[3]Paus Leo en augustinus voeren aan dat de dood van de één geen gerechtigheid voor de ander oplevert, tenzij het Christus betreft. Maar hier gaat het om martelaren. Het bloed van de martelaren zou waardeloos zijn als het geen gerechtigheid opleverde, wat Calvijn het mengen van het bloed van Christus met bloed van heiligen noemt. Maar het bloed van de martelaren heeft waarde als getuigenis, niet als verzoening voor anderen.
[4]Kol. 1:24 is een kerntekst. Dit is niet dat het lijden van Christus aanvulling nodig heeft. Het gaat om wat de leden van Christus, de gelovigen, dagelijks nog lijden wat Christus in Zichzelf heeft gelden, het gaat over de beproevingen van christenen. Augustinus leerde dit al.
[5]Paulus predikte Christus als verzoening en bron van alle hemelse goederen, daarmee staat dit lijnrecht tegenover de aflaten van lood en perkament. Het is een ontsporing van de genoegdoeningen die boetelingen moesten doen en verlichting(een aflaat, indulgentia) konden vragen. Later werd dit op God betrokken.
[6]Omdat de aflaten niet waar is, is het vagevuur ook niet waar. Calvijn stelt dat het vagevuur eerst verzonnen is en daarna door verdraaiing van teksten gepoogd werd deze Bijbels te funderen. God wil niet dat mensen zo diep zoeken en doden raadplegen. En het is weer iets wat van het kruis van Jezus afleidt.
[7]NT-teksten over de zonde tegen de Heilige Geest laten zien dat er dus wel zonden zijn die in het hiernamaals kunnen worden vergeven, aldus vagevuur-theologen. Maar Jezus spreekt met een stijlfiguur over het oordeel van het geweten en het Laatste Oordeel. De tweede tekst uit het NT is Matth. 5:25, het is geen schets van wie wie(duivel, God, engel, Jezus) is in de opstelling van een rechtbank, maar wat voor een onzin is om je gelijk te blijven halen terwijl je billijkheid en eendracht moet zoeken.
[8] Ook de tekst dat elke knie voor Jezus zal buigen laat met het 'onder de aarde' het vagevuur zien. Maar Paulus bedoelt niet het uitboeten, maar hij bedoelt hoe vroomheid is. In Openbaringen, gaat het dan weer over redeloze en onbezielde schepselen. Bewijs uit de Maccabeeën wil Calvijn niet aan, omdat hij het boek niet erkend als canoniek. Hiervoor vindt hij steun bij Augustinus, omdat de Joden het boek niet rekende tot Wet, Profeten of Psalmen(die alledrie wel van Christus getuigden). Hieronymus vond dat je er geen dogma's mee kon ondersteunen en Cyprianus erkende het niet als canoniek. Maar hoofdpersoon Judas offet ook niet omwille het vagevuur als losprijs, maar in hoop op het eeuwige leven.
Morgen lezen we boek III.5.9 - III.6.1
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 9 juni 2015
maandag 8 juni 2015
08-06; Boek III.4.36 - III.5.2
De 23ste week van Lectio Calvini.
Vorige week waren we gestopt bij waar Calvijn de boetedoening, straf en tuchtiging behandelde. Nu over de genoegdoening. [36]Als God het heeft over goede daden, zoals bij NEbukadnezar en in de Spreuken(10:12), gaat het niet om goede daden naar God toe, maar om zich met mensen te verzoenen. De liefde bedekt de zonde door andermans zonde te verdragen en te vermanen, dan er volop tegenin te gaan en ze te verergeren. Het gaat niet om de oorzaak van vergeving, maar om de manier van bekering, een reiniging van binnen- en buitenkant, een omwenteling in hart en daden.
[37]De vrouw uit Lucas 7 bewijst dit ook, Jezus zegt dat haar zonde vergeven zijn door middel van de gelijkenis. Ze verdient het niet, maar huilt en toont liefde in antwoord op de vergeving.
[38]Zoals Calvijn laat zien kunnen de roomse 'genoegdoeningsdrijvers' zich niet beroepen op in ieder geval Augustinus en Chrysostomus. [39]Genoegdoening werd bij hen niet behandeld als vergelding, maar als openbare schuldbelijdenis om weer in de gemeente opgenomen te worden. Dit is verhapselt in het allegaartje van onkritisch kerkvader gebruik door Lombardus. We moeten wat dit betreft Calvijn geloven, hij gaat alleen in op zaken waar de lezer iets aan heeft.
