De Wet en de profeten hebben ons geleerd dat geloof op de eerste plaats komt en daarna de liefde. Zo is dus de tweede tafel niet uitvoerbaar zonder de eerste tafel van de Wet. Zo kan je je naaste niet dienen als je God niet dient.
Opvallend is dat er in de Wet geen enkel gebod staat dat persoonlijk voordeel oplevert voor jezelf. De eigenliefde is van nature sterk genoeg en dit blijft een mens altijd houden. Het is zelfs zo dat God deze eigenliefde heeft genomen als maatstaf voor je naaste.
En natuurlijk is onze naaste zo'n beetje ieder willekeurig mens op deze planeet. En om deze lief te hebben moeten we niet naar de mens kijken omdat deze vaker haat dan liefde oproept. We moeten op God zien.
En dit is wat anders dan de Roomse kerk die deze regel optioneel maakt voor gewone gelovigen en alleen voor monniken bindend maakt. Dan moeten we ook uit de Bijbel schrappen dat God alle wraak toekomt. Chrysostomus en Augustinus, eigenlijk alle oude kerkvaders hebben geen blijk gegeven dat dit gebod niet als een volwaardig gebod voor iedereen moeten gelden.
Ook is de 'vergeeflijke zonde' Calvijn een doorn in het oog. Dat is een begeerte die kort zonder toestemming in de mens zit. In het laatste gebod gaat het om het begeren. En een begeerte kan er alleen komen als het hele hart, ziel en verstand niet God zoekt. Ik moet zelf denken aan een uitspraak dat e niet kan voorkomen dat een vogel over je hoofd vliegt maar wel kan voorkomen dat een vogel een nest bouwt op je hoofd. Calvijn zou daar iets van vinden, vermoed ik. Iedere zonde is doodzonde, een onderscheid tussen verschillende zondes is onbijbels en volgens het woord van Augustins een bedrieglijke weegschaal.
Morgen lezen we boek II.9.1 - II.9.5
donderdag 9 april 2015
woensdag 8 april 2015
08-04; Boek II.8.47 - II.8.52
Negende gebod; geen vals getuigenis.
Vrij simpel, niks te maken willen hebben met leugen, mensen helpen in het handhaven van de waarheid. Zowel in de rechtspraak als in persoonlijke gesprekken. Het gebod slaat ook op laster en slinkse achterklap.
Veel mensen vallen toch in de zonde van kwaadsprekerij, we genieten ervan. Kwaadsprekerij is in de context van Calvijn dan weer niet een scheldwoord om iemand te corrigeren, een aanklacht of een berisping. Het gaat om de spraak die uit de kwaadaardigheid van het hat ontspringt.
Tiende gebod; niks van de naaste begeren.
Het lijkt een overbodig gebod, in de voorgaande geboden is alles al verboden wa hierin genoemd zou kunnen worden. Maar in de vorige geboden ging het over een besluit, in dit gebod gaat het over de begeerte. We mogen onze ziel niet laten prikkelen tot de begeerte. God wil dat onze ziel in beslag wordt genomen door de liefde. Ieder klein sprankje begeerte is bederf hiervan. De voorbeelden in het gebod zijn de zaken waar de mensen het verzotst op zijn.
Dit was de tweede tafel.
De Wet wil zo het leven van de mens omvormen tot het beeld van goddelijke zuiverheid. God heeft in de Wet Zijn wezen gelegd, en wie de Wet uitvoert brengt het beeld van God tot uitdrukking. De Wet is dus niet secundair, maar echt de wil van God. Er valt ook niet veel aan toe te brengen aan deze woorden, zeker als de Wet wordt gepaard aan het Heel je ziel etc. De Wet is niet een beginnetje van de heiligmaking, maar de hoogste trap van levensheiliging is erin te vinden.
Chritus en de apostelen hebben het vaak in het NT over de tweede tafel als ze het hebben over de Wet, niet over de eerste tafel. Dat doen ze omdat ze dan vragen naar het bewijs van eerbied van God, de zichtbare merktekens van de eerste tafel zijn dus gelegen in de gehoorzaamheid aan de tweede tafel.
Morgen lezen we Boek II.8.53 - II.8.59
Vrij simpel, niks te maken willen hebben met leugen, mensen helpen in het handhaven van de waarheid. Zowel in de rechtspraak als in persoonlijke gesprekken. Het gebod slaat ook op laster en slinkse achterklap.
