[6] Calvijn maakt een onderscheid tussen de beloften van de Wet en de beloften voor de bediening van de Wet. Als er staat dat God weldadigheid betracht aan mensen de Zijn Wet betrachten, wordt er bedoeld dat de mensen als God kinderen aangenomen zijn om God als Vader te eren en hun plicht te vervullen. Maar aan de andere kant is de vervulling hiervan niet om werken, maar aan mensen die zich bekeren en door de Geest tot het goede geleid worden.
[7] Er zijn ook teksten die het woord 'gerechtigheid' gebruiken en suggereren dat de mens door werken uit de Wet gerechtvaardigd zijn. Deze teksten worden gebruikt door de tegenstanders om te laten zien dat het niet alleen door geloof is om gerechtvaardigd te worden. Maar, aldus Calvijn, de voorschriften van de Wet zíjn ook gerechtigheden. Het is een ongelukkige vertaling van Hebreeuws naar Grieks. Het probleem ligt bij de mens. De voorschriften van de Wet zijn gerechtigheden, maar om de gerechtigheid te verdienen moet men zich aan de hele Wet houden. Voor heiligen worden hun gerechtigheden wel van de Wet afgemeten, niet naar hun eigen hoedanigheden
[8] Er is ook een discussie over de gerechtigheid van Abraham vergeleken met die van Pinehas. Maar bij Abraham gaat het om de rechtvaardiging door geloof, bij Pinehas is het een geloof na de aanneming en vergeving van zonde en doet Pinehas dus uit geloof een goed werk dat hem tot rechtvaardigheid wordt gerekend,.
[9] Calvijn vraagt aan de mensen die hier bezwaar tegen maken of mensen rechtvaardig geacht kunnen worden om één of twee heilige werken terwijl hij met alle andere dader een overtreder van de Wet is. En of men niet alle werken moet doen en of niet allee werken onvolledig zijn. Zo wordt duidelijk dat werken geen fundament zijn om gerechtigheid op te bouwen.
[10] De werken zijn dan wel ten dele ter rechtvaardiging, maar op een heel ander fundament. De werken worden in vergeving van zonden aangenomen. Niet alleen de mens zelf, maar ook zijn werken worden door het geloof in Christus gerechtvaardigd. Uiteindelijk zijn beide afhankelijk van genade.
Volgende week lezen we boek III.17.11 - III.17.15.
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
vrijdag 10 juli 2015
donderdag 9 juli 2015
09-07; Boek III.17.1 - III.17.5
Calvijn gaat vrolijk verder met het behandelen van de tegenargumenten uit de scholastiek.
[1] Interessante tegenwerping is dat de beloften van de Wet niet krachteloos zijn. Er zijn veel teksten in de Bijbel die dit lijken te zeggen. Maar Calvijn heeft al duidelijk gemaakt dat dit alleen geldt voor degene die de Wet volmaakt onderhoudt. Voor ieder is er dus de vloek van de Wet waar de mens van bevrijd moet worden. En dat geschiedt uit genade.
[2] Niemand zou aan de voorwaarde van de Wet kunnen voldoen, dus op die wijze is de belofte van de Wet krachteloos. Daarom is Christus gegeven, niet als aanvulling op onze werken, maar om door geloof te rechtvaardigen. Het is niet de belofte van de Wet, maar onze mogelijkheden om de Wet te vervullen waar het probleem ligt.
[3] Op zichzelf genomen zou de Wet net zo goed niet gegeven kunnen zijn. Maar de beloften in het licht van het Evangelie maakt dat we goede werken kunnen doen. Daartoe de Wet dus. Zo vallen de intrinsieke waarde van werken op hun plaats als echt intrinsiek, en niet binnen een verbond toegekend.
[4] Sommigen concluderen op basis van Hand. 10:34e.v. dat een mens dus weer Gods gunst verwerft. Maar ze letten er niet op dat de mens niks heeft en alleen maar kwaad wil, dus dat er geen aanleiding is voor een goddelijke roeping. Ook werd Cornelius in hetzelfde hoofdstuk niet voorbereid op het krijgen van Gods genade door zijn gebeden en aalmoezen. Het is meer andersom. De aanneming van God is pure goedheid en de mensen zijn het eigenlijk onwaardig.
[5] God rust de mens toe om goede werken te doen en deze goede werken zijn God aangenaam. In die zin bemint God de trekken van Zijn eigen gelaat in de mensen.