Nieuw hoofdstuk over de aflaten en het vagevuur. [1]Aflaten zijn compensaties voor het gebrek aan menselijk vermogen. Het is een eeuwenoude instelling dat zich alleen maar laat zien als middel om door te gaan met zondigen. [2] Ze worden gehaald uit de verdiensten van Christus, apostelen en martelaren als uit een schatkamer in beheer van de Paus. Dit zou suggereren dat het bloed van Christus niet genoeg is, in tegenstelling tot het heldere getuigenis van de Bijbel.
Morgen lezen we boek III.5.3 - III.5.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Vorige week waren we gestopt bij waar Calvijn de boetedoening, straf en tuchtiging behandelde. Nu over de genoegdoening. [36]Als God het heeft over goede daden, zoals bij NEbukadnezar en in de Spreuken(10:12), gaat het niet om goede daden naar God toe, maar om zich met mensen te verzoenen. De liefde bedekt de zonde door andermans zonde te verdragen en te vermanen, dan er volop tegenin te gaan en ze te verergeren. Het gaat niet om de oorzaak van vergeving, maar om de manier van bekering, een reiniging van binnen- en buitenkant, een omwenteling in hart en daden.
[37]De vrouw uit Lucas 7 bewijst dit ook, Jezus zegt dat haar zonde vergeven zijn door middel van de gelijkenis. Ze verdient het niet, maar huilt en toont liefde in antwoord op de vergeving.
[38]Zoals Calvijn laat zien kunnen de roomse 'genoegdoeningsdrijvers' zich niet beroepen op in ieder geval Augustinus en Chrysostomus. [39]Genoegdoening werd bij hen niet behandeld als vergelding, maar als openbare schuldbelijdenis om weer in de gemeente opgenomen te worden. Dit is verhapselt in het allegaartje van onkritisch kerkvader gebruik door Lombardus. We moeten wat dit betreft Calvijn geloven, hij gaat alleen in op zaken waar de lezer iets aan heeft.
Nieuw hoofdstuk over de aflaten en het vagevuur. [1]Aflaten zijn compensaties voor het gebrek aan menselijk vermogen. Het is een eeuwenoude instelling dat zich alleen maar laat zien als middel om door te gaan met zondigen. [2] Ze worden gehaald uit de verdiensten van Christus, apostelen en martelaren als uit een schatkamer in beheer van de Paus. Dit zou suggereren dat het bloed van Christus niet genoeg is, in tegenstelling tot het heldere getuigenis van de Bijbel.
Morgen lezen we boek III.5.3 - III.5.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
zaterdag 6 juni 2015
05-06; Boek III.4.32 - III.4.35
Een dagje later, ik was gister op een conferentie vanaf verschrikkelijk vroeg. Misschien is dit onderdeel ook wel een van de moeilijkere gedeeltes in het calvinisme; de straffende God. Dit godsbeeld gaat in tegen het godsbeeld dat veel mensen hebben, het Moralistic Therapeutic Deism(https://en.wikipedia.org/wiki/Moralistic_therapeutic_deism) of het roept nare ervaringen of onbeantwoorde vragen over het levensloop bij jezelf of andere op. Maar ik denk dat Calvijn toch de moeite waar is om door te lezen.
We gaan weer verder met het onderscheid tussen straf en tuchtiging. [32] Calvijn noemt kastijding zelfs een zegen. De straf van de torn daarentegen wordt het voorportaal van de hel in dit leven genoemd. De Bijbelse personen hebben vaak gebeden om bewaard te worden van de toorn maar niet om de kastijding/tuchtiging af te houden. Er ligt zelfs vermindering van smarten in het overdenken van Gods bedoeling, aldus Habakuk. God slaat namelijk soms zo dat mensen zich niet ver van de hel verwijderd voelen, God zegt dat mensen Zijn toorn hebben verdiend en mensen beijveren zich om met God in het reine te komen. En toch is God mild en matig in het kastijden. Dat is ook wel nodig, Calvijn zegt dat mensen die zich toeleggen op de beoefening van vroomheid ook een stuk teerder in hun gemoed worden.