Veel mensen vallen toch in de zonde van kwaadsprekerij, we genieten ervan. Kwaadsprekerij is in de context van Calvijn dan weer niet een scheldwoord om iemand te corrigeren, een aanklacht of een berisping. Het gaat om de spraak die uit de kwaadaardigheid van het hat ontspringt.
Tiende gebod; niks van de naaste begeren.
Het lijkt een overbodig gebod, in de voorgaande geboden is alles al verboden wa hierin genoemd zou kunnen worden. Maar in de vorige geboden ging het over een besluit, in dit gebod gaat het over de begeerte. We mogen onze ziel niet laten prikkelen tot de begeerte. God wil dat onze ziel in beslag wordt genomen door de liefde. Ieder klein sprankje begeerte is bederf hiervan. De voorbeelden in het gebod zijn de zaken waar de mensen het verzotst op zijn.
Dit was de tweede tafel.
De Wet wil zo het leven van de mens omvormen tot het beeld van goddelijke zuiverheid. God heeft in de Wet Zijn wezen gelegd, en wie de Wet uitvoert brengt het beeld van God tot uitdrukking. De Wet is dus niet secundair, maar echt de wil van God. Er valt ook niet veel aan toe te brengen aan deze woorden, zeker als de Wet wordt gepaard aan het Heel je ziel etc. De Wet is niet een beginnetje van de heiligmaking, maar de hoogste trap van levensheiliging is erin te vinden.
Chritus en de apostelen hebben het vaak in het NT over de tweede tafel als ze het hebben over de Wet, niet over de eerste tafel. Dat doen ze omdat ze dan vragen naar het bewijs van eerbied van God, de zichtbare merktekens van de eerste tafel zijn dus gelegen in de gehoorzaamheid aan de tweede tafel.
Morgen lezen we Boek II.8.53 - II.8.59
dinsdag 7 april 2015
07-04; Boek II.8.39 - II.8.46
Het zesde gebod; niet doden.
We moeten in dit gebod iedere vorm van schade toebrengen achterwege laten, en juist het leven van de naaste beschermen. Maar nog dieper gaat dit ook ons innerlijk aan. God laat dit gebod ook gaan over haat en moordlust die niet per se uitgevoerd wordt. Calvijn gelooft niet dat iemand kwaad kan worden op iemand anders zonder dat het verlangen hem kwaad te doen in hem opvlamt. Dat is een mooi gedachte-experiment. Volgens mij is dit waar en ook de reden waarom het niet duidelijk is wat mensen willen als ze boos zijn en iets zeggen tegen de persoon op wie ze boos zijn. Iemand die zich vervelend gedraagt in een treincoupé bijvoorbeeld door muziek op zijn telefoon af te spelen. Als iemand daar wat boos van zegt lijkt hij niet tevreden als het doel van de vraag is bereikt, dat de muziek uitgaat. Is dat omdat het eigenlijke doel is hem iets aan te doen wat zo'n persoon in zijn binnenste beraamt en is hij daarom nog steeds niet tevreden tot hij de situatie of de persoon vergeet?
Reden voor dit gebod is simpel, een ander is ook een mens, dus ook beeld van God en ook van ons vlees. De nadruk die wordt gelegd op het lichamelijke laat zien dat het innerlijke ook belangrijk is.
Het zevende gebod; niet echtbreken.
God bemint kuisheid en reinheid, wij moeten dan onreinheid uit de weg gaan en een diepe afkeer hebben van een wellustige begeerte. God heeft het huwelijk gezegend, zo hoeft de mens niet alleen te zijn. Maar zo is ook iedere andere vorm van samenleven vervloekt. Het huwelijk is ook een remedie om wellusten tegen te houden.
Maagdelijk leven is een grote gave, maar niet voor iedereen weggelegd. God geeft deze gave, maar wie denkt met Gods hulp ongetrouwd te kunnen leven zonder daadwerkelijk Gods hulp(een maagdelijk leven wordt niet zo rijkelijk gegeven) gaat tegen Gods instelling in. Er zijn mensen die gecastreerd zijn om zich aan de kerk toe te wijden, maar dat is op een bijzondere manier kenbaar gemaakt. Daarom wie het vatten kan, vatte het.
Als je toch probeert celibatair te even strijd je tegen God en de door Hem bepaalde natuur als je de aard van je leven niet aanpast aan de maat van je mogelijkheden. Celibatair leven is ook niet voor het gemak of de rust. Er zijn veel mensen die zich niet kunnen beheersen, dus het is geen schande om de enige remedie tegen onkuisheid aan te grijpen. Kuisheid is van de ziel.
