De 32ste week van Lectio Calvini. Direct maar weer de uitverkiezingsdraad oppakken waar we hem vrijdag hadden gelaten.
[4] Allereerst over Rom. 9:11 en gelijksoortige passages. Omdat he volk hoofmoedig was, ging de erfopvolging niet voor iedere Israëliet op terwijl elk was gezegend met de rechten van erfgenaam. Het is hun eigen schuld, maar ten diepste zit hier Gods uitverkiezing achter. De oorsprong zit, nogmaals, dus niet in de mens. Het is net als met Jakob en Ezau, hoewel onnatuurlijk is het een teken van verkiezing en verwerping. Paulus snijdt hier de pas af door de mogelijkheid door de verkiezing te plaatsen vóór de geboorte en voor de mogelijkheid tot verdienste. Als het wel uit verdienste zou zijn dan zou Paulus het niet