Een tweede verschil[33], de straf is een betaling van de zonden, de tuchtiging is gericht op bekering. Je zou kunnen zeggen dat de straf is gericht op het verleden van een persoon en de tuchtiging op de toekomst. Dit is al bekend bij Augustinus en (Pseudo-)Chrysostomus, niets nieuws wat Calvijn ten berde brengt. God laat Zich ook vaak zien als verontwaardigd als Zijn volk zich niet bekeerd. Wat ook een aspect hierin is, is dat gelijke omstandigheden voor de een tot tuchtiging en voor de ander tot straf is, als ik mij niet vergis werkt Augustinus dit groots uit in de Stad van God, waar gelovigen en ongelovigen in Rome door de Visigoten werden getergd.
[34] Een gelovige moet zich sterken met deze gedachte in de bitterheid van beproeving. Het zou zomaar voorkomen dat een gelovige denkt dat hij gestraft wordt en zich onmogelijk kan voorstellen door God bemint te worden. Maar je komt verder als hij bedenkt dat God Zich over de zonden vertoornt, maar hemzelf genadig en goedgunstig is. Het is soms zwaar, zoals ook in de Bijbel de wanhoop dicht genaderd wordt. Het is ook een beproeving als ongelovigen ongestraft blijven en gelovigen de volle laag krijgen. Maar het is genade om terug naar de Wet gebracht te worden terwijl de goddelozen rondrennen op een weg die eindigt in het graf.
[35]Nu over de bestraffing van David na Batseba. God liet overduidelijk zien dat Hij doodslag en overspel niet wil. David is hierin ook een voorbeeld voor alle eeuwen na hem. Desalniettemin was het geen straf om iets aan God te betalen. Dit is ook de algemene vloek van de mensheid, hierin voelen we hoe serieus God de overtredingen van Zijn Wet opneemt en laat ons verlangen naar het hoogste geluk. God straft op die manier verschillend bij verschillende personen, maar God laat zien dat Hij meteen vergevingsgezind is als de getuchtigde zich bekeert, en dat het onze halstarrigheid is die hiertoe in de weg staat. David wordt uitgebreid besproken, andere voorbeelden laten vaak vergeving uit genade zien., het verhaal van David is in die zin meer een uitzondering.
Wat mij opvalt is dat hier God actief op het mensenleven wordt betrokken, in onze tijd lijkt God wel op afstand te staan, zeker in zaken die je overkomen. Misschien wil de mens vandaag nog wel het positieve aan God toeschrijven, maar echt alles en zo direct als Calvijn het schetst kunnen we misschien nog wat van leren.
Volgende week lezen we Boek III.4.26 - III.5.2
Lees deze en andere post terug op lectiocalvini.blogspot.com
We gaan weer verder met het onderscheid tussen straf en tuchtiging. [32] Calvijn noemt kastijding zelfs een zegen. De straf van de torn daarentegen wordt het voorportaal van de hel in dit leven genoemd. De Bijbelse personen hebben vaak gebeden om bewaard te worden van de toorn maar niet om de kastijding/tuchtiging af te houden. Er ligt zelfs vermindering van smarten in het overdenken van Gods bedoeling, aldus Habakuk. God slaat namelijk soms zo dat mensen zich niet ver van de hel verwijderd voelen, God zegt dat mensen Zijn toorn hebben verdiend en mensen beijveren zich om met God in het reine te komen. En toch is God mild en matig in het kastijden. Dat is ook wel nodig, Calvijn zegt dat mensen die zich toeleggen op de beoefening van vroomheid ook een stuk teerder in hun gemoed worden.
Een tweede verschil[33], de straf is een betaling van de zonden, de tuchtiging is gericht op bekering. Je zou kunnen zeggen dat de straf is gericht op het verleden van een persoon en de tuchtiging op de toekomst. Dit is al bekend bij Augustinus en (Pseudo-)Chrysostomus, niets nieuws wat Calvijn ten berde brengt. God laat Zich ook vaak zien als verontwaardigd als Zijn volk zich niet bekeerd. Wat ook een aspect hierin is, is dat gelijke omstandigheden voor de een tot tuchtiging en voor de ander tot straf is, als ik mij niet vergis werkt Augustinus dit groots uit in de Stad van God, waar gelovigen en ongelovigen in Rome door de Visigoten werden getergd.