God wil kuisheid, en alles wat daarmee in strijd is veroordeelt Hij. Een eerbaar en ingetogen leven geldt ook binnen het huwelijk. Het huwelijk is geen reden om bandeloos te leven. Anders kan je als man een hoerenloper van je eigen vrouw genoemd worden. Volgens mij zegt Calvijn hier dat het huwelijk geen 50 tinten grijs is. Ook ons uiterlijk en onze daden moeten kuis zijn. We moeten niet met ons uiterlijk andermans kuisheid belagen.
Achtste gebod; niet stelen.
God heeft door Zijn voorzienigheid gegeven aan een ieder wat hem of haar toekomt. Dit is niet alleen af te nemen met geweld, maar ook op allerlei oneerlijke praktijken, hiertegen gaat het gebod. Hier is een interessante parallel met het eerste gebod. Wie zijn naaste iets onthoudt wat hem toekomt doet zijn naaste te kort en eigent zich dat toe. Net zoals God de eer onthouden en aan iets anders geven doet God tekort en is ook schuldig.
We moeten anderen ook helpen met hun eigendommen en niet ons eigendom vermeerderen ten kosten van anderen. De nood van andere moeten we met eigen rijkdom verlichten. Verder moet ieder op zijn plaats de ander de verschuldigde goederen, geld of eer of gehoorzaamheid, geven. Wat je aan je naaste schuldig bent, moet je je naaste betalen.
Morgen lezen we boek II.8.47 - II.8.52
We moeten in dit gebod iedere vorm van schade toebrengen achterwege laten, en juist het leven van de naaste beschermen. Maar nog dieper gaat dit ook ons innerlijk aan. God laat dit gebod ook gaan over haat en moordlust die niet per se uitgevoerd wordt. Calvijn gelooft niet dat iemand kwaad kan worden op iemand anders zonder dat het verlangen hem kwaad te doen in hem opvlamt. Dat is een mooi gedachte-experiment. Volgens mij is dit waar en ook de reden waarom het niet duidelijk is wat mensen willen als ze boos zijn en iets zeggen tegen de persoon op wie ze boos zijn. Iemand die zich vervelend gedraagt in een treincoupé bijvoorbeeld door muziek op zijn telefoon af te spelen. Als iemand daar wat boos van zegt lijkt hij niet tevreden als het doel van de vraag is bereikt, dat de muziek uitgaat. Is dat omdat het eigenlijke doel is hem iets aan te doen wat zo'n persoon in zijn binnenste beraamt en is hij daarom nog steeds niet tevreden tot hij de situatie of de persoon vergeet?
Reden voor dit gebod is simpel, een ander is ook een mens, dus ook beeld van God en ook van ons vlees. De nadruk die wordt gelegd op het lichamelijke laat zien dat het innerlijke ook belangrijk is.
Het zevende gebod; niet echtbreken.
God bemint kuisheid en reinheid, wij moeten dan onreinheid uit de weg gaan en een diepe afkeer hebben van een wellustige begeerte. God heeft het huwelijk gezegend, zo hoeft de mens niet alleen te zijn. Maar zo is ook iedere andere vorm van samenleven vervloekt. Het huwelijk is ook een remedie om wellusten tegen te houden.
Maagdelijk leven is een grote gave, maar niet voor iedereen weggelegd. God geeft deze gave, maar wie denkt met Gods hulp ongetrouwd te kunnen leven zonder daadwerkelijk Gods hulp(een maagdelijk leven wordt niet zo rijkelijk gegeven) gaat tegen Gods instelling in. Er zijn mensen die gecastreerd zijn om zich aan de kerk toe te wijden, maar dat is op een bijzondere manier kenbaar gemaakt. Daarom wie het vatten kan, vatte het.
Als je toch probeert celibatair te even strijd je tegen God en de door Hem bepaalde natuur als je de aard van je leven niet aanpast aan de maat van je mogelijkheden. Celibatair leven is ook niet voor het gemak of de rust. Er zijn veel mensen die zich niet kunnen beheersen, dus het is geen schande om de enige remedie tegen onkuisheid aan te grijpen. Kuisheid is van de ziel.