Morgen lezen we boek III.17.6 - III.17.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[1] Interessante tegenwerping is dat de beloften van de Wet niet krachteloos zijn. Er zijn veel teksten in de Bijbel die dit lijken te zeggen. Maar Calvijn heeft al duidelijk gemaakt dat dit alleen geldt voor degene die de Wet volmaakt onderhoudt. Voor ieder is er dus de vloek van de Wet waar de mens van bevrijd moet worden. En dat geschiedt uit genade.
[2] Niemand zou aan de voorwaarde van de Wet kunnen voldoen, dus op die wijze is de belofte van de Wet krachteloos. Daarom is Christus gegeven, niet als aanvulling op onze werken, maar om door geloof te rechtvaardigen. Het is niet de belofte van de Wet, maar onze mogelijkheden om de Wet te vervullen waar het probleem ligt.
[3] Op zichzelf genomen zou de Wet net zo goed niet gegeven kunnen zijn. Maar de beloften in het licht van het Evangelie maakt dat we goede werken kunnen doen. Daartoe de Wet dus. Zo vallen de intrinsieke waarde van werken op hun plaats als echt intrinsiek, en niet binnen een verbond toegekend.
[4] Sommigen concluderen op basis van Hand. 10:34e.v. dat een mens dus weer Gods gunst verwerft. Maar ze letten er niet op dat de mens niks heeft en alleen maar kwaad wil, dus dat er geen aanleiding is voor een goddelijke roeping. Ook werd Cornelius in hetzelfde hoofdstuk niet voorbereid op het krijgen van Gods genade door zijn gebeden en aalmoezen. Het is meer andersom. De aanneming van God is pure goedheid en de mensen zijn het eigenlijk onwaardig.
[5] God rust de mens toe om goede werken te doen en deze goede werken zijn God aangenaam. In die zin bemint God de trekken van Zijn eigen gelaat in de mensen.
Morgen lezen we boek III.17.6 - III.17.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 8 juli 2015
08-07; Boek III.16.1 - III.16.4
[1] Calvijn weerlegt enkele lastsprekers die op de leer gereageerd hebben. Er zijn mensen die zeggen dat Calvijn de goede werken afschaft en mensen niet meer hiertoe aanspoort door de nadruk te leggen op rechtvaardiging door geloof. Ze zijn treurig als er meer geloof is en minder werken. Maar Calvijn stelt dat werken juist het geloof versterken, slechts de rechtvaardiging is uit geloof en niet uit werken. We kunnen de rechtaardiging van Christus ons niet toeeigenen zonder de heiligmaking toe te eigenen(vgl. 1 Kor. 1:30).
[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.
[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.
[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?
Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.
Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[2] Mensen zouden zich niet meer toeleggen op goede werken omdat deze niet meer beloond worden. Alsof er niet gezegd is dat de beloning op goede werken net zoveel een gave is als het vermogen om goede werken te doen(Wat Calvijn later nog wel zal uitwerken). Maar allereerst is de stelling van de tegenstanders zwak. God wil namelijk om niet gediend te worden. Ten tweede staat de Bijbel vol met aansporingen om goede werken te doen, Calvijn somt bijna een pagina vol. Het is niet waar dat de leer van Calvijn mensen niet aanspoort tot goede werken.
[3] De Bijbel staat vol met aansporingen, vermaningen en bestraffingen om aan te zetten tot goede werken, maar nergens is een blijk van verdienste hierin te vinden. Er wordt meer gewezen op Gods barmhartigheid. Het is dus of met Calvijn met de herinnering aan Gods barmhartigheid en zegeningen aangespoord worden tot goede werken, of uit slaafse gehoorzaamheid afgedwongen daden volbrengen. God heeft juist de blijmoedige gever lief. De Bijbel bevat wel uiteenzettingen over beloningen, maar dit is niet het voornaamste en niet het enige wat als argument wordt genoemd en kan dus geen uitgangspunt vormen voor de discussie.
[4] De ergste laster is dat Calvijn mensen aanzet tot zonde met zijn rechtvaardigingsleer. Maar als mensen leren dat alleen het bloed van JEzus genoeg was om de schuld te betalen en dat we daarin gewassen worden van onze onreinheid, zou dat niet genoeg zijn om een afkeer van de zonde te krijgen?
Goed, dit was in de Vertaling van De Niet de eerste band, op naar de tweede band.
