worden. En dat rechtvaardigheid uit werken volkomen en absolute onderhouding van de hele Wet is. Een andere vraag is of dde onvolkomen werken niet uit genade aangenomen worden.
[2] Calvijn is niet echt blij met diegene die het woord 'verdienste' als eerste heeft gebruikt in de theologie. Hij is sowieso geen fan buitenbijbelse woorden, zoals hij al aangaf in de discussie over de Drieëenheid. Ook hebben de kerkvaders blijkbaar aanleiding gegeven om het mis te verstaan. Augustinus, Chrysostomus en Bernardus houden vast aan de waarheid, maar Calvijn laat zien dat vooral de laatste van de drie de waarheid van zijn scherpte ontneemt.
[3] De bijbel leert dat onze werken vol ongerechtigheid zijn en dat de volkomen onderhouding van de Wet een schuldige plicht is in plaats van een beloning waardig. Maar aan de andere kant geeft God ons ook goede werken die Hij zal belonen. Desondanks is het pure ondankbaarheid om de eer hiervoor te verdelen in plaats van God alle eer hiervoor te geven. God geeft goede gaven die Hij beloont. Maar het is niet zo dat we hierop kunnen pochen, als een vrijgekochte slaaf die zich presenteert als een vrijgeborene.
Morgen lezen we boek III.15.4 - III.15.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Eerst verder wat Calvijn zegt. [19] Heiligen kunnen uit hun geweten troost putten en blijdschap halen, omdat het reine geweten een vrucht is van de roeping. Ze weten dat er nog veel vlees mee vermengd is, maar ze hebben eerst de goedheid van God omarmt, en vinden zo de mogelijkheid om Gods bijstand in moeilijke omstandigheden te verwachten. Het is ook een verkondiging van Gods weldaden, ze gaan niet de genade van God hierin voorbij, maar doordenken hoeveel liefde hier wel niet in zit.
[20] Gelovigen zien hun werken(naast een teken van hun uitverkiezing) als een gave van God en afhankelijk van de gerechtigheid in Christus. Ook Augustinus leerde dit. Het gelovig hart vraagt God om Zijn werk in de mens te zien, niet het werk van de mens zelf.
[21] Als er in de Bijbel staat dat God de werken van de gelovigen aanneemt, moet men dat volgens Calvijn op de volgende manier lezen. Het doel wordt in het spreken als oorzaak genoemd. Het is niet het oorzakelijke verband. God geeft het eeuwige leven door middel van goede werken. Genade volgt op genade, eerst geeft God werken en aan die genade knoopt God als het ware de genade van het eeuwig leven aan vast.
[1] Het bovenstaande is als volgt samen te vatten; gerechtigheid moet op de gemeenschap met Christus(geloof) berusten of het kan niet voor Gods aangezicht bestaan als het op eigen werken steunt. In alle verwarrende gesprekken moet hieraan vastgehouden worden. En dat rechtvaardigheid uit werken volkomen en absolute onderhouding van de hele Wet is. Een andere vraag is of dde onvolkomen werken niet uit genade aangenomen worden.
[2] Calvijn is niet echt blij met diegene die het woord 'verdienste' als eerste heeft gebruikt in de theologie. Hij is sowieso geen fan buitenbijbelse woorden, zoals hij al aangaf in de discussie over de Drieëenheid. Ook hebben de kerkvaders blijkbaar aanleiding gegeven om het mis te verstaan. Augustinus, Chrysostomus en Bernardus houden vast aan de waarheid, maar Calvijn laat zien dat vooral de laatste van de drie de waarheid van zijn scherpte ontneemt.
[3] De bijbel leert dat onze werken vol ongerechtigheid zijn en dat de volkomen onderhouding van de Wet een schuldige plicht is in plaats van een beloning waardig. Maar aan de andere kant geeft God ons ook goede werken die Hij zal belonen. Desondanks is het pure ondankbaarheid om de eer hiervoor te verdelen in plaats van God alle eer hiervoor te geven. God geeft goede gaven die Hij beloont. Maar het is niet zo dat we hierop kunnen pochen, als een vrijgekochte slaaf die zich presenteert als een vrijgeborene.
Morgen lezen we boek III.15.4 - III.15.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 2 juli 2015
02-07;Boek III.14.12 - III.14.18
De laatste lezing van deze week, het Amerikaanse rooster houdt ergens deze week blijkbaar Independence Day(Ik moet altijd denken aan die film over de buitenlandse invasie).
In dit gedeelte gaat Calvijn in discussie met de scholastici. [12] Hun uitvlucht is dat hun werken niet genoeg intrinsieke waarde hebben. Deze werken worden desondanks aanvaard uit genade, bovendien kunnen de verdere zonden altijd gecompenseerd worden met werken die boven de Wet uitgaan. Maar die aanvaarding uit genade is volgens Calvijn niets anders dan de genadige goedheid waarmee God ons in Christus omhelst en ons daarin voor heilig, rein en onschuldig houdt. door het geloof hebben we blijvende vergeving van zonde.
[13] God heeft een belofte en een vloek aan de Wet gehangen, en daarmee een partiële gerechtigheid uitgesloten. De onderhouding zou leven geven en een overtreding is de hele Wet overtreden. Ook maakt God duidelijk dat er geen gerechtigheid op grond van werken bestaat buiten de volmaakte onderhouding van Zijn Wet. De werken boven de Wet kunnen gewoonweg niet bestaan. De scholastici beseffen niet hoe diep de zonde zit. Vijanden van god kunnen Hem niets geven wat Hij kan en wil accepteren, en ieder die Hij de zonden toerekent is Zijn vijand.
[14] Op basis van Lukas 17:10 moeten we niet denken dat we God geen gunst bewijzen door te doen wat we moeten doen, maar dat we doen wat we behoren te doen. Zelfs al zouden dit alle goede werken van de hele mensheid samen zijn. We kunnen ons er niet op beroemen er een schepje boven op te doen, de dienst aan God kent geen 'mag-het-een-onsje-meer-zijn. Er kan ook niets verzonnen worden wat niet in de Wet te vinden is, dus roemen op eigen wil is zinloos.
[15] Sommige mensen bewijzen bovenstaand punt met Paulus' afstand nemen tot zijn recht, maar vergeten dat dit gebeurde om de zwakken geen aanstoot te geven(1 Kor. 9). In die zin deed Paulus niets verdienstelijks, maar wat nodig was en wat hij schuldig was te doen. Ook wat werken boven de Wet zouden zijn is wat God niet heeft bevolen, niet goedkeurt en ook niet aanvaarden zal. De OT-profeten hebben het vaker over dit soort werken.
[16] Dus geen vertrouwen stellen in werken en ook niet lopen te pochen met werken. Ons werk stinkt en het is alleen om Christus' wil dat ze aanvaard worden. Ook Job wil niet tegen Gods rechtvaardigheid ruziën, maar ziet ook zijn rechtvaardigheid voor God geen standhouden.