God wil kuisheid, en alles wat daarmee in strijd is veroordeelt Hij. Een eerbaar en ingetogen leven geldt ook binnen het huwelijk. Het huwelijk is geen reden om bandeloos te leven. Anders kan je als man een hoerenloper van je eigen vrouw genoemd worden. Volgens mij zegt Calvijn hier dat het huwelijk geen 50 tinten grijs is. Ook ons uiterlijk en onze daden moeten kuis zijn. We moeten niet met ons uiterlijk andermans kuisheid belagen.
Achtste gebod; niet stelen.
God heeft door Zijn voorzienigheid gegeven aan een ieder wat hem of haar toekomt. Dit is niet alleen af te nemen met geweld, maar ook op allerlei oneerlijke praktijken, hiertegen gaat het gebod. Hier is een interessante parallel met het eerste gebod. Wie zijn naaste iets onthoudt wat hem toekomt doet zijn naaste te kort en eigent zich dat toe. Net zoals God de eer onthouden en aan iets anders geven doet God tekort en is ook schuldig.
We moeten anderen ook helpen met hun eigendommen en niet ons eigendom vermeerderen ten kosten van anderen. De nood van andere moeten we met eigen rijkdom verlichten. Verder moet ieder op zijn plaats de ander de verschuldigde goederen, geld of eer of gehoorzaamheid, geven. Wat je aan je naaste schuldig bent, moet je je naaste betalen.
Morgen lezen we boek II.8.47 - II.8.52
maandag 6 april 2015
06-04; Boek II.8.33 - II.8.38
Zalig Pasen iedereen!
Over het vierde gebod, waarom vieren we de zondag eigenlijk?
Er zijn dus in de tijd van Calvijn vooral dopersen geweest die het onderhouden van bepaalde dagen vonden horen bij het Jodendom. Ook met een beroep op Paulus. Maar Paulus schaft niet alle onderhoudingen van dagen af, alleen diegene die als een ceremonie vasthouden aan een voorafschaduwing waardoor de heerlijkheid van Christus wordt verduisterd. Die dagen die waren ingesteld om te wijzen naar Christus. Wie deze onderhoudt doet feitelijk alsof Christus nog niet is gekomen. Paulus keert zich niet tegen dagen die kerkelijk doel dienen.
De zondag markeert dus het verschil tussen de Joden en christenen. Voor christenen is er ook niks bijzonder aan de zevende dag. Het kan iedere willekeurige dag zijn, als er maar een dag wordt gekozen waarop mensen Gods werken overdenken, rusten van onze werken en onze ondergeschikten wat ademruimte kiezen. Dit betekent niet dat de sabbat alleen verplaatst moet worden om de Joden dwars te zitten en deze dag bijzonderder is dan de overige zes dagen. Een christelijke sabbat is volgens Calvijn een willekeurige dag en een middel om de heilige bijeenkomsten in stand te houden. Niets meer, niet minder.
Vijfde gebod; ouders eren,
Als God een orde van 'verhevenheid' instelt hecht Hij er veel waarde aan als deze ook door ons als zodanig wordt erkend. Eer is niet alleen eerbied, maar ook beloning. Dit gebod is zo tegennatuurlijk dat het ons gemoed vermurwt en ons went aan andere vormen van verhoudingen buiten het ouderschat. We moeten beseffen dat God de enige echte Vader is en dat daarom vaders iets goddelijks afstraalt. net als vorsten. Via de titel vader moeten we dus van onze biologische vader kijken naar God de Vader.
De eis van het gebod is om iedereen die boven ons gesteld is te eerbiedigen, gehoorzamen en dankbaar te zijn, of ze het nu waar zijn of niet. Ze zijn immers niet buiten Gods voorzienigheid op die plaats gesteld. Ook de natuur laat zien dat eerbied voor ouders normaal is.
Dit is ook het eerste gebod met een expliciete belofte. Je zult leven dan. Een lang leven wordt door de hele Bijbel gezien als een zegen van God. Een lang leven is dus een belofte in zoverre God je ertoe zegent, en een zegen als het een bewijs is van Gods genade die Hij nog meer zal laten zien dwars door de dood heen.