Morgen lezen we boek III.17.1 - III.17.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 7 juli 2015
07-07; Boek III.15.4 - III.15.8
Weer de weerlegging van de tegenarumenten. [4] ER zijn mensen die wel het woord verdienste in de Schrift hebben gevonden(Wijsheid van JEzus Sirach 16:16; Heb 13:16). Desondanks Calvijn Ecclesiaticus ontkent weerlegd hij beide teksten op basis van de Griekse grondtekst. De tegenstanders citeren uit een Latijnse vertaling die dus niet zo goed is. Calvijn deelt de mening niet dat de goede werken(aangenomen uit lankmoedigheid bij God, want al ons werk is vuil) genadebewijzen verdienen en het geloof daarentegen alleen het eeuwige leven krijgt als loon. Gods genade geeft alles.
[5] Wie bouwt op het fundament dat dor de apostelen is overgeleverd, bouwt op Christus Zelf, want Hij is ons gegeven tot gerechtigheid. Niet een fundament waar je vervolgens zelf je gerechtigheid op moet bouwen. In onszelf hebben we niets, in Christus hebben we alles, wil Calvijn maar zeggen.
[6] De leer is lang verborgen geweest. Mensen zijn vergeten dat je zonder Christus dood bent. Je kan niet de eerste genade van Christus alsof het een cheque is verzilveren met eigen werken. Veel Bijbelteksten maken duidelijk dat het niet is dat Christus de mogelijkheid heeft gegeven om gerechtigheid of zaligheid te verwerven, maar dat het geschonken wordt.
[7] In de scholen van Sorbonne(de universiteit van Parijs) werd de dwaling van het gevormd geloof verkondigt. Het geloof dat door de liefde in staat is met werken rechtvaardiging te verwerven(zie ook II.2.7 - II.2.10 ). Een grote scholasticus hierachter, Petrus Lombardus, had beter naar Augustinus moeten luisteren, die waakt ervoor om eigen roem op te lasten strijken voor Gods gaven.
[8] Het is nodig om op het fundament van Christus te blijven en andere mensen hierop te wijzen. Christenen worden opgeroepen om net als de apostelen hun kruis op te nemen en zichzelf te verloochenen om Christus achterna te gaan.
Morgen lezen we boek III.16.1 - III.16.4
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[5] Wie bouwt op het fundament dat dor de apostelen is overgeleverd, bouwt op Christus Zelf, want Hij is ons gegeven tot gerechtigheid. Niet een fundament waar je vervolgens zelf je gerechtigheid op moet bouwen. In onszelf hebben we niets, in Christus hebben we alles, wil Calvijn maar zeggen.
[6] De leer is lang verborgen geweest. Mensen zijn vergeten dat je zonder Christus dood bent. Je kan niet de eerste genade van Christus alsof het een cheque is verzilveren met eigen werken. Veel Bijbelteksten maken duidelijk dat het niet is dat Christus de mogelijkheid heeft gegeven om gerechtigheid of zaligheid te verwerven, maar dat het geschonken wordt.
[7] In de scholen van Sorbonne(de universiteit van Parijs) werd de dwaling van het gevormd geloof verkondigt. Het geloof dat door de liefde in staat is met werken rechtvaardiging te verwerven(zie ook II.2.7 - II.2.10 ). Een grote scholasticus hierachter, Petrus Lombardus, had beter naar Augustinus moeten luisteren, die waakt ervoor om eigen roem op te lasten strijken voor Gods gaven.
[8] Het is nodig om op het fundament van Christus te blijven en andere mensen hierop te wijzen. Christenen worden opgeroepen om net als de apostelen hun kruis op te nemen en zichzelf te verloochenen om Christus achterna te gaan.
Morgen lezen we boek III.16.1 - III.16.4
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 6 juli 2015
06-06; Boek III.14.19 - III.15.3
Week 27 van Lectio Calvini. Misschien moet ik van de week maar eens gaan vooruit lezen en het posten automatiseren om echt vakantie te vieren, als dat nodig is.
Eerst verder wat Calvijn zegt. [19] Heiligen kunnen uit hun geweten troost putten en blijdschap halen, omdat het reine geweten een vrucht is van de roeping. Ze weten dat er nog veel vlees mee vermengd is, maar ze hebben eerst de goedheid van God omarmt, en vinden zo de mogelijkheid om Gods bijstand in moeilijke omstandigheden te verwachten. Het is ook een verkondiging van Gods weldaden, ze gaan niet de genade van God hierin voorbij, maar doordenken hoeveel liefde hier wel niet in zit.