[17] Ook de aristoteliaanse causaliteitsleer(https://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles#Kosmologie_.2F_ontologie, derde meest linkse bullet) van de filosofen laat voor de mens geen bijdrage van de mens zien. De werkoorzaak(causa efficiens)
van het eeuwig leven is de barmhartigheid en liefde van God, de materiële oorzaak(causa materialis) is Christus en Zijn gehoorzaamheid, de formele oorzaak(causa formalis) is het geloof. Deze zijn terug te vinden in Johannes 3:16. De doeloorzaak(causa finalis) is volgens Paulus de betoning van Gods gerechtigheid en de lof op Gods goedheid. Er zit nog een rits van de vier oorzaken in Rom. 3:24-26. We zien dus dat de zaligheid tot in de kleinste details buiten ons ligt.
[18] Desondanks kunnen de heiligen wel spreken over hun onschuld en zuiverheid. Dit kan in vergelijking van hun goede zaak met de slechte zaak van de goddelozen. Of door niet te vergelijken, maar de reinheid van het geweten tot troost e vertrouwen aangrijpen. Dit is niet rusten in werken, maar zien op Gods goedheid, niet alleen als begin van hun zaligheid, maar ook als de vervulling daarvan. Calvijn is er niet op tegen om de tekenen van God in het leven te gebruiken als ondersteuning van het geloof.
Volgende week lezen we boek III.14.19 - III.15.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
In dit gedeelte gaat Calvijn in discussie met de scholastici. [12] Hun uitvlucht is dat hun werken niet genoeg intrinsieke waarde hebben. Deze werken worden desondanks aanvaard uit genade, bovendien kunnen de verdere zonden altijd gecompenseerd worden met werken die boven de Wet uitgaan. Maar die aanvaarding uit genade is volgens Calvijn niets anders dan de genadige goedheid waarmee God ons in Christus omhelst en ons daarin voor heilig, rein en onschuldig houdt. door het geloof hebben we blijvende vergeving van zonde.
[13] God heeft een belofte en een vloek aan de Wet gehangen, en daarmee een partiële gerechtigheid uitgesloten. De onderhouding zou leven geven en een overtreding is de hele Wet overtreden. Ook maakt God duidelijk dat er geen gerechtigheid op grond van werken bestaat buiten de volmaakte onderhouding van Zijn Wet. De werken boven de Wet kunnen gewoonweg niet bestaan. De scholastici beseffen niet hoe diep de zonde zit. Vijanden van god kunnen Hem niets geven wat Hij kan en wil accepteren, en ieder die Hij de zonden toerekent is Zijn vijand.
[14] Op basis van Lukas 17:10 moeten we niet denken dat we God geen gunst bewijzen door te doen wat we moeten doen, maar dat we doen wat we behoren te doen. Zelfs al zouden dit alle goede werken van de hele mensheid samen zijn. We kunnen ons er niet op beroemen er een schepje boven op te doen, de dienst aan God kent geen 'mag-het-een-onsje-meer-zijn. Er kan ook niets verzonnen worden wat niet in de Wet te vinden is, dus roemen op eigen wil is zinloos.
[15] Sommige mensen bewijzen bovenstaand punt met Paulus' afstand nemen tot zijn recht, maar vergeten dat dit gebeurde om de zwakken geen aanstoot te geven(1 Kor. 9). In die zin deed Paulus niets verdienstelijks, maar wat nodig was en wat hij schuldig was te doen. Ook wat werken boven de Wet zouden zijn is wat God niet heeft bevolen, niet goedkeurt en ook niet aanvaarden zal. De OT-profeten hebben het vaker over dit soort werken.
[16] Dus geen vertrouwen stellen in werken en ook niet lopen te pochen met werken. Ons werk stinkt en het is alleen om Christus' wil dat ze aanvaard worden. Ook Job wil niet tegen Gods rechtvaardigheid ruziën, maar ziet ook zijn rechtvaardigheid voor God geen standhouden.
[17] Ook de aristoteliaanse causaliteitsleer(https://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles#Kosmologie_.2F_ontologie, derde meest linkse bullet) van de filosofen laat voor de mens geen bijdrage van de mens zien. De werkoorzaak(causa efficiens)
van het eeuwig leven is de barmhartigheid en liefde van God, de materiële oorzaak(causa materialis) is Christus en Zijn gehoorzaamheid, de formele oorzaak(causa formalis) is het geloof. Deze zijn terug te vinden in Johannes 3:16. De doeloorzaak(causa finalis) is volgens Paulus de betoning van Gods gerechtigheid en de lof op Gods goedheid. Er zit nog een rits van de vier oorzaken in Rom. 3:24-26. We zien dus dat de zaligheid tot in de kleinste details buiten ons ligt.
[18] Desondanks kunnen de heiligen wel spreken over hun onschuld en zuiverheid. Dit kan in vergelijking van hun goede zaak met de slechte zaak van de goddelozen. Of door niet te vergelijken, maar de reinheid van het geweten tot troost e vertrouwen aangrijpen. Dit is niet rusten in werken, maar zien op Gods goedheid, niet alleen als begin van hun zaligheid, maar ook als de vervulling daarvan. Calvijn is er niet op tegen om de tekenen van God in het leven te gebruiken als ondersteuning van het geloof.
Volgende week lezen we boek III.14.19 - III.15.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 1 juli 2015
01-07; Boek III.14.6 - III.14.11
[6] Volgens de bijbeluitleg van Calvijn zijn we te zondig om iets aan gerechtigheid van God bij te dragen. We zijn van nature vijanden van God en Zijn liefde voor ons begint met de rechtvaardiging, dus er kunnen geen werken van de mens zijn kant aan vooraf gaan.
[7] De onreinheid van het geweten laat zien dat de mensen van de tweede en derde categorie ook niet wedergeboren zijn. Ze weten dat ze zondig zijn, maar vertrouwen op hun eigen werken. Maar de onreinheid van de zondaar maakt al zijn werken ook onrein.
[8] Ook de Bijbel(Jesaja) leert dat God op zich wel de werken van Zijn Wet wil, maar dan wel vanuit het hart. Met een onrein hart de Wet doen vergroot alleen maar de toorn. De persoon vindt geen genade door werken, maar de werken vinden genade door de persoon die geheiligd is door God.
[9] Over de ware gelovigen dan. Deze ontvangen bij de rechtvaardiging de Heilige Geest die ook brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet door vernieuwing. Desondanks blijven er resten van onze onvolkomenheid in het hart over. Deze ziet Calvijn als reden tot ootmoed. Er is geen heilige waarvan het beste werk zelfs niet bevlekt is.
[10] Al zouden we wel zuivere werken hebben, één zonde en alle eerdere gerechtigheid stort in elkaar als een kaartenhuis. De overtreding van een iets is de overtreding van de hele Wet. We moeten niet letten op het werk van de Wet maar op het gebod. Het is niet dat we naar een keer gerechtvaardigd te zijn onze zekerheid weer in de Wet zoeken, wat sommigen leren.