De dreiging is dan weer dat God de ongehoorzame kinderen met de doodstraf laat ombrengen. En als ze dit ontlopen dan voltrekt God zelf Zijn oordeel. Calvijn verwijst naar de ongehoorzame types die bij ruzies en vechtpartijen omkomen. Ik moet zelf denken aan die types die iedereen wel in de klas had waarvan je wist dat die niet goed terecht kwamen. Hoe ik deze gedachte moet taxeren laat ik voorlopig in het midden. Deze toch wel naar fatalistische onderwerping geldt allen voor zover de hogergestelden het in de Heere is. Ze moeten altijd analoog aan de Vader of Heer zijn, anders zijn ze onze gehoorzaamheid niet verschuldigd. Als ze ons eraan toe zetten de Wet te overtreden hoeven we ze niet meer te beschouwen als ouders, vorst, maar als vreemdelingen. Dit assertief-fatalisme staat mij wel aan. :)
Ik heb het vermoeden dat ik uitgebreider type als ik wakkerder ben, dus wanneer ik later op de dag dit tik, desondanks de toch niet hele slappe koffie 's ochtends....
Morgen lezen we Boek II.8.39 - 46
Over het vierde gebod, waarom vieren we de zondag eigenlijk?
Er zijn dus in de tijd van Calvijn vooral dopersen geweest die het onderhouden van bepaalde dagen vonden horen bij het Jodendom. Ook met een beroep op Paulus. Maar Paulus schaft niet alle onderhoudingen van dagen af, alleen diegene die als een ceremonie vasthouden aan een voorafschaduwing waardoor de heerlijkheid van Christus wordt verduisterd. Die dagen die waren ingesteld om te wijzen naar Christus. Wie deze onderhoudt doet feitelijk alsof Christus nog niet is gekomen. Paulus keert zich niet tegen dagen die kerkelijk doel dienen.
De zondag markeert dus het verschil tussen de Joden en christenen. Voor christenen is er ook niks bijzonder aan de zevende dag. Het kan iedere willekeurige dag zijn, als er maar een dag wordt gekozen waarop mensen Gods werken overdenken, rusten van onze werken en onze ondergeschikten wat ademruimte kiezen. Dit betekent niet dat de sabbat alleen verplaatst moet worden om de Joden dwars te zitten en deze dag bijzonderder is dan de overige zes dagen. Een christelijke sabbat is volgens Calvijn een willekeurige dag en een middel om de heilige bijeenkomsten in stand te houden. Niets meer, niet minder.
Vijfde gebod; ouders eren,
Als God een orde van 'verhevenheid' instelt hecht Hij er veel waarde aan als deze ook door ons als zodanig wordt erkend. Eer is niet alleen eerbied, maar ook beloning. Dit gebod is zo tegennatuurlijk dat het ons gemoed vermurwt en ons went aan andere vormen van verhoudingen buiten het ouderschat. We moeten beseffen dat God de enige echte Vader is en dat daarom vaders iets goddelijks afstraalt. net als vorsten. Via de titel vader moeten we dus van onze biologische vader kijken naar God de Vader.
De eis van het gebod is om iedereen die boven ons gesteld is te eerbiedigen, gehoorzamen en dankbaar te zijn, of ze het nu waar zijn of niet. Ze zijn immers niet buiten Gods voorzienigheid op die plaats gesteld. Ook de natuur laat zien dat eerbied voor ouders normaal is.
Dit is ook het eerste gebod met een expliciete belofte. Je zult leven dan. Een lang leven wordt door de hele Bijbel gezien als een zegen van God. Een lang leven is dus een belofte in zoverre God je ertoe zegent, en een zegen als het een bewijs is van Gods genade die Hij nog meer zal laten zien dwars door de dood heen.
De dreiging is dan weer dat God de ongehoorzame kinderen met de doodstraf laat ombrengen. En als ze dit ontlopen dan voltrekt God zelf Zijn oordeel. Calvijn verwijst naar de ongehoorzame types die bij ruzies en vechtpartijen omkomen. Ik moet zelf denken aan die types die iedereen wel in de klas had waarvan je wist dat die niet goed terecht kwamen. Hoe ik deze gedachte moet taxeren laat ik voorlopig in het midden. Deze toch wel naar fatalistische onderwerping geldt allen voor zover de hogergestelden het in de Heere is. Ze moeten altijd analoog aan de Vader of Heer zijn, anders zijn ze onze gehoorzaamheid niet verschuldigd. Als ze ons eraan toe zetten de Wet te overtreden hoeven we ze niet meer te beschouwen als ouders, vorst, maar als vreemdelingen. Dit assertief-fatalisme staat mij wel aan. :)
Ik heb het vermoeden dat ik uitgebreider type als ik wakkerder ben, dus wanneer ik later op de dag dit tik, desondanks de toch niet hele slappe koffie 's ochtends....