[34] Een gelovige moet zich sterken met deze gedachte in de bitterheid van beproeving. Het zou zomaar voorkomen dat een gelovige denkt dat hij gestraft wordt en zich onmogelijk kan voorstellen door God bemint te worden. Maar je komt verder als hij bedenkt dat God Zich over de zonden vertoornt, maar hemzelf genadig en goedgunstig is. Het is soms zwaar, zoals ook in de Bijbel de wanhoop dicht genaderd wordt. Het is ook een beproeving als ongelovigen ongestraft blijven en gelovigen de volle laag krijgen. Maar het is genade om terug naar de Wet gebracht te worden terwijl de goddelozen rondrennen op een weg die eindigt in het graf.
[35]Nu over de bestraffing van David na Batseba. God liet overduidelijk zien dat Hij doodslag en overspel niet wil. David is hierin ook een voorbeeld voor alle eeuwen na hem. Desalniettemin was het geen straf om iets aan God te betalen. Dit is ook de algemene vloek van de mensheid, hierin voelen we hoe serieus God de overtredingen van Zijn Wet opneemt en laat ons verlangen naar het hoogste geluk. God straft op die manier verschillend bij verschillende personen, maar God laat zien dat Hij meteen vergevingsgezind is als de getuchtigde zich bekeert, en dat het onze halstarrigheid is die hiertoe in de weg staat. David wordt uitgebreid besproken, andere voorbeelden laten vaak vergeving uit genade zien., het verhaal van David is in die zin meer een uitzondering.
Wat mij opvalt is dat hier God actief op het mensenleven wordt betrokken, in onze tijd lijkt God wel op afstand te staan, zeker in zaken die je overkomen. Misschien wil de mens vandaag nog wel het positieve aan God toeschrijven, maar echt alles en zo direct als Calvijn het schetst kunnen we misschien nog wat van leren.
Volgende week lezen we Boek III.4.26 - III.5.2
Lees deze en andere post terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 4 juni 2015
04-06; Boek III.4.27 - III.4.31
[27] Exegese boven de Summa. Waar Thomas van Aquino het Offer van Christus alleen de eerste zonde wil laten afwassen en de latere zonden door inspanningen vergeving kunnen krijgen, laat Calvijn zien dat vergeving van zonde komt van Christus alleen. De Korinthiërs worden als wedergeboren christenen gewezen om zich (weer) met Christus te laten verzoenen. Is ook wel het slimst, wie weet hoeveel zonde hij heeft en hoeveel werken hij daar tegenover moet doen? Heel de loop van ons leven moeten we vergeving en verzoening bij Christus zoeken.
[28] Ook het onderscheid tussen doodzondes en vergeeflijke zondes vindt Calvijn onzinnig. Alle zonde heeft de dood tot loon en er is geen zonde die niet vergeven kan worden. En dat laatste zegt alles over de barmhartigheid van God. Dat de roomsen dit de stoïcijnse dwaalleer vinden(geen onderscheid tussen zonden) weerlegt de Bijbel door de stellen dat het loon van de zonde en het overtreden van de Wet de dood verdient en de Wet de weg van het leven is.
[29] Calvijn wil met de Bijbel zijn tegenstanders als slangen zo strak vastbinden dat ze zelfs hun staart niet meer kunnen bewegen. Uit een aantal teksten valt te concluderen dat God niet meer aan de ongerechtigheden zal denken, maar dat de straf nog wel betaald moet worden.
[30] Het doet te kort aan het offer van Christus om er nog iets naast als genoegdoening te willen brengen. God heeft de schuld vergeven en daarom is de straf kwijtgescholden. Dit haalt ook het onderscheid tussen tijdelijke en eeuwige straf onderuit.
[31] Maar, stellen de tegenstanders van Calvijn, David hoort van Nathan dat hij nog gestraft wordt en Daniël spoort Nebukadnezar aan om straf met werken van barmhartigheid af te kopen. Maar Calvijn vindt het onzorgvuldige exegese, er moet een onderscheid gemaakt worden tussen straf en kastijding. Gods wraak is de straf die met Zijn verontwaardiging is verbonden. Kastijding is niet vanuit toorn of wraak, maar vanuit berisping en vermaning. In ieder geval niet als vergelding.
Volgende keer lezen we Boek III.4.32 - III.4.35
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[28] Ook het onderscheid tussen doodzondes en vergeeflijke zondes vindt Calvijn onzinnig. Alle zonde heeft de dood tot loon en er is geen zonde die niet vergeven kan worden. En dat laatste zegt alles over de barmhartigheid van God. Dat de roomsen dit de stoïcijnse dwaalleer vinden(geen onderscheid tussen zonden) weerlegt de Bijbel door de stellen dat het loon van de zonde en het overtreden van de Wet de dood verdient en de Wet de weg van het leven is.