[11] De kern van het conflict is dat Calvijn de rechtvaardiging als de vernieuwing ziet die brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet terwijl de scholastici zeggen dat de mens na zijn rechtvaardiging nopeens goede werken kan afleveren. De Bijbel leert duidelijk dat ook de rechtvaardige zal leven door geloof. Het is dus niet een eenmalig moment, maar een levenslange bezigheid. Christus blijft voor eeuwig onze Middelaar.
Morgen lezen we boek III.14.12 - III.14.18
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[7] De onreinheid van het geweten laat zien dat de mensen van de tweede en derde categorie ook niet wedergeboren zijn. Ze weten dat ze zondig zijn, maar vertrouwen op hun eigen werken. Maar de onreinheid van de zondaar maakt al zijn werken ook onrein.
[8] Ook de Bijbel(Jesaja) leert dat God op zich wel de werken van Zijn Wet wil, maar dan wel vanuit het hart. Met een onrein hart de Wet doen vergroot alleen maar de toorn. De persoon vindt geen genade door werken, maar de werken vinden genade door de persoon die geheiligd is door God.
[9] Over de ware gelovigen dan. Deze ontvangen bij de rechtvaardiging de Heilige Geest die ook brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet door vernieuwing. Desondanks blijven er resten van onze onvolkomenheid in het hart over. Deze ziet Calvijn als reden tot ootmoed. Er is geen heilige waarvan het beste werk zelfs niet bevlekt is.
[10] Al zouden we wel zuivere werken hebben, één zonde en alle eerdere gerechtigheid stort in elkaar als een kaartenhuis. De overtreding van een iets is de overtreding van de hele Wet. We moeten niet letten op het werk van de Wet maar op het gebod. Het is niet dat we naar een keer gerechtvaardigd te zijn onze zekerheid weer in de Wet zoeken, wat sommigen leren.
[11] De kern van het conflict is dat Calvijn de rechtvaardiging als de vernieuwing ziet die brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet terwijl de scholastici zeggen dat de mens na zijn rechtvaardiging nopeens goede werken kan afleveren. De Bijbel leert duidelijk dat ook de rechtvaardige zal leven door geloof. Het is dus niet een eenmalig moment, maar een levenslange bezigheid. Christus blijft voor eeuwig onze Middelaar.
Morgen lezen we boek III.14.12 - III.14.18
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 30 juni 2015
30-06; Boek III.13.4 - III.14.5
[4] De kracht van de belofte ligt ook in het geloof, niet in de verdiensten. De belofte van God vindt zijn grond in Gods ontferming. Zo is er in de prediking niet waaraan je hoeft te twijfelen(Augustinus). Dus de beloften zijn alleen van kracht als ze in vertrouwen met geloof worden aangenomen, hiertegenover staan twijfel en je gerustheid vinden in werken. Christenen hebben hun zekerheid te vinden in Christus. [5] Aan de hand van Paulus wordt dit nog eens bevestigd door Calvijn. Hij is m.i. wat breedsprakig over dit onderwerp.
[1] Nu een stuk antropologie, er zijn vier soorten mensen ten opzichte van de rechtvaardiging.
- Mensen in afgodendienst zonder kennis van God.
- Ingewijde mensen(gedoopt), maar leven niet volgens Gods wil. Naamchristenen.
- Geveinsden, mensen die moedwillig de boel bedriegen(waar die van soort 2 te onderscheiden zijn wordt hopelijk uitgewerkt, want ik zie het nu niet.
- Echt weder geboren mensen die heilig proberen te leven.
Bij de eerste soort mensen is er geen gerechtigheid te vinden. Ze kunnen indrukwekkende daden doen en eerbaar leven, maar het gaat om de bron waar dit alles uitvloeit, hun hart.
[2] Uiteraard zijn alle deugden aan hen geschenken van God, we mogen ook wel in die zin goede en slechte mensen zien. Ongelovigen die fatsoenlijk leven moet je niet voor de dictators en losbandige mensen houden. Uiterlijke deugden hebben hun waarden en daarom beloont God deze met tijdelijke goederen.
[3] Maar Augustinus heeft ook gelijk, dat tegelijkertijd deze mensen straf verdienen, omdat ze dit alles alleen maar uit eerzucht en eigenliefde nastreven. De onzuiverheid van hun hart zorgt ervoor dat de deugden in de oorsprong aangetast zijn. Ze hebben geen oog voor het doel dat God in Zijn wijsheid aanwijst.
[4] Buiten Christus is er geen leven, geen deugd. Augustinus zegt dat het geloof van wat eerst goede werken leken, zonde maakt. Dat het beter is te hinken op de weg dan te rennen naast de weg. Zonder de gemeenschap met Christus is er geen heiligmaking
[5] De ongelovige mens is dood en kan niks bijdragen qua werken. De mens is tot niets in staat. Hiervan getuigt de Bijbel vaak en duidelijk. Als we dit belijden ontzeggen we onszelf de gerechtigheid en belijden we echt dat Christus gekomen is om zondaren te roepen en niet de rechtvaardigen die met hun eigen werken komen aanzetten.
Morgen lezen we boek III.14.6 - III.14.11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[1] Nu een stuk antropologie, er zijn vier soorten mensen ten opzichte van de rechtvaardiging.
- Mensen in afgodendienst zonder kennis van God.
- Ingewijde mensen(gedoopt), maar leven niet volgens Gods wil. Naamchristenen.
- Geveinsden, mensen die moedwillig de boel bedriegen(waar die van soort 2 te onderscheiden zijn wordt hopelijk uitgewerkt, want ik zie het nu niet.
- Echt weder geboren mensen die heilig proberen te leven.
Bij de eerste soort mensen is er geen gerechtigheid te vinden. Ze kunnen indrukwekkende daden doen en eerbaar leven, maar het gaat om de bron waar dit alles uitvloeit, hun hart.
[2] Uiteraard zijn alle deugden aan hen geschenken van God, we mogen ook wel in die zin goede en slechte mensen zien. Ongelovigen die fatsoenlijk leven moet je niet voor de dictators en losbandige mensen houden. Uiterlijke deugden hebben hun waarden en daarom beloont God deze met tijdelijke goederen.
[3] Maar Augustinus heeft ook gelijk, dat tegelijkertijd deze mensen straf verdienen, omdat ze dit alles alleen maar uit eerzucht en eigenliefde nastreven. De onzuiverheid van hun hart zorgt ervoor dat de deugden in de oorsprong aangetast zijn. Ze hebben geen oog voor het doel dat God in Zijn wijsheid aanwijst.