Morgen lezen we Boek II.8.39 - 46
vrijdag 3 april 2015
03-04; Boek II.8.27 - II.8.32
Verder over het derde gebod. Calvijn laat zien dat in de Bijbel er ook voor particuliere zaken eden voorkomen. Dat mag, je mag alleen een eed niet makkelijk en oppervlakkig gebruiken, als het om de eer van God gaat of om de stichting van de naaste te bevorderen.
Het vierde gebod; sabbatsrust.
Het is een bijzonder gebod, bedoelt om als beeld van de komende rust, een regeling waarop iedereen bij elkaar kon komen voor de godsdienstige verplichtingen en een dag van rust. De voorafschaduwing van de geestelijke rust was het belangrijkst. Misschien heeft God daarom wel de sabbatsrust benadrukt in de geschiedenis. Het is onder woorden gebracht door Mozes en Ezechiël, de sabbat was een belofte dat God Israël zou heiligen. Daarom moeten we menselijk werk en begeertes van het vlees loslaten en richten op de wil van God. Ook stoppen met menselijke gedachtes, het is rusten in God.
Dat het de zevende dag is kan opgevat worden dat zeven meer betekent. De eeuwige rust, of de laatste dag zoals onze echte rust in de laatste dagen zal zijn. Maar als dit te speculatief is voor mensen vindt Calvijn het genoeg te weten dat God een dag heeft uitgekozen.
De sabbatsrust is vervuld door Jezus, het is onderdeel van de ceremoniële Wet die Jezus verafschaduwde. Zo gaat de sabbat dan niet meer over een dag in de week maar over heel ons leven. Maar dit zijn geen schaduwachtige zaken, dit is ook geldig voor ons. We hebben nu ook een vaste dag voor de eredienst en een dag rust nodig. Dit is ook meer praktisch, alles in de kerk moeet betamelijk en ordelijk gebeuren, en iedere dag kerkdiensten zou misschien wel fijn zijn, maar dat trekt niet iedereen.
Maandag lezen we II.8.33 - II.8.38
Het vierde gebod; sabbatsrust.
Het is een bijzonder gebod, bedoelt om als beeld van de komende rust, een regeling waarop iedereen bij elkaar kon komen voor de godsdienstige verplichtingen en een dag van rust. De voorafschaduwing van de geestelijke rust was het belangrijkst. Misschien heeft God daarom wel de sabbatsrust benadrukt in de geschiedenis. Het is onder woorden gebracht door Mozes en Ezechiël, de sabbat was een belofte dat God Israël zou heiligen. Daarom moeten we menselijk werk en begeertes van het vlees loslaten en richten op de wil van God. Ook stoppen met menselijke gedachtes, het is rusten in God.
Dat het de zevende dag is kan opgevat worden dat zeven meer betekent. De eeuwige rust, of de laatste dag zoals onze echte rust in de laatste dagen zal zijn. Maar als dit te speculatief is voor mensen vindt Calvijn het genoeg te weten dat God een dag heeft uitgekozen.
De sabbatsrust is vervuld door Jezus, het is onderdeel van de ceremoniële Wet die Jezus verafschaduwde. Zo gaat de sabbat dan niet meer over een dag in de week maar over heel ons leven. Maar dit zijn geen schaduwachtige zaken, dit is ook geldig voor ons. We hebben nu ook een vaste dag voor de eredienst en een dag rust nodig. Dit is ook meer praktisch, alles in de kerk moeet betamelijk en ordelijk gebeuren, en iedere dag kerkdiensten zou misschien wel fijn zijn, maar dat trekt niet iedereen.
Maandag lezen we II.8.33 - II.8.38
donderdag 2 april 2015
02-04; Boek II.8.20 - II.8.26
Over het tweede gebod;
Is het niet onrechtvaardig dat God de kinderen laat boeten voor zondes van de ouders? Nou ja, alle mensen zijn doemwaardig, dat zet de zaak in ander perspectief. Ook de tekst over de zure druiven en stroeve tanen(Ezech. 18:20) gaat hier niet helemaal onder, de Israëlieten klagen daar dat zij als rechtvaardigen worden gestraft voor de zonde van hun ouders, maar ze worden gestraft om hun eigen zondes.
En de zegen tot in het duizendste geslacht geldt niet alleen voor opvoeding, maar Gods verbond. Dit gebod is dus een waarschuwing en troost.