[29] Calvijn wil met de Bijbel zijn tegenstanders als slangen zo strak vastbinden dat ze zelfs hun staart niet meer kunnen bewegen. Uit een aantal teksten valt te concluderen dat God niet meer aan de ongerechtigheden zal denken, maar dat de straf nog wel betaald moet worden.
[30] Het doet te kort aan het offer van Christus om er nog iets naast als genoegdoening te willen brengen. God heeft de schuld vergeven en daarom is de straf kwijtgescholden. Dit haalt ook het onderscheid tussen tijdelijke en eeuwige straf onderuit.
[31] Maar, stellen de tegenstanders van Calvijn, David hoort van Nathan dat hij nog gestraft wordt en Daniël spoort Nebukadnezar aan om straf met werken van barmhartigheid af te kopen. Maar Calvijn vindt het onzorgvuldige exegese, er moet een onderscheid gemaakt worden tussen straf en kastijding. Gods wraak is de straf die met Zijn verontwaardiging is verbonden. Kastijding is niet vanuit toorn of wraak, maar vanuit berisping en vermaning. In ieder geval niet als vergelding.
Volgende keer lezen we Boek III.4.32 - III.4.35
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 3 juni 2015
03-06; Boek III.3.21 - III.3.26
Calvijn beziet de roomse biecht nog eens wat verder
[21] De priesters weten niet alles en ook niet of alles vergeven is, dus hun macht stelt heel weinig voor. Het kan niet de macht van Christus zijn. Calvijn ziet het binden en ontbinden in het spreken van de Kerk waarin ze zondaars straft en zondaars vergeving voorhoudt, dat is andere koek.
[22] De roomse biecht is gefundeerd in de persoon van de priester; alleen zondes die de priester weet kunnen vergeven worden en zitten zo vastgeknoopt aan een grondig onderzoek. Natuurlijk kan een priester ook twijfelen, maar hij kan zeker nooit alles weten, alle zondes, maar ook niet alle zwaartes van zonde. Het is beter om de zekerheid te ontlenen aan het Woord van God in plaats van en menselijk en falende priester.
[23] Reden genoeg voor Calvijn om de oorbiecht te verwerpen. Over de biecht bij de kerkelijke regering zal Calvijn later terugkomen. De priesters scheuren in stukken wat Christus voor ons als één geheel heeft gegeven, bekering en geloof.
[24]Als ze de biecht als door God gewild presenteren, bewijzen ze zichzelf als onkundige theologen. Het is een tirranieke menselijke wet met weinig goed resultaat.
[25] De derde plaats in de boetedoening is de genoegdoening, omdat het niet genoeg is om te onthouden van zonden, maar je moet bijdragen aan de gerechtigheid van God. Wat in strijd is met de term vergeving, dit moet vrijgevig zijn, een geschenk. Ook wordt de genoegdoening door de woorden 'om niet' onderuitgehaald. Christus is voor ons tot zonde gemaakt.
[26] Lombasrdus nuanceert het offer, de genoegdoening hierin wordt verminderd door onze zonden die we na onze doop bedrijven. Daarom is genoegdoening werkzaam naast het offer van Christus. Uiteraard gaat Calvijn hier niet in mee.
Morgen lezen we boek III.4.27 - III.4.31
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[21] De priesters weten niet alles en ook niet of alles vergeven is, dus hun macht stelt heel weinig voor. Het kan niet de macht van Christus zijn. Calvijn ziet het binden en ontbinden in het spreken van de Kerk waarin ze zondaars straft en zondaars vergeving voorhoudt, dat is andere koek.
[22] De roomse biecht is gefundeerd in de persoon van de priester; alleen zondes die de priester weet kunnen vergeven worden en zitten zo vastgeknoopt aan een grondig onderzoek. Natuurlijk kan een priester ook twijfelen, maar hij kan zeker nooit alles weten, alle zondes, maar ook niet alle zwaartes van zonde. Het is beter om de zekerheid te ontlenen aan het Woord van God in plaats van en menselijk en falende priester.
[23] Reden genoeg voor Calvijn om de oorbiecht te verwerpen. Over de biecht bij de kerkelijke regering zal Calvijn later terugkomen. De priesters scheuren in stukken wat Christus voor ons als één geheel heeft gegeven, bekering en geloof.