[4] Buiten Christus is er geen leven, geen deugd. Augustinus zegt dat het geloof van wat eerst goede werken leken, zonde maakt. Dat het beter is te hinken op de weg dan te rennen naast de weg. Zonder de gemeenschap met Christus is er geen heiligmaking
[5] De ongelovige mens is dood en kan niks bijdragen qua werken. De mens is tot niets in staat. Hiervan getuigt de Bijbel vaak en duidelijk. Als we dit belijden ontzeggen we onszelf de gerechtigheid en belijden we echt dat Christus gekomen is om zondaren te roepen en niet de rechtvaardigen die met hun eigen werken komen aanzetten.
Morgen lezen we boek III.14.6 - III.14.11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 29 juni 2015
29-06; Boek III.12.6 - III.3.3
Week 26 van Lectio Calvini, gaat lekker!
[6] Ootmoed is de totale ontlediging van het zelf, wie nog een klein beetje rechtvaardiging achter houdt is niet ootmoedig en is zelfs niet bescheiden. Ootmoed is verslagen neerliggen in je armoede. Het gaat om de verbrijzeling van het hart, die je het onmogelijk maakt om op te staan.
[7] De vergelijking van de tollenaar spreekt boekdelen(Luk. 18) De tollenaar heeft oprechte verootmoediging. De farizeeër erkent dat zijn gerechtigheid een gave van God is, maar de manier waarop hij hiermee omgaat leidt hem direct weg van het aangezicht van God als onwelgevallig en gehaat. Ons hart zit zo dus direct op slot en kan de barmhartigheid niet ontvangen. Jezus is gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar de zondaren.
[8] We moeten ons ontdoen van de ongevoeligheid voor zonden en de toorn van God, als ook van vertrouwen in onszelf, om tot Christus te vluchten en door Hem vervuld te worden. We kunnen alleen getroost worden als we niet van alle troost in onszelf afzien.
[1] Gods eer staat als een huis en hier is niks aan af te dingen. Wie in zichzelf roemt doet Gods eer te kort, dit laat de Bijbel ook vaak genoeg zien. Gods eer wordt op de juiste manier gezien als God als enige rechtvaardig wordt gezien.
[2]In jezelf roemen is tegen God roemen is de vuistregel van Calvijn. Tegenover God is zelfvertrouwen ongepast, want zo'n vertrouwen is roemen in zichzelf. Alles wat de mens aan rechtvaardigheid voor zichzelf claimt, rooft hij in dezelfde mate van de goddelijke gerechtigheid.
[3] "Wie al zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben gereinigd van mijn zonde'?(Spr. 20:9) Van Calvijn mag je het proberen, maar bij gewetensonderzoek komt er genoeg bovendrijven om geoordeeld te worden naar zijn werken. Er kunnen dan twee dingen gebeuren, of rust vinden in Zijn oordeel, of bevangen worden dor de verschrikkingen van de hel. Ons geloof zou leeg zijn als de gerechtigheid uit de werken was. Mensen zullen zichzelf daarom of bedriegen of wanhopen. Maar geloof is moed putten uit een standvastige zekerheid en een onwrikbare gerustheid als vaste grond.
Morgen lezen we boek III.13.4 - III.14.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[6] Ootmoed is de totale ontlediging van het zelf, wie nog een klein beetje rechtvaardiging achter houdt is niet ootmoedig en is zelfs niet bescheiden. Ootmoed is verslagen neerliggen in je armoede. Het gaat om de verbrijzeling van het hart, die je het onmogelijk maakt om op te staan.
[7] De vergelijking van de tollenaar spreekt boekdelen(Luk. 18) De tollenaar heeft oprechte verootmoediging. De farizeeër erkent dat zijn gerechtigheid een gave van God is, maar de manier waarop hij hiermee omgaat leidt hem direct weg van het aangezicht van God als onwelgevallig en gehaat. Ons hart zit zo dus direct op slot en kan de barmhartigheid niet ontvangen. Jezus is gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar de zondaren.
[8] We moeten ons ontdoen van de ongevoeligheid voor zonden en de toorn van God, als ook van vertrouwen in onszelf, om tot Christus te vluchten en door Hem vervuld te worden. We kunnen alleen getroost worden als we niet van alle troost in onszelf afzien.
[1] Gods eer staat als een huis en hier is niks aan af te dingen. Wie in zichzelf roemt doet Gods eer te kort, dit laat de Bijbel ook vaak genoeg zien. Gods eer wordt op de juiste manier gezien als God als enige rechtvaardig wordt gezien.
[2]In jezelf roemen is tegen God roemen is de vuistregel van Calvijn. Tegenover God is zelfvertrouwen ongepast, want zo'n vertrouwen is roemen in zichzelf. Alles wat de mens aan rechtvaardigheid voor zichzelf claimt, rooft hij in dezelfde mate van de goddelijke gerechtigheid.
[3] "Wie al zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben gereinigd van mijn zonde'?(Spr. 20:9) Van Calvijn mag je het proberen, maar bij gewetensonderzoek komt er genoeg bovendrijven om geoordeeld te worden naar zijn werken. Er kunnen dan twee dingen gebeuren, of rust vinden in Zijn oordeel, of bevangen worden dor de verschrikkingen van de hel. Ons geloof zou leeg zijn als de gerechtigheid uit de werken was. Mensen zullen zichzelf daarom of bedriegen of wanhopen. Maar geloof is moed putten uit een standvastige zekerheid en een onwrikbare gerustheid als vaste grond.
Morgen lezen we boek III.13.4 - III.14.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
vrijdag 26 juni 2015
26-06; Boek III.12.1 - III.12.5
[1]We moeten onze rechtvaarfigheid niet afmeten als voor een gewone rechtbank, maar voor de rechterstoel van God in de hemel, dat zorgt ervoor dat je niet hoog van jezelf opgeeft. Want daar is zo'n zuiverheid nodig die je niet bij mensen vindt. De heiligheid van God is zo groot dat God de heiligheid van de engelen nog niet genoeg vindt, niemand kan in die zin zo voor God komen. Daarom vindt Calvijn het vreemd dat veel mensen zo zorgeloos zijn terwijl ieder die de Wet niet onderhoudt, vervloekt is. Job stond te kijken van de heiligheid van God, die blijkbaar nog verder gaat dan alleen de onderhouding van de Wet.
[2]Mensen kunnen elkaar onderling goed vergelijken en daardoor roemen, maar wie naar God kijkt komt daar zo'n complete andere categorie tegen dat je wel begint te sidderen en zo heel snel het roemen in rechtvaardigheid afleert. God verafschuwt roemen in eigen rechtvaardigheid. [3]Dit is niet alleen bijbels, maar ook de manier hoe Bernardus van Clairvaux en Augustinus erover dachten. Die vertrouwden op Christus en niet op werken.
[4]In Gods oordeel zullen alle diepst verborgen gedachtes en gevoelens openbaar komen, God doorlicht de mens totaal. Het vertrouwen op God is het enige wat het geweten als toevluchtsoord kan ervaren. In zo'n streng oordeel helpen goede werken niet, de beste werken blijken nog onzuiver in Gods ogen.