Het derde gebod; geen ijdel gebruik van de naam van God;
Dat is niet alleen de naam niet verkeerd gebruiken, maar ook God eren met woord en daad. Alles moet geschikt zijn om Hem te verheerlijken, niet te kort te doen en hoog geacht te worden. Het gaat hier niet over liegen en meineed, dat komt in een later gebod op de tweede tafel, het gaat hier om de dienst aan God. Een eed bij God is de erkenning van God, het is een soort belijdenis doen.
Als Gods naam is aangeroepen en er is meineed gepleegd, dan is dat nogal wat. We kunnen niet zweren zonderook Gods wraak eraan te verbinden. Een eed zweren is ook niet zomaar wat en mag alleen in geval van nood gebruikt worden in het belang van de godsdienst of de naastenliefde.
Wederdopers worden weerlegt door Calvijn: zij zijn van mening dat Jezus zweren in het geheel heeft afgeschaft. Dat is nietwaar. Jezus is niet in tegenspraak met Zijn Vader en de bergrede is bedoeld om de juiste interpretatie te geven. Dus Jezus heeft het over de verkeerde gebruiken die de Farizeeërs zijn verzonnen. Het geheel niet slaat niet op het zweren, maar op wat daarna komt.
Morgen lezen we Boek II.8.27 - II.8.32
Is het niet onrechtvaardig dat God de kinderen laat boeten voor zondes van de ouders? Nou ja, alle mensen zijn doemwaardig, dat zet de zaak in ander perspectief. Ook de tekst over de zure druiven en stroeve tanen(Ezech. 18:20) gaat hier niet helemaal onder, de Israëlieten klagen daar dat zij als rechtvaardigen worden gestraft voor de zonde van hun ouders, maar ze worden gestraft om hun eigen zondes.
En de zegen tot in het duizendste geslacht geldt niet alleen voor opvoeding, maar Gods verbond. Dit gebod is dus een waarschuwing en troost.
Het derde gebod; geen ijdel gebruik van de naam van God;
Dat is niet alleen de naam niet verkeerd gebruiken, maar ook God eren met woord en daad. Alles moet geschikt zijn om Hem te verheerlijken, niet te kort te doen en hoog geacht te worden. Het gaat hier niet over liegen en meineed, dat komt in een later gebod op de tweede tafel, het gaat hier om de dienst aan God. Een eed bij God is de erkenning van God, het is een soort belijdenis doen.
Als Gods naam is aangeroepen en er is meineed gepleegd, dan is dat nogal wat. We kunnen niet zweren zonderook Gods wraak eraan te verbinden. Een eed zweren is ook niet zomaar wat en mag alleen in geval van nood gebruikt worden in het belang van de godsdienst of de naastenliefde.
Wederdopers worden weerlegt door Calvijn: zij zijn van mening dat Jezus zweren in het geheel heeft afgeschaft. Dat is nietwaar. Jezus is niet in tegenspraak met Zijn Vader en de bergrede is bedoeld om de juiste interpretatie te geven. Dus Jezus heeft het over de verkeerde gebruiken die de Farizeeërs zijn verzonnen. Het geheel niet slaat niet op het zweren, maar op wat daarna komt.
Morgen lezen we Boek II.8.27 - II.8.32
woensdag 1 april 2015
01-04; Boek II.8.15 - II.8.19
We beginnen midden in een stuk waarin Calvijn de inleiding van de wet uitlegt.
Als God zegt dat Hij ons uit het land Egypte heeft geleid, is dit een herinnering aan een weldaad. Zo laat hij Zich kennen als de bewerker van vrijheid en claimt Hij die titel tegenover anderen goden en namen. Voor ons geldt dat God ons uit de zonde heeft bevrijdt en in Zijn koninkrijk heeft gebracht.
Het eerste gebod, dit betekent niet alleen geen andere goden hebben, maar ook wat God toekomt niet op een ander overdragen. God komt toe onze aanbidding geestelijke gehoorzaamheid van het geweten, het vertrouwen, de aanroeping en de aanbidding. Het 'voor Mijn aangezicht' laat de ernst van het gebod zien. God maakt daartegenover echter duidelijk kenbaar dat alles wat wij op touw zetten wat wij beramen en wat wij ten uitvoer brengen, Hem onder ogen komt. He geweten moet daarom rein zijn, zelfs van de meest verborgen gedachten aan afvalligheid, als wij onze godsdienst aangenaam willen maken.
Het tweede gebod, geen gesneden beelden. God geeft zelf aan hoe Hij is en hoe Hij vereert wil worden. We moeten niet denken dat we God kunnen vatten in beelden, en we moeten beelden niet gebruiken in de godsdienst.