[24]Als ze de biecht als door God gewild presenteren, bewijzen ze zichzelf als onkundige theologen. Het is een tirranieke menselijke wet met weinig goed resultaat.
[25] De derde plaats in de boetedoening is de genoegdoening, omdat het niet genoeg is om te onthouden van zonden, maar je moet bijdragen aan de gerechtigheid van God. Wat in strijd is met de term vergeving, dit moet vrijgevig zijn, een geschenk. Ook wordt de genoegdoening door de woorden 'om niet' onderuitgehaald. Christus is voor ons tot zonde gemaakt.
[26] Lombasrdus nuanceert het offer, de genoegdoening hierin wordt verminderd door onze zonden die we na onze doop bedrijven. Daarom is genoegdoening werkzaam naast het offer van Christus. Uiteraard gaat Calvijn hier niet in mee.
Morgen lezen we boek III.4.27 - III.4.31
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 2 juni 2015
02-06-2015; Boek III.4.16 - III.4.20
Vanochtend weigerde mijn wekker dienst dus moest ik direct door naar college. Daarom nu wat later de lectio van vandaag. Ik voeg ook per alinea toe welke paragraaf het betreft. Overzicht is een schone zaak.
Calvijn zal nog eens de roomse biechtleer afdrogen. [16]Later in boek IV zal Calvijn nog terug komen op de biecht. Allereerst is het vreemd dat alle zonden gebiecht moeten worden, als we kijken naar de uitspraken van David in de Psalmen waarin hij weliswaar spreekt over veel, afgrijselijk veel zonden, maar niet over iedere zonde afzonderlijk in een opsomming.
[17]De casuïstiek van de roomse theologen doet de mens verstikken in eindeloze onderverdelingen zonder echte oplossingen te bieden. Niemand kan hierdoor getroost worden, zeker als iemand zich bedenkt hoe moeilijk het is om alle zondes van een dag boven water te krijgen, laat staan van één jaar tijdens de verplichte biecht.
[18]De kerkelijke wet dat niemand de hemel inkomt zonder (het voornemen tot) de biecht maakt van mensen dus wanhopers, ze kunnen hieraan niet voldoen, en ook huichelaars omdat een lijstje opsommen niks anders is dan de echte kennis van hoe ellendig ze eraan toe zijn. Dit is een besef dat zondigheid groter is dan wat de mens ervan gezien heeft en ervan weet. dit drukt de tollenaar uit(Luk. 18:13). Niet dat Calvijn bedoelt dat een enkele zin genoeg is om gegarandeerd vergeven te zijn, maar we moeten erkennen dat we zondiger zijn dan we zelf hebben bedacht en kunnen beseffen. Krachtig tegenargument tegen de biecht is dat Christus zonder te biechten vergaf. Ook in de eerste eeuwen van de kerk bestond de biecht niet. De opsteller(in de Summa) van de biechtregel heeft zichzelf tot rechters aangesteld. Maar het is geen zaak van de rechter om te weten of de zondaar wordt vrijgesproken, vrijspraak van zonden bestaat in geloof en bekering, dus het is de zaak van de zondaar die het voorwaardelijke Woord zich toegeëigend dat door de dienaar van het Woord gesproken wordt.
[19]Desondanks een paar schijnvoordelen wil Calvijn de oorbiecht afgeschaft zien. Schijnvoordeel is de schaamte die bij de biecht komt, dit zou vervolg van de zonde tegengaan. Alsof het roepen voor het gerechtelijk onderzoek door God de mens niet genoeg verootmoedigt. Praktijk is dat de priester een losplaats is voor zonden waar verder niet over nagedacht wordt in de rest van het jaar.
[20]Calvijn vindt de priesters geen opvolgers van de apostelen en daarom bezitten ze niet hun dierbare sleutelmacht. De sleutelmacht wordt namelijk gegeven met de Heilige Geest, weliswaar aan de apostelen, maar pas op de tweede plaats. Calvijn is er niet van overtuigd dat de priesters deze hebben. Bewijs daarvoor vindt hij in het onderwijs waarin met bedekte termen wordt gesuggereerd dat vergissen mogelijk is met de sleutelmacht, maar de Heilige Geest vergist Zich niet.
Morgen lezen we boek III.4.21 - III.4.26
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Calvijn zal nog eens de roomse biechtleer afdrogen. [16]Later in boek IV zal Calvijn nog terug komen op de biecht. Allereerst is het vreemd dat alle zonden gebiecht moeten worden, als we kijken naar de uitspraken van David in de Psalmen waarin hij weliswaar spreekt over veel, afgrijselijk veel zonden, maar niet over iedere zonde afzonderlijk in een opsomming.