[5]Mesen onderzoeken zichzelf altijd positiever dan God peilt. We moeten daarom in ons gewetenonderzoek voor de rechterstoel van God komen. Dit laat ons hart buigen voor God als voorbereiding op genade. Alleen wie alle verhevenheid van hart heeft laten varen kan genade genieten.
Volgende week gaan we beginnen met de tweede helft van het jaar en lezen we boek III.12.6 - III.13.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[2]Mensen kunnen elkaar onderling goed vergelijken en daardoor roemen, maar wie naar God kijkt komt daar zo'n complete andere categorie tegen dat je wel begint te sidderen en zo heel snel het roemen in rechtvaardigheid afleert. God verafschuwt roemen in eigen rechtvaardigheid. [3]Dit is niet alleen bijbels, maar ook de manier hoe Bernardus van Clairvaux en Augustinus erover dachten. Die vertrouwden op Christus en niet op werken.
[4]In Gods oordeel zullen alle diepst verborgen gedachtes en gevoelens openbaar komen, God doorlicht de mens totaal. Het vertrouwen op God is het enige wat het geweten als toevluchtsoord kan ervaren. In zo'n streng oordeel helpen goede werken niet, de beste werken blijken nog onzuiver in Gods ogen.
[5]Mesen onderzoeken zichzelf altijd positiever dan God peilt. We moeten daarom in ons gewetenonderzoek voor de rechterstoel van God komen. Dit laat ons hart buigen voor God als voorbereiding op genade. Alleen wie alle verhevenheid van hart heeft laten varen kan genade genieten.
Volgende week gaan we beginnen met de tweede helft van het jaar en lezen we boek III.12.6 - III.13.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 25 juni 2015
25-06; Boek III.11.18 - III.11.23
Calvijn laat ook op basis van een tekst uit Galaten(3:11)[18] dat je voor de gerechtigheid van de Wet werken van de Wet nodig hebt dus niet voor het geloof. Ook hier staan geloof en de Wet tegenover elkaar. Het geloof ontvangt de gerechtigheid die het Evangelie schenkt, vanwege Gods barmhartigheid
[19]Het probleem is dus dat de sofisten, of de tegenstanders van Calvijn, er wel in meegaan dat mensen door het geloof gerechtvaardigd wordt, het woordje 'alleen' is een probleem, omdat dit niet letterlijk in de tekst staat, maar wel uit de context blijkt van de teksten blijkt. Het staat er indirect dus, net zoals dat de gerechtigheid in het Evangelie wordt geopenbaard(Rom. 1:17), helemaal dus. Nu zijn er mensen die in navolging van Origenes de Wet alleen zien als de ceremoniële wet, en niet de morele wet. Maar dat klopt niet met wat de apostel zegt op meerdere plaatsen over de Wet. Er is kennis van zonde door de wet, hij werkt toorn, hij kan niet levndmaken e.d.
[20]De werken worden zo hoog aangeslagen omdat God ze goedkeurt. De werken zouden rechtvaardigen omdat God het wil. Voor de Wet zouden er dan ook geen rechtvaardige werken bestaan. Paulus roert dit aan omdat hierover gediscussieerd kon worden.
Er zijn ook mensen die zeggen dat geloof door de liede werkt en dus de liefde tot een verdienend iets maken. Dat is Calvijn ook een stap te ver, niet vanwege de liefde worden mensen gerechtvaardigd.
[21]Nu gaat Calvijn de uitspraak dat gerechtigheid in de vergeving van zonden bestaat uitdiepen. God is toorn op zondaars en op ons zolang we zondaars zijn. Zonden maken een scheiding tussen God en de mens, Gods gerechtigheid verdraagt niks van de zonde. Daarom moeten de zonde vergeven zijn wil God in verbinding met de mens komen.
[22] Vergeving van zonden en rechtvaardigheid worden vaak betrokken op verzoening(1 Kor. 5:19), zaligheid(Luk. 1:77). Ook is de uitdrukking te vinden bij Augustinus en Bernardus van Clairvaux.
[23] En dit komt omdat Christus's tussenkomst. We delen in de schatten van Christus, Deze laat ons delen in Zijn gerechtigheid en giet Hij over in ons vlees. Volgens mij is het belangrijke verbindende element hierin de mystica unio van III.11.10. We zijn als Jacob die zich in de kleren van Esau steekt om zo de zegen van Izaäk te krijgen.
Morgen lezen we boek III.12.1 - III.12.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[19]Het probleem is dus dat de sofisten, of de tegenstanders van Calvijn, er wel in meegaan dat mensen door het geloof gerechtvaardigd wordt, het woordje 'alleen' is een probleem, omdat dit niet letterlijk in de tekst staat, maar wel uit de context blijkt van de teksten blijkt. Het staat er indirect dus, net zoals dat de gerechtigheid in het Evangelie wordt geopenbaard(Rom. 1:17), helemaal dus. Nu zijn er mensen die in navolging van Origenes de Wet alleen zien als de ceremoniële wet, en niet de morele wet. Maar dat klopt niet met wat de apostel zegt op meerdere plaatsen over de Wet. Er is kennis van zonde door de wet, hij werkt toorn, hij kan niet levndmaken e.d.
[20]De werken worden zo hoog aangeslagen omdat God ze goedkeurt. De werken zouden rechtvaardigen omdat God het wil. Voor de Wet zouden er dan ook geen rechtvaardige werken bestaan. Paulus roert dit aan omdat hierover gediscussieerd kon worden.
Er zijn ook mensen die zeggen dat geloof door de liede werkt en dus de liefde tot een verdienend iets maken. Dat is Calvijn ook een stap te ver, niet vanwege de liefde worden mensen gerechtvaardigd.
[21]Nu gaat Calvijn de uitspraak dat gerechtigheid in de vergeving van zonden bestaat uitdiepen. God is toorn op zondaars en op ons zolang we zondaars zijn. Zonden maken een scheiding tussen God en de mens, Gods gerechtigheid verdraagt niks van de zonde. Daarom moeten de zonde vergeven zijn wil God in verbinding met de mens komen.
[22] Vergeving van zonden en rechtvaardigheid worden vaak betrokken op verzoening(1 Kor. 5:19), zaligheid(Luk. 1:77). Ook is de uitdrukking te vinden bij Augustinus en Bernardus van Clairvaux.
[23] En dit komt omdat Christus's tussenkomst. We delen in de schatten van Christus, Deze laat ons delen in Zijn gerechtigheid en giet Hij over in ons vlees. Volgens mij is het belangrijke verbindende element hierin de mystica unio van III.11.10. We zijn als Jacob die zich in de kleren van Esau steekt om zo de zegen van Izaäk te krijgen.
Morgen lezen we boek III.12.1 - III.12.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 24 juni 2015
24-06; Boek III.11.12 - III.11.17
De laatste weerleggingen van Osiander.