[20] Gelovigen zien hun werken(naast een teken van hun uitverkiezing) als een gave van God en afhankelijk van de gerechtigheid in Christus. Ook Augustinus leerde dit. Het gelovig hart vraagt God om Zijn werk in de mens te zien, niet het werk van de mens zelf.
[21] Als er in de Bijbel staat dat God de werken van de gelovigen aanneemt, moet men dat volgens Calvijn op de volgende manier lezen. Het doel wordt in het spreken als oorzaak genoemd. Het is niet het oorzakelijke verband. God geeft het eeuwige leven door middel van goede werken. Genade volgt op genade, eerst geeft God werken en aan die genade knoopt God als het ware de genade van het eeuwig leven aan vast.
[1] Het bovenstaande is als volgt samen te vatten; gerechtigheid moet op de gemeenschap met Christus(geloof) berusten of het kan niet voor Gods aangezicht bestaan als het op eigen werken steunt. In alle verwarrende gesprekken moet hieraan vastgehouden worden. En dat rechtvaardigheid uit werken volkomen en absolute onderhouding van de hele Wet is. Een andere vraag is of dde onvolkomen werken niet uit genade aangenomen worden.
[2] Calvijn is niet echt blij met diegene die het woord 'verdienste' als eerste heeft gebruikt in de theologie. Hij is sowieso geen fan buitenbijbelse woorden, zoals hij al aangaf in de discussie over de Drieëenheid. Ook hebben de kerkvaders blijkbaar aanleiding gegeven om het mis te verstaan. Augustinus, Chrysostomus en Bernardus houden vast aan de waarheid, maar Calvijn laat zien dat vooral de laatste van de drie de waarheid van zijn scherpte ontneemt.
[3] De bijbel leert dat onze werken vol ongerechtigheid zijn en dat de volkomen onderhouding van de Wet een schuldige plicht is in plaats van een beloning waardig. Maar aan de andere kant geeft God ons ook goede werken die Hij zal belonen. Desondanks is het pure ondankbaarheid om de eer hiervoor te verdelen in plaats van God alle eer hiervoor te geven. God geeft goede gaven die Hij beloont. Maar het is niet zo dat we hierop kunnen pochen, als een vrijgekochte slaaf die zich presenteert als een vrijgeborene.
Morgen lezen we boek III.15.4 - III.15.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Eerst verder wat Calvijn zegt. [19] Heiligen kunnen uit hun geweten troost putten en blijdschap halen, omdat het reine geweten een vrucht is van de roeping. Ze weten dat er nog veel vlees mee vermengd is, maar ze hebben eerst de goedheid van God omarmt, en vinden zo de mogelijkheid om Gods bijstand in moeilijke omstandigheden te verwachten. Het is ook een verkondiging van Gods weldaden, ze gaan niet de genade van God hierin voorbij, maar doordenken hoeveel liefde hier wel niet in zit.
[20] Gelovigen zien hun werken(naast een teken van hun uitverkiezing) als een gave van God en afhankelijk van de gerechtigheid in Christus. Ook Augustinus leerde dit. Het gelovig hart vraagt God om Zijn werk in de mens te zien, niet het werk van de mens zelf.
[21] Als er in de Bijbel staat dat God de werken van de gelovigen aanneemt, moet men dat volgens Calvijn op de volgende manier lezen. Het doel wordt in het spreken als oorzaak genoemd. Het is niet het oorzakelijke verband. God geeft het eeuwige leven door middel van goede werken. Genade volgt op genade, eerst geeft God werken en aan die genade knoopt God als het ware de genade van het eeuwig leven aan vast.
[1] Het bovenstaande is als volgt samen te vatten; gerechtigheid moet op de gemeenschap met Christus(geloof) berusten of het kan niet voor Gods aangezicht bestaan als het op eigen werken steunt. In alle verwarrende gesprekken moet hieraan vastgehouden worden. En dat rechtvaardigheid uit werken volkomen en absolute onderhouding van de hele Wet is. Een andere vraag is of dde onvolkomen werken niet uit genade aangenomen worden.
