Posts tonen met het label eeuwig leven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eeuwig leven. Alle posts tonen

dinsdag 25 augustus 2015

25-08; Boek III.25.9 - III.25.12

Het laatste beetje boek III. Calvijn rond het leerstuk van de opstanding af en heeft het over het eeuwige leven.

[9] Desondanks de opstanding een weldaad van Christus is, is er een opstanding tot leven en een opstanding tot oordeel. Of die zullen er zijn. Dat hoeft ons niet te verbazen, God laat ook Zijn zon opgaan over goede en slechte mensen. In die zin kan dit ook de veroordeelden aangerekend worden. Ook is de opstanding van de goddelozen een bijzaak.

[10] De eeuwige gelukzaligheid is het doel van de opstanding. Het is de toestand waar we nu en hier alleen maar een onvolkomen beeld van kunnen geven. Al het spreken is een voorproefje om ons ernaar te laten verlangen. We moeten voor ogen houden dat God het goede ten volle in Zich bevat en daarom moeten we ook niks buiten Hem zoeken. We moeten het overdenken, maar niet teveel pretenderen te weten. Anders gaan we vragen zonder nut stellen of speculeren.
Er is op aarde en in de hemel een verdeling in meer en minder van het schijnen van Gods licht over Zijn heiligen.

[11] Oriënteren op de Schrift voorkomt het overschrijden van de gestelde grenzen voor onze vragen. Calvijn wil dan ook niet anderen voeden door op hun vragen in te gaan. Calvijn wil niks hebben van Thomas van Aquino die de indeling en afstanden tussen de heiligen wil weten. Ook vindt Calvijn het genieten van de nieuwe schepping genoeg nut, de Aquinaat wil het nut weten van een nieuwe aarde die de heiligen niet nodig hebben. Het is genieten in plaats van gebruiken. Calvijn verwacht dat ieder gebrek in de schepping ophoudt, in zekere zin dus ook het roesten van metaal. De zegen van het nageslacht komt tot voltooiing en wordt niet doorgezet. WE moeten niet vergeten dat we door een spiegel kijken, als je dat vergeet kan je wel blijven discussiëren als je teveel wilt weten. Het is belangrijker hoe je naar de hemel gaat, dan hoe het er precies uitziet en in elkaar zit.

[12] Het oordeel is zwaarder dan dat er staat. Het zijn zinnebeelden. We kunnen ons een geringe voorstelling maken, maar het is voornamelijk bedoelt om aan te geven hoe het is om van gemeenschap met God verstoten te zijn en Gods majesteit benauwend te ervaren.

Morgen lezen we de eerste vier paragrafen van boek IV.

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

vrijdag 21 augustus 2015

21-08; Boek III.25.4 - III.25.6

[4] Het is eigenlijk ongepast te vragen hoe de opstanding uit de dood plaats gaat vinden, maar Paulus geeft wel een beeld van gewas dat eerst sterft voordat het groeit. Het vertrouwen op Gods almacht is cruciaal, dat werkte ook zo voor Jesaja en Job. Ook het vallei van de dorre beenderen bij Ezechiël geeft te denken over opstanding, desondanks het over de terugkeer van het Joodse volk gaat. Jezus Zelf heeft het over opstanding van de doden(Joh. 5:28). Met Paulus mogen we dus al de overwinning vieren in de strijd, omdat ons het toekomende leven is beloofd.

[5] Er zijn mensen die de gedachte aan de opstanding willen voorkomen. Desondanks hebben ook de heidenen een bepaald beeld van de opstanding gehad. Want ook zij begroeven hun doden. Er zijn mensen die dit altijd hebben ondermijnd, al in Paulus tijd, maar Calvijn richt zich op de chiliasten(https://nl.wikipedia.org/wiki/Chiliasme). Calvijn vindt dat Christus langer dan duizend jaar regeert en ziet geen steun voor een duizendjarig rijk in Openbaringen, zoals chiliasten beweren. Ook gaan de kinderen van God hun gelukzaligheid voor eeuwig genieten, niet in een duizendjarig rijk. Er is een eeuwig leven en een eeuwig straf, desondanks de zondes tijdelijk waren.

[6] Hierbij komen andere dwalingen, namelijk dat de hele mens sterft, dus bij de opstanding de zielen samen met de lichamen herrijzen. Andere zeggen dat de onsterfelijke zielen een nieuw lichaam krijgen. Calvijn is sterk tegen de onderwaardering van het lichaam, en ook tegen de onderwaardering van de geest. De geest onderscheidt ons van de dieren en zal het lichaam afleggen. Er staat ook dat de geesten der rechtvaardigen vergaderd worden na de dood(Hebr. 12:23). Het is duidelijk dat de ziel hetzelfde blijft wanneer deze gescheiden wordt van het lichaam na de dood. Het is alleen niet betamelijk om nieuwsgierig de staat van de zielen tussen dood en opstanding te onderzoeken. We weten dat de zielen de verdiende rust krijgen en in gelukzalige blijdschap uitzien naar de wederkomst van de Verlosser. De verworpenen worden geketend tot de straf.

Volgende week lezen we boek III.25.7 - III.25.8

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 15 april 2015

15-04; Boek II.10.14 - II.10.20

Jakob, Bileam en David geven er blijk van dat ze nog meer heil verwachten na de dood.

Als we de psalmen van David lezen zet hij vaak de tijdelijkheid van de schepping tegenover de eeuwigheid van het heil of van God. Zie bijv. Ps. 102. Daarop richt David ook vaak de aandacht van de gelovigen op in zijn psalmen. Dit geldt des temeer wanneer gelovigen in dit leven in verdrukking komen. Hieruit kunnen we opmaken dat de gelovigen van het OT wisten dat God Zijn belofte vaak niet in dit leven vervult. Het koninkrijk van God zal zich openbaren als de gedaante van deze wereld verandert. Zo konden ze ook zeggen dat beproeving een ogenblik duurt, terwijl hun leven vaak te typeren valt als een grote beproeving.

Job doet in Job 19:25-27 een bijzondere uitspraak die niet alleen kan slaan op een dag dat het hem weer voorspoedig gaat. En anders had hij daar niet aan kunnen komen door alleen naar het aardse te kijken. De dood ontnam Job de hoop niet. Job was zo een leraar die verborgenheden van het geloof openlijk uitsprak.

God heeft de inhoud van Zijn verbond duidelijker gemaakt naar mate de tijd vorderde. Ook de profeten hebben wel tijdelijke zegeningen genoemd, maar wel op zo'n manier dat de gelovigen wel moesten nadenken over het geluk van het toekomende leven.

Morgen lezen we boek II.10.21 - II.11.3