[12] Osiander heeft moeite met de twee naturenleer lijkt het. Alleen de goddelijke natuur is tot rechtvaardiging gegeven. Een argument hiervoor is dat Christus ons tot wijsheid is. Dit kan alleen slaan op de goddelijke natuur van Christus. Maar de Bijbel bedoelt hiermee dat de wijsheid en schatten aan geopenbaard zijn doordat Jezus liet zien wat Hij bij de Vader heeft. Het slaat dus niet op het wezen van Jezus, maar op wat wij aan Jezus hebben. Verdere kleinere weerleggingen; het is ook niet aan de macht van engelen of mensen om te rechtvaardigen, maar aan Gods inzetting. Christus de bron van het leven noemen omdat Hij de dood vernietigd heeft is niet Christus van Zijn eer beroven. Het is alleen de manier waarop deze tot de mensen komt die Calvijn lokaliseert in de dood en opstanding van Christus. God maakt ons heilig en rechtvaardig door in Christus' lichaam te planten en zo deel te hebben hieraan. Zo wordt Osiander weerlegd, de 'wezenlijke gerechtigheid' is een troosteloze dwaling.
[13]Na Osiander zijn de scholastici aan de beurt. Het merendeel van de mensen denkt nog in een rechtvaardiging door geloof en werken. Maar Paulus leert op twee plaatsen dat werken en geloof met elkaar in tegenstelling zijn(Fil. 3:8 e.v.) en dat werken niks te roemen geven(Rom 5:8). er is dus geen rechtvaardigheid uit geloof en werken.
Er zijn mensen[14] die een verschil maken tussen wedergeboren en onwedergeboren mensen, alleen de eerste kunnen werken doen die bijdragen ter rechtvaardiging, dit zijn gaven van Christus en vruchten van de wedergeboorte. Maar ze gaan hier voorbij aan de tegenstelling van de Wet en het geloof. Ook maken ze geen onderscheid tussen rechtvaardiging en heiliging, waardoor de werken van de laatste niet meetellen in de rechtvaardiging.
[15]Er zijn scholastici die geloof zien als de innerlijke zekerheid dat God de verdienstelijke werken beloont. Gods genade is niet de toerekening van rechtvaardigheid, maar de Geest die helpt streven naar heiligheid. Het zoeken naar God is hier verkeerd begrepen. De fout zit em in het betrekken van de rechtvaardiging en de Geest op de heiliging.
[16]De Bijbel leert dat we niet moeten kijken naar eigen werken, maar alleen moeten kijken naar Gods ontferming en Christus' volkomenheid. God ontfermt Zich over de zondaar zonder daartoe een reden te zien in de mens en de mens begrijpt dat alleen in Christus zijn volkomen gerechtigheid ligt.
[17] We moeten altijd de scherpe tegenstelling tussen Wet en Evangelie in de gaten houden. De Wet kent gerechtigheid toe op basis van werken, het Evangelie op basis van niets. Evangelie belooft op basis van genade, en de Wet op basis van werken. De Wet vereist liefde, en dat is datgene dat Gods Geest geeft. Maar omdat deze altijd in mensen onvolledig blijft, wordt deze ook niet gerekend als waarde of verdienste.
Morgen lezen we boek III.11.18 - III.11.23.
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[12] Osiander heeft moeite met de twee naturenleer lijkt het. Alleen de goddelijke natuur is tot rechtvaardiging gegeven. Een argument hiervoor is dat Christus ons tot wijsheid is. Dit kan alleen slaan op de goddelijke natuur van Christus. Maar de Bijbel bedoelt hiermee dat de wijsheid en schatten aan geopenbaard zijn doordat Jezus liet zien wat Hij bij de Vader heeft. Het slaat dus niet op het wezen van Jezus, maar op wat wij aan Jezus hebben. Verdere kleinere weerleggingen; het is ook niet aan de macht van engelen of mensen om te rechtvaardigen, maar aan Gods inzetting. Christus de bron van het leven noemen omdat Hij de dood vernietigd heeft is niet Christus van Zijn eer beroven. Het is alleen de manier waarop deze tot de mensen komt die Calvijn lokaliseert in de dood en opstanding van Christus. God maakt ons heilig en rechtvaardig door in Christus' lichaam te planten en zo deel te hebben hieraan. Zo wordt Osiander weerlegd, de 'wezenlijke gerechtigheid' is een troosteloze dwaling.
[13]Na Osiander zijn de scholastici aan de beurt. Het merendeel van de mensen denkt nog in een rechtvaardiging door geloof en werken. Maar Paulus leert op twee plaatsen dat werken en geloof met elkaar in tegenstelling zijn(Fil. 3:8 e.v.) en dat werken niks te roemen geven(Rom 5:8). er is dus geen rechtvaardigheid uit geloof en werken.
Er zijn mensen[14] die een verschil maken tussen wedergeboren en onwedergeboren mensen, alleen de eerste kunnen werken doen die bijdragen ter rechtvaardiging, dit zijn gaven van Christus en vruchten van de wedergeboorte. Maar ze gaan hier voorbij aan de tegenstelling van de Wet en het geloof. Ook maken ze geen onderscheid tussen rechtvaardiging en heiliging, waardoor de werken van de laatste niet meetellen in de rechtvaardiging.
[15]Er zijn scholastici die geloof zien als de innerlijke zekerheid dat God de verdienstelijke werken beloont. Gods genade is niet de toerekening van rechtvaardigheid, maar de Geest die helpt streven naar heiligheid. Het zoeken naar God is hier verkeerd begrepen. De fout zit em in het betrekken van de rechtvaardiging en de Geest op de heiliging.
[16]De Bijbel leert dat we niet moeten kijken naar eigen werken, maar alleen moeten kijken naar Gods ontferming en Christus' volkomenheid. God ontfermt Zich over de zondaar zonder daartoe een reden te zien in de mens en de mens begrijpt dat alleen in Christus zijn volkomen gerechtigheid ligt.
[17] We moeten altijd de scherpe tegenstelling tussen Wet en Evangelie in de gaten houden. De Wet kent gerechtigheid toe op basis van werken, het Evangelie op basis van niets. Evangelie belooft op basis van genade, en de Wet op basis van werken. De Wet vereist liefde, en dat is datgene dat Gods Geest geeft. Maar omdat deze altijd in mensen onvolledig blijft, wordt deze ook niet gerekend als waarde of verdienste.
Morgen lezen we boek III.11.18 - III.11.23.
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 23 juni 2015
23-06; Boek III.11.9 - III.11.11
Osiander wordt verder onderzocht en weerlegd door Calvijn. [9] Calvijn laat namelijk zien dat de Schrift het vlees van Christus, dat is Zijn persoon, tot gerechtigheid die God welgevallig is, voor ons is gemaakt. Het gaat, net zoals in het Avondmaal, om de hele Christus.