[2] Calvijn is niet echt blij met diegene die het woord 'verdienste' als eerste heeft gebruikt in de theologie. Hij is sowieso geen fan buitenbijbelse woorden, zoals hij al aangaf in de discussie over de Drieëenheid. Ook hebben de kerkvaders blijkbaar aanleiding gegeven om het mis te verstaan. Augustinus, Chrysostomus en Bernardus houden vast aan de waarheid, maar Calvijn laat zien dat vooral de laatste van de drie de waarheid van zijn scherpte ontneemt.
[3] De bijbel leert dat onze werken vol ongerechtigheid zijn en dat de volkomen onderhouding van de Wet een schuldige plicht is in plaats van een beloning waardig. Maar aan de andere kant geeft God ons ook goede werken die Hij zal belonen. Desondanks is het pure ondankbaarheid om de eer hiervoor te verdelen in plaats van God alle eer hiervoor te geven. God geeft goede gaven die Hij beloont. Maar het is niet zo dat we hierop kunnen pochen, als een vrijgekochte slaaf die zich presenteert als een vrijgeborene.
Morgen lezen we boek III.15.4 - III.15.8
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 2 juli 2015
02-07;Boek III.14.12 - III.14.18
De laatste lezing van deze week, het Amerikaanse rooster houdt ergens deze week blijkbaar Independence Day(Ik moet altijd denken aan die film over de buitenlandse invasie).
In dit gedeelte gaat Calvijn in discussie met de scholastici. [12] Hun uitvlucht is dat hun werken niet genoeg intrinsieke waarde hebben. Deze werken worden desondanks aanvaard uit genade, bovendien kunnen de verdere zonden altijd gecompenseerd worden met werken die boven de Wet uitgaan. Maar die aanvaarding uit genade is volgens Calvijn niets anders dan de genadige goedheid waarmee God ons in Christus omhelst en ons daarin voor heilig, rein en onschuldig houdt. door het geloof hebben we blijvende vergeving van zonde.
[13] God heeft een belofte en een vloek aan de Wet gehangen, en daarmee een partiële gerechtigheid uitgesloten. De onderhouding zou leven geven en een overtreding is de hele Wet overtreden. Ook maakt God duidelijk dat er geen gerechtigheid op grond van werken bestaat buiten de volmaakte onderhouding van Zijn Wet. De werken boven de Wet kunnen gewoonweg niet bestaan. De scholastici beseffen niet hoe diep de zonde zit. Vijanden van god kunnen Hem niets geven wat Hij kan en wil accepteren, en ieder die Hij de zonden toerekent is Zijn vijand.
[14] Op basis van Lukas 17:10 moeten we niet denken dat we God geen gunst bewijzen door te doen wat we moeten doen, maar dat we doen wat we behoren te doen. Zelfs al zouden dit alle goede werken van de hele mensheid samen zijn. We kunnen ons er niet op beroemen er een schepje boven op te doen, de dienst aan God kent geen 'mag-het-een-onsje-meer-zijn. Er kan ook niets verzonnen worden wat niet in de Wet te vinden is, dus roemen op eigen wil is zinloos.
[15] Sommige mensen bewijzen bovenstaand punt met Paulus' afstand nemen tot zijn recht, maar vergeten dat dit gebeurde om de zwakken geen aanstoot te geven(1 Kor. 9). In die zin deed Paulus niets verdienstelijks, maar wat nodig was en wat hij schuldig was te doen. Ook wat werken boven de Wet zouden zijn is wat God niet heeft bevolen, niet goedkeurt en ook niet aanvaarden zal. De OT-profeten hebben het vaker over dit soort werken.
[16] Dus geen vertrouwen stellen in werken en ook niet lopen te pochen met werken. Ons werk stinkt en het is alleen om Christus' wil dat ze aanvaard worden. Ook Job wil niet tegen Gods rechtvaardigheid ruziën, maar ziet ook zijn rechtvaardigheid voor God geen standhouden.
[17] Ook de aristoteliaanse causaliteitsleer(https://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles#Kosmologie_.2F_ontologie, derde meest linkse bullet) van de filosofen laat voor de mens geen bijdrage van de mens zien. De werkoorzaak(causa efficiens)
van het eeuwig leven is de barmhartigheid en liefde van God, de materiële oorzaak(causa materialis) is Christus en Zijn gehoorzaamheid, de formele oorzaak(causa formalis) is het geloof. Deze zijn terug te vinden in Johannes 3:16. De doeloorzaak(causa finalis) is volgens Paulus de betoning van Gods gerechtigheid en de lof op Gods goedheid. Er zit nog een rits van de vier oorzaken in Rom. 3:24-26. We zien dus dat de zaligheid tot in de kleinste details buiten ons ligt.