God zet met de dreigende woorden dit gebod kracht bij, deze is in feite hetzelfde als dat God zou zeggen dat Hij de enige is om aan te hangen. Maar dan met donkere tinten geschilderd. Net als in een huwelijk belooft de Kerk met dit gebod haar trouw aan God. Als haar Bruidegom zelf heiliger en kuiser leeft zal Hij meer ontvlammen als Hij ziet dat Zijn vrouw dit niet doet.
Calvijn behandelt hier ook over de straf door de generatie heen. Hier gaat het over de straf tot in het vierde geslacht terwijl God in Ezechiël duidelijk maakt dat Hij niet de zoon laat opdraaien voor de zonden van de vader. Er zijn wat uitvluchten bedacht zoals dat God tijdelijke straffen bedoelt. Maar Calvijn benadrukt dat de zonde zo groot is en de straf zo zwaar dat deze niet beperkt kan blijven tot het grenzen van het tegenwoordige leven. En je kan ook niet verwachten dat een goddeloze vader voorbeeldig vrome zoons krijgt.
Volgens mij is dit laatste gedeelte altijd het moeilijkst te verkroppen, zeker voor geïndividualiseerde 21ste eeuwers. Maar misschien ook wel ontnuchterend dat zonde niet alleen consequenties hebben voor de zondaar, maar ook voor meerdere mensen. Laat ons dit aansporen om ons nog meer toe te leggen op het goede, wie weet heeft dit ook gevolgen voor meerdere personen.
Morgen lezen we Boek II.8.20 - II.8.26
Als God zegt dat Hij ons uit het land Egypte heeft geleid, is dit een herinnering aan een weldaad. Zo laat hij Zich kennen als de bewerker van vrijheid en claimt Hij die titel tegenover anderen goden en namen. Voor ons geldt dat God ons uit de zonde heeft bevrijdt en in Zijn koninkrijk heeft gebracht.
Het eerste gebod, dit betekent niet alleen geen andere goden hebben, maar ook wat God toekomt niet op een ander overdragen. God komt toe onze aanbidding geestelijke gehoorzaamheid van het geweten, het vertrouwen, de aanroeping en de aanbidding. Het 'voor Mijn aangezicht' laat de ernst van het gebod zien. God maakt daartegenover echter duidelijk kenbaar dat alles wat wij op touw zetten wat wij beramen en wat wij ten uitvoer brengen, Hem onder ogen komt. He geweten moet daarom rein zijn, zelfs van de meest verborgen gedachten aan afvalligheid, als wij onze godsdienst aangenaam willen maken.
Het tweede gebod, geen gesneden beelden. God geeft zelf aan hoe Hij is en hoe Hij vereert wil worden. We moeten niet denken dat we God kunnen vatten in beelden, en we moeten beelden niet gebruiken in de godsdienst.
God zet met de dreigende woorden dit gebod kracht bij, deze is in feite hetzelfde als dat God zou zeggen dat Hij de enige is om aan te hangen. Maar dan met donkere tinten geschilderd. Net als in een huwelijk belooft de Kerk met dit gebod haar trouw aan God. Als haar Bruidegom zelf heiliger en kuiser leeft zal Hij meer ontvlammen als Hij ziet dat Zijn vrouw dit niet doet.
Calvijn behandelt hier ook over de straf door de generatie heen. Hier gaat het over de straf tot in het vierde geslacht terwijl God in Ezechiël duidelijk maakt dat Hij niet de zoon laat opdraaien voor de zonden van de vader. Er zijn wat uitvluchten bedacht zoals dat God tijdelijke straffen bedoelt. Maar Calvijn benadrukt dat de zonde zo groot is en de straf zo zwaar dat deze niet beperkt kan blijven tot het grenzen van het tegenwoordige leven. En je kan ook niet verwachten dat een goddeloze vader voorbeeldig vrome zoons krijgt.
Volgens mij is dit laatste gedeelte altijd het moeilijkst te verkroppen, zeker voor geïndividualiseerde 21ste eeuwers. Maar misschien ook wel ontnuchterend dat zonde niet alleen consequenties hebben voor de zondaar, maar ook voor meerdere mensen. Laat ons dit aansporen om ons nog meer toe te leggen op het goede, wie weet heeft dit ook gevolgen voor meerdere personen.
Morgen lezen we Boek II.8.20 - II.8.26
Abonneren op:
Posts (Atom)