De éénwording met Christus, de mystica unio, is het belangrijkste wat een christen kan hebben. Hierdoor krijgen wij alles wat Christus ons wil geven als ons Hoofd. Omdat christenen deel zijn van Zijn Lichaam delen we in Zijn gerechtigheid. De geestelijke verbintenis verschilt van de stoffelijke vermeninging die Osiander voorstaat.
Osiander betrekt dit ook op het Avondmaal en scheldt iedereen die het niet met hem eens is uit voor Zwingliaan(die zijn namelijk van oordeel dat Christus niet wezenlijk gegeten wordt in het Avondmaal). Osiander leert hierin ook vermenging, en ook dat Gods gerechtigheid hetzelfde is als God Zelf. Calvijn schrijft dit af omdat we pas na de Jongste Dag God gelijk zullen zijn en Hem zien zoals Hij is.
[11]Het is een onduidelijke en vrij nietszeggende leer van Osiander, maar we moeten het stuk dat we rechtvaardig zijn met God nog nader onderzoeken. Het ondermijnt het vrijmoedig aanroepen van God, omdat Osiander niks moet hebben van de toegerekende genade. Maar de Bijbel zet de rechtvaardiging neer in termen ontleend aan de rechtspraak en ergens anders dat de rechtvaardiging de vergeving van zonden is. Maar gerechtvaardigden die goddeloos blijven wil er bij Osiander niet in. Maar Calvijn leert dat dit geen bezwaar is als je de rechtvaardiging onderscheid van de wedergeboorte. De rechtvaardiging is van de totale mens, en de wedergeboorte is iedere dag stukje bij beetje en wordt voltooid in de hemel. Op deze manier kan een mens vrijmoedig God aanroepen desondanks de mens ook ziet dat hij te veroordelen is.
Morgen lezen we boek III.11.12 - III.11.7
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
De éénwording met Christus, de mystica unio, is het belangrijkste wat een christen kan hebben. Hierdoor krijgen wij alles wat Christus ons wil geven als ons Hoofd. Omdat christenen deel zijn van Zijn Lichaam delen we in Zijn gerechtigheid. De geestelijke verbintenis verschilt van de stoffelijke vermeninging die Osiander voorstaat.
Osiander betrekt dit ook op het Avondmaal en scheldt iedereen die het niet met hem eens is uit voor Zwingliaan(die zijn namelijk van oordeel dat Christus niet wezenlijk gegeten wordt in het Avondmaal). Osiander leert hierin ook vermenging, en ook dat Gods gerechtigheid hetzelfde is als God Zelf. Calvijn schrijft dit af omdat we pas na de Jongste Dag God gelijk zullen zijn en Hem zien zoals Hij is.
[11]Het is een onduidelijke en vrij nietszeggende leer van Osiander, maar we moeten het stuk dat we rechtvaardig zijn met God nog nader onderzoeken. Het ondermijnt het vrijmoedig aanroepen van God, omdat Osiander niks moet hebben van de toegerekende genade. Maar de Bijbel zet de rechtvaardiging neer in termen ontleend aan de rechtspraak en ergens anders dat de rechtvaardiging de vergeving van zonden is. Maar gerechtvaardigden die goddeloos blijven wil er bij Osiander niet in. Maar Calvijn leert dat dit geen bezwaar is als je de rechtvaardiging onderscheid van de wedergeboorte. De rechtvaardiging is van de totale mens, en de wedergeboorte is iedere dag stukje bij beetje en wordt voltooid in de hemel. Op deze manier kan een mens vrijmoedig God aanroepen desondanks de mens ook ziet dat hij te veroordelen is.
Morgen lezen we boek III.11.12 - III.11.7
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 22 juni 2015
22-06; Boek III.11.5 - III.11.8
Mijlpaal, week 25 van Lectio Calvini. Het rooster vermeldt 50 weken dus aan het einde van de week zitten we op de helft. Niet verkeerd, zo komen we er wel!
En wat later vandaag, ik had vanochtend geen ruimte om ergens de laptop en het dikke boek te parkeren.
[5] Over de gerechtigheid, Calvijn gaat nu Osiander weerleggen. Osiander heeft een eigen variant van Luthers' rechtvaardigingsleer, gebaseerd op de eenwording met Christus. Daarom is het de moeite waard om te weerleggen, daar Osiander niet leert dat we een zijn met Christus door de Geest. Osiander leert dat het wezen van God wezenlijk overvloeit in de mens. Calvijn erkent dat we inderdaad een zijn met Christus, maar dat het wezen van Christus met ons wezen vermengd wordt. In Christus woont de volheid, dus hebben we in Christus ook de Geest en de Vader en hoeven we niet naar ons wezen gerechtvaardigd te worden. Ook gaat Osiander de bietenbrug op door de naturen van God en mens met elkaar te vermengen. Rechtvaardiging is niet door het aanbieden van Christus, maar door vermenging met het goddelijke wezen.
[6]Osiander rekt de rechtvaardiging op door de wedergeboorte eronder te scharen. De heiliging lijkt niet nodig te zijn. Ook is de adoptie(aanneming tot kinderen, adoptie is een term die je bij de puriteinen vaker tegenkomt) iets anders dan de rechtvaardiging, maar wel hiermee verbonden. De Bijbel leert dat rechtvaardiging, aanneming tot kinderen en heiliging te onderscheiden onderdelen zijn. Dit komt omdat Osiander slecht exegetiseert. Ook ziet Osiander bij Abraham teveel als rechtvaardiging.
[7]Het geloof is niet een reden tot rechtvaardiging, dat beamen Calvijn en Osiander samen. Maar het geloof is een instrument, en niet Christus Zelf, zoals Osiander dit laatste leert. Het is niet het aarden vat dat een schat is geworden omdat er goud in zit, het is een aarden vat met een schat erin.
[8]De opvatting van Osiander is dat Christus alleen naar Zijn goddelijke natuur tot gerechtigheid is geworden. Dat zou betekenen dat de gerechtigheid gedeeld wordt met Vader en Geest, en dat Christus iets is geworden wat Hij van eeuwigheid al was. Zo kan Christus geen Middelaar zijn. Je moet Christus niet gaan opdelen. Maar Calvijn laat zien dat Christus tot gerechtigheid is geworden om Zijn bediening en gehoorzaamheid aan de Vader.
Morgen lezen we boek III.11.9 - III.11-11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
En wat later vandaag, ik had vanochtend geen ruimte om ergens de laptop en het dikke boek te parkeren.