[18] Desondanks kunnen de heiligen wel spreken over hun onschuld en zuiverheid. Dit kan in vergelijking van hun goede zaak met de slechte zaak van de goddelozen. Of door niet te vergelijken, maar de reinheid van het geweten tot troost e vertrouwen aangrijpen. Dit is niet rusten in werken, maar zien op Gods goedheid, niet alleen als begin van hun zaligheid, maar ook als de vervulling daarvan. Calvijn is er niet op tegen om de tekenen van God in het leven te gebruiken als ondersteuning van het geloof.
Volgende week lezen we boek III.14.19 - III.15.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
In dit gedeelte gaat Calvijn in discussie met de scholastici. [12] Hun uitvlucht is dat hun werken niet genoeg intrinsieke waarde hebben. Deze werken worden desondanks aanvaard uit genade, bovendien kunnen de verdere zonden altijd gecompenseerd worden met werken die boven de Wet uitgaan. Maar die aanvaarding uit genade is volgens Calvijn niets anders dan de genadige goedheid waarmee God ons in Christus omhelst en ons daarin voor heilig, rein en onschuldig houdt. door het geloof hebben we blijvende vergeving van zonde.
[13] God heeft een belofte en een vloek aan de Wet gehangen, en daarmee een partiële gerechtigheid uitgesloten. De onderhouding zou leven geven en een overtreding is de hele Wet overtreden. Ook maakt God duidelijk dat er geen gerechtigheid op grond van werken bestaat buiten de volmaakte onderhouding van Zijn Wet. De werken boven de Wet kunnen gewoonweg niet bestaan. De scholastici beseffen niet hoe diep de zonde zit. Vijanden van god kunnen Hem niets geven wat Hij kan en wil accepteren, en ieder die Hij de zonden toerekent is Zijn vijand.
[14] Op basis van Lukas 17:10 moeten we niet denken dat we God geen gunst bewijzen door te doen wat we moeten doen, maar dat we doen wat we behoren te doen. Zelfs al zouden dit alle goede werken van de hele mensheid samen zijn. We kunnen ons er niet op beroemen er een schepje boven op te doen, de dienst aan God kent geen 'mag-het-een-onsje-meer-zijn. Er kan ook niets verzonnen worden wat niet in de Wet te vinden is, dus roemen op eigen wil is zinloos.
[15] Sommige mensen bewijzen bovenstaand punt met Paulus' afstand nemen tot zijn recht, maar vergeten dat dit gebeurde om de zwakken geen aanstoot te geven(1 Kor. 9). In die zin deed Paulus niets verdienstelijks, maar wat nodig was en wat hij schuldig was te doen. Ook wat werken boven de Wet zouden zijn is wat God niet heeft bevolen, niet goedkeurt en ook niet aanvaarden zal. De OT-profeten hebben het vaker over dit soort werken.
[16] Dus geen vertrouwen stellen in werken en ook niet lopen te pochen met werken. Ons werk stinkt en het is alleen om Christus' wil dat ze aanvaard worden. Ook Job wil niet tegen Gods rechtvaardigheid ruziën, maar ziet ook zijn rechtvaardigheid voor God geen standhouden.
[17] Ook de aristoteliaanse causaliteitsleer(https://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles#Kosmologie_.2F_ontologie, derde meest linkse bullet) van de filosofen laat voor de mens geen bijdrage van de mens zien. De werkoorzaak(causa efficiens)
van het eeuwig leven is de barmhartigheid en liefde van God, de materiële oorzaak(causa materialis) is Christus en Zijn gehoorzaamheid, de formele oorzaak(causa formalis) is het geloof. Deze zijn terug te vinden in Johannes 3:16. De doeloorzaak(causa finalis) is volgens Paulus de betoning van Gods gerechtigheid en de lof op Gods goedheid. Er zit nog een rits van de vier oorzaken in Rom. 3:24-26. We zien dus dat de zaligheid tot in de kleinste details buiten ons ligt.
[18] Desondanks kunnen de heiligen wel spreken over hun onschuld en zuiverheid. Dit kan in vergelijking van hun goede zaak met de slechte zaak van de goddelozen. Of door niet te vergelijken, maar de reinheid van het geweten tot troost e vertrouwen aangrijpen. Dit is niet rusten in werken, maar zien op Gods goedheid, niet alleen als begin van hun zaligheid, maar ook als de vervulling daarvan. Calvijn is er niet op tegen om de tekenen van God in het leven te gebruiken als ondersteuning van het geloof.