[17]De casuïstiek van de roomse theologen doet de mens verstikken in eindeloze onderverdelingen zonder echte oplossingen te bieden. Niemand kan hierdoor getroost worden, zeker als iemand zich bedenkt hoe moeilijk het is om alle zondes van een dag boven water te krijgen, laat staan van één jaar tijdens de verplichte biecht.
[18]De kerkelijke wet dat niemand de hemel inkomt zonder (het voornemen tot) de biecht maakt van mensen dus wanhopers, ze kunnen hieraan niet voldoen, en ook huichelaars omdat een lijstje opsommen niks anders is dan de echte kennis van hoe ellendig ze eraan toe zijn. Dit is een besef dat zondigheid groter is dan wat de mens ervan gezien heeft en ervan weet. dit drukt de tollenaar uit(Luk. 18:13). Niet dat Calvijn bedoelt dat een enkele zin genoeg is om gegarandeerd vergeven te zijn, maar we moeten erkennen dat we zondiger zijn dan we zelf hebben bedacht en kunnen beseffen. Krachtig tegenargument tegen de biecht is dat Christus zonder te biechten vergaf. Ook in de eerste eeuwen van de kerk bestond de biecht niet. De opsteller(in de Summa) van de biechtregel heeft zichzelf tot rechters aangesteld. Maar het is geen zaak van de rechter om te weten of de zondaar wordt vrijgesproken, vrijspraak van zonden bestaat in geloof en bekering, dus het is de zaak van de zondaar die het voorwaardelijke Woord zich toegeëigend dat door de dienaar van het Woord gesproken wordt.
[19]Desondanks een paar schijnvoordelen wil Calvijn de oorbiecht afgeschaft zien. Schijnvoordeel is de schaamte die bij de biecht komt, dit zou vervolg van de zonde tegengaan. Alsof het roepen voor het gerechtelijk onderzoek door God de mens niet genoeg verootmoedigt. Praktijk is dat de priester een losplaats is voor zonden waar verder niet over nagedacht wordt in de rest van het jaar.
[20]Calvijn vindt de priesters geen opvolgers van de apostelen en daarom bezitten ze niet hun dierbare sleutelmacht. De sleutelmacht wordt namelijk gegeven met de Heilige Geest, weliswaar aan de apostelen, maar pas op de tweede plaats. Calvijn is er niet van overtuigd dat de priesters deze hebben. Bewijs daarvoor vindt hij in het onderwijs waarin met bedekte termen wordt gesuggereerd dat vergissen mogelijk is met de sleutelmacht, maar de Heilige Geest vergist Zich niet.
Morgen lezen we boek III.4.21 - III.4.26
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 1 juni 2015
01-06; Boek III.4.10 - III.4.15
Week 22 van Lectio Calvini.
Wie zich voor God bekeert, zal ook voor mensen willen belijden. Indien het nog is zal op een belijdenis aan God vrijwillig een belijdenis aan mensen volgen. Zo gebeurde het ook in de tempel.
Zo moet het ook regelmatig in de kerk plaatsvinden. De hele kerk moet in tijden van pest, oorlog of misoogst rouwen en vasten of andere tekenen van schulderkenning laten zien waarbij de schuldbelijdenis zeker niet mag ontbreken. Maar ook is een schuldbelijdenis op zijn plaats als we ons verzamelen voor het aangezicht van God en de engelen. Daarom is het goed dat er - zoals al in sommige kerken gebeurd - er een formulier wordt voorgelezen om regelmatig schuld te belijden. Schuldbelijdenis is een sleutel om persoonlijk en openbaar gebed te openen.
Er zijn twee soorten van particuliere schuldbelijdenis. De een is gebaseerd op elkaar de zonden belijden(Jak. 5:16), de tweede is om met mensen die schade door ons hebben geleden te verzoenen. Wat betreft de eerste mag het niet in een regel gelegd worden, maar het wordt wel aanbevolen om als je dan toch iemand moet kiezen, de herder, dus de dominee, te kiezen. Hij is aangesteld om te onderwijzen, ook particulier. Maar dit is geen regel die dwingend wordt en ook mag binnen die pastorale situatie ook geen regel gelden om alle zonden uit iemand te persen, de person zelf mag bepalen wat hij wil bespreken tot troost.