[5] Over de gerechtigheid, Calvijn gaat nu Osiander weerleggen. Osiander heeft een eigen variant van Luthers' rechtvaardigingsleer, gebaseerd op de eenwording met Christus. Daarom is het de moeite waard om te weerleggen, daar Osiander niet leert dat we een zijn met Christus door de Geest. Osiander leert dat het wezen van God wezenlijk overvloeit in de mens. Calvijn erkent dat we inderdaad een zijn met Christus, maar dat het wezen van Christus met ons wezen vermengd wordt. In Christus woont de volheid, dus hebben we in Christus ook de Geest en de Vader en hoeven we niet naar ons wezen gerechtvaardigd te worden. Ook gaat Osiander de bietenbrug op door de naturen van God en mens met elkaar te vermengen. Rechtvaardiging is niet door het aanbieden van Christus, maar door vermenging met het goddelijke wezen.
[6]Osiander rekt de rechtvaardiging op door de wedergeboorte eronder te scharen. De heiliging lijkt niet nodig te zijn. Ook is de adoptie(aanneming tot kinderen, adoptie is een term die je bij de puriteinen vaker tegenkomt) iets anders dan de rechtvaardiging, maar wel hiermee verbonden. De Bijbel leert dat rechtvaardiging, aanneming tot kinderen en heiliging te onderscheiden onderdelen zijn. Dit komt omdat Osiander slecht exegetiseert. Ook ziet Osiander bij Abraham teveel als rechtvaardiging.
[7]Het geloof is niet een reden tot rechtvaardiging, dat beamen Calvijn en Osiander samen. Maar het geloof is een instrument, en niet Christus Zelf, zoals Osiander dit laatste leert. Het is niet het aarden vat dat een schat is geworden omdat er goud in zit, het is een aarden vat met een schat erin.
[8]De opvatting van Osiander is dat Christus alleen naar Zijn goddelijke natuur tot gerechtigheid is geworden. Dat zou betekenen dat de gerechtigheid gedeeld wordt met Vader en Geest, en dat Christus iets is geworden wat Hij van eeuwigheid al was. Zo kan Christus geen Middelaar zijn. Je moet Christus niet gaan opdelen. Maar Calvijn laat zien dat Christus tot gerechtigheid is geworden om Zijn bediening en gehoorzaamheid aan de Vader.
Morgen lezen we boek III.11.9 - III.11-11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
vrijdag 19 juni 2015
19-06; Boek III.10.5 - III.11.4
Hoe we als christenen als pelgrims leven...
[5] wie niet veel heeft, moet dit rustig verdragen en niet laten opjagen door verlangen naar meer. Mensen die in gebrek aan iets heftig verlangen naar hetgeen ze missen hebben de neiging om in overvloed daarvan zondig ermee te pronken of erin te zwelgen. Ten derde moeten we weten dat we rekenschap moeten afleggen over alles wat we gebruiken. . Dus omgang met aardse goederen moet naastenliefde bevorderen en mag de mens niet sturen richting zaken die God verboden heeft in Zijn woord.]
[6] Als laatste geeft ook onze plaats in de samenleving een richting voor ons handelen, God heeft deze plaats gegeven. Dit is de roeping van ieder mens, roeping valt hier samen met beroep, maar ook met meer. Een huisvader is ook een roeping. Iedere roeping komt met eigen taken en plichten, zich hierop richten is de beste manier om orde in je leven te stellen.
Nieuw hoofdstuk over de rechtvaardiging door het geloof.
[1]Calvijn heeft nu uitvoerig laten zien hoe het geloof globaal werkt en dat geloof niet zonder werken kan blijven. Als dat duidelijk is, is het nu tijd om de rechtvaardiging goed uit te diepen. De rechtvaardiging is de grond van je zaligheid en reden tot vroomheid.
[2]Rechtvaardiging is de aanneming waarmee God ons in genade aanneemt en voor rechtvaardig houdt. Zondaars kunnen niet voor zijn troon staan en zijn onderworpen aan Gods toorn. Een gerechtvaardigde wordt niet meer tot de zondaars gerekend.
[3]Dit is de definitie die de Bijbel overduidelijk geeft, ook zonder een onuitputtelijke hoeveelheid teksten. Uit Lukas in ieder geval heeft gerechtvaardigd worden te maken met God alle eer brengen die Hij verdient. Bij Bathseba is het aan smaad onderworpen zijn en tot verachtelijke en veroordeelde mensen gerekend worden, bij Paulus vinden we de duidelijkste uitwerkingen. Alsof iemand voor de rechtbank wordt geleid en vrijgesproken wordt van de aanklacht alsof zijn onschuld bewezen is.
[4]Volgens Paulus zit de rechtvaardiging in de vergeving van zonden. Het Evangelie is juist de boodschap dat God ons om Christus' wil in genade wil aannemen door onze zonden niet toe te rekenen.
Volgende week lezen we boek III.11.5 - III.11.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[5] wie niet veel heeft, moet dit rustig verdragen en niet laten opjagen door verlangen naar meer. Mensen die in gebrek aan iets heftig verlangen naar hetgeen ze missen hebben de neiging om in overvloed daarvan zondig ermee te pronken of erin te zwelgen. Ten derde moeten we weten dat we rekenschap moeten afleggen over alles wat we gebruiken. . Dus omgang met aardse goederen moet naastenliefde bevorderen en mag de mens niet sturen richting zaken die God verboden heeft in Zijn woord.]
[6] Als laatste geeft ook onze plaats in de samenleving een richting voor ons handelen, God heeft deze plaats gegeven. Dit is de roeping van ieder mens, roeping valt hier samen met beroep, maar ook met meer. Een huisvader is ook een roeping. Iedere roeping komt met eigen taken en plichten, zich hierop richten is de beste manier om orde in je leven te stellen.
Nieuw hoofdstuk over de rechtvaardiging door het geloof.
[1]Calvijn heeft nu uitvoerig laten zien hoe het geloof globaal werkt en dat geloof niet zonder werken kan blijven. Als dat duidelijk is, is het nu tijd om de rechtvaardiging goed uit te diepen. De rechtvaardiging is de grond van je zaligheid en reden tot vroomheid.
[2]Rechtvaardiging is de aanneming waarmee God ons in genade aanneemt en voor rechtvaardig houdt. Zondaars kunnen niet voor zijn troon staan en zijn onderworpen aan Gods toorn. Een gerechtvaardigde wordt niet meer tot de zondaars gerekend.
[3]Dit is de definitie die de Bijbel overduidelijk geeft, ook zonder een onuitputtelijke hoeveelheid teksten. Uit Lukas in ieder geval heeft gerechtvaardigd worden te maken met God alle eer brengen die Hij verdient. Bij Bathseba is het aan smaad onderworpen zijn en tot verachtelijke en veroordeelde mensen gerekend worden, bij Paulus vinden we de duidelijkste uitwerkingen. Alsof iemand voor de rechtbank wordt geleid en vrijgesproken wordt van de aanklacht alsof zijn onschuld bewezen is.
[4]Volgens Paulus zit de rechtvaardiging in de vergeving van zonden. Het Evangelie is juist de boodschap dat God ons om Christus' wil in genade wil aannemen door onze zonden niet toe te rekenen.
Volgende week lezen we boek III.11.5 - III.11.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)