Volgende week lezen we boek III.14.19 - III.15.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 1 juli 2015
01-07; Boek III.14.6 - III.14.11
[6] Volgens de bijbeluitleg van Calvijn zijn we te zondig om iets aan gerechtigheid van God bij te dragen. We zijn van nature vijanden van God en Zijn liefde voor ons begint met de rechtvaardiging, dus er kunnen geen werken van de mens zijn kant aan vooraf gaan.
[7] De onreinheid van het geweten laat zien dat de mensen van de tweede en derde categorie ook niet wedergeboren zijn. Ze weten dat ze zondig zijn, maar vertrouwen op hun eigen werken. Maar de onreinheid van de zondaar maakt al zijn werken ook onrein.
[8] Ook de Bijbel(Jesaja) leert dat God op zich wel de werken van Zijn Wet wil, maar dan wel vanuit het hart. Met een onrein hart de Wet doen vergroot alleen maar de toorn. De persoon vindt geen genade door werken, maar de werken vinden genade door de persoon die geheiligd is door God.
[9] Over de ware gelovigen dan. Deze ontvangen bij de rechtvaardiging de Heilige Geest die ook brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet door vernieuwing. Desondanks blijven er resten van onze onvolkomenheid in het hart over. Deze ziet Calvijn als reden tot ootmoed. Er is geen heilige waarvan het beste werk zelfs niet bevlekt is.
[10] Al zouden we wel zuivere werken hebben, één zonde en alle eerdere gerechtigheid stort in elkaar als een kaartenhuis. De overtreding van een iets is de overtreding van de hele Wet. We moeten niet letten op het werk van de Wet maar op het gebod. Het is niet dat we naar een keer gerechtvaardigd te zijn onze zekerheid weer in de Wet zoeken, wat sommigen leren.
[11] De kern van het conflict is dat Calvijn de rechtvaardiging als de vernieuwing ziet die brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet terwijl de scholastici zeggen dat de mens na zijn rechtvaardiging nopeens goede werken kan afleveren. De Bijbel leert duidelijk dat ook de rechtvaardige zal leven door geloof. Het is dus niet een eenmalig moment, maar een levenslange bezigheid. Christus blijft voor eeuwig onze Middelaar.
Morgen lezen we boek III.14.12 - III.14.18
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[7] De onreinheid van het geweten laat zien dat de mensen van de tweede en derde categorie ook niet wedergeboren zijn. Ze weten dat ze zondig zijn, maar vertrouwen op hun eigen werken. Maar de onreinheid van de zondaar maakt al zijn werken ook onrein.
[8] Ook de Bijbel(Jesaja) leert dat God op zich wel de werken van Zijn Wet wil, maar dan wel vanuit het hart. Met een onrein hart de Wet doen vergroot alleen maar de toorn. De persoon vindt geen genade door werken, maar de werken vinden genade door de persoon die geheiligd is door God.
[9] Over de ware gelovigen dan. Deze ontvangen bij de rechtvaardiging de Heilige Geest die ook brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet door vernieuwing. Desondanks blijven er resten van onze onvolkomenheid in het hart over. Deze ziet Calvijn als reden tot ootmoed. Er is geen heilige waarvan het beste werk zelfs niet bevlekt is.
[10] Al zouden we wel zuivere werken hebben, één zonde en alle eerdere gerechtigheid stort in elkaar als een kaartenhuis. De overtreding van een iets is de overtreding van de hele Wet. We moeten niet letten op het werk van de Wet maar op het gebod. Het is niet dat we naar een keer gerechtvaardigd te zijn onze zekerheid weer in de Wet zoeken, wat sommigen leren.
[11] De kern van het conflict is dat Calvijn de rechtvaardiging als de vernieuwing ziet die brengt tot gehoorzaamheid aan de Wet terwijl de scholastici zeggen dat de mens na zijn rechtvaardiging nopeens goede werken kan afleveren. De Bijbel leert duidelijk dat ook de rechtvaardige zal leven door geloof. Het is dus niet een eenmalig moment, maar een levenslange bezigheid. Christus blijft voor eeuwig onze Middelaar.
Morgen lezen we boek III.14.12 - III.14.18
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)