De tweede vorm is gebaseerd op het verzoenen voordat je iets gaat offeren(Matt. 5:23 e.v.). Dus belijden dat dor schuld de liefde tot en van de ander beschadigt is. Concreet is dit de schuldbelijdenis voor mensen die ergernis van de hele gemeente hebben gegeven.
Bij deze drie vormen van schuldbelijdenis is de sleutelmacht van toepassing. Het uitspreken van de vergeving in Christus naam kan zowel de gemeente, als iemand die bijvoorbeeld weer in de gemeente komt, als ook in 1 op 1 gesprekken een welkom woord zijn dat vruchtbaar werkt. Maar deze sleutelmacht moet nooit los staan van het Evangelie.
De roomse kerk leert dat iedereen vanaf de leeftijd dat ze het snappen één keer per jaar moeten biechten en dat ze niet de hemel inkomen als ze niet gehoorzamen aan dit voornemen als de mogelijkheid er wel is. Er is wel discussie over hoe absoluut de sleutelmacht is en hoeveel kennis je hiervoor nodig hebt. Sommige zegen dat kennis hier niet noodzakelijk is, andere zeggen dat kennis een andere sleutel is en nog anderen proberen vanwege wangedrag van de priesters de sleutelmacht te laten bestaan als iets wat Christus bij Zijn oordeel goedkeurt op basis van het gedrag van de priester.
Morgen lezen we boek III.4.16 - III.4.20
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Wie zich voor God bekeert, zal ook voor mensen willen belijden. Indien het nog is zal op een belijdenis aan God vrijwillig een belijdenis aan mensen volgen. Zo gebeurde het ook in de tempel.
Zo moet het ook regelmatig in de kerk plaatsvinden. De hele kerk moet in tijden van pest, oorlog of misoogst rouwen en vasten of andere tekenen van schulderkenning laten zien waarbij de schuldbelijdenis zeker niet mag ontbreken. Maar ook is een schuldbelijdenis op zijn plaats als we ons verzamelen voor het aangezicht van God en de engelen. Daarom is het goed dat er - zoals al in sommige kerken gebeurd - er een formulier wordt voorgelezen om regelmatig schuld te belijden. Schuldbelijdenis is een sleutel om persoonlijk en openbaar gebed te openen.
Er zijn twee soorten van particuliere schuldbelijdenis. De een is gebaseerd op elkaar de zonden belijden(Jak. 5:16), de tweede is om met mensen die schade door ons hebben geleden te verzoenen. Wat betreft de eerste mag het niet in een regel gelegd worden, maar het wordt wel aanbevolen om als je dan toch iemand moet kiezen, de herder, dus de dominee, te kiezen. Hij is aangesteld om te onderwijzen, ook particulier. Maar dit is geen regel die dwingend wordt en ook mag binnen die pastorale situatie ook geen regel gelden om alle zonden uit iemand te persen, de person zelf mag bepalen wat hij wil bespreken tot troost.
De tweede vorm is gebaseerd op het verzoenen voordat je iets gaat offeren(Matt. 5:23 e.v.). Dus belijden dat dor schuld de liefde tot en van de ander beschadigt is. Concreet is dit de schuldbelijdenis voor mensen die ergernis van de hele gemeente hebben gegeven.
Bij deze drie vormen van schuldbelijdenis is de sleutelmacht van toepassing. Het uitspreken van de vergeving in Christus naam kan zowel de gemeente, als iemand die bijvoorbeeld weer in de gemeente komt, als ook in 1 op 1 gesprekken een welkom woord zijn dat vruchtbaar werkt. Maar deze sleutelmacht moet nooit los staan van het Evangelie.
De roomse kerk leert dat iedereen vanaf de leeftijd dat ze het snappen één keer per jaar moeten biechten en dat ze niet de hemel inkomen als ze niet gehoorzamen aan dit voornemen als de mogelijkheid er wel is. Er is wel discussie over hoe absoluut de sleutelmacht is en hoeveel kennis je hiervoor nodig hebt. Sommige zegen dat kennis hier niet noodzakelijk is, andere zeggen dat kennis een andere sleutel is en nog anderen proberen vanwege wangedrag van de priesters de sleutelmacht te laten bestaan als iets wat Christus bij Zijn oordeel goedkeurt op basis van het gedrag van de priester.
Morgen lezen we boek III.4.16 - III.4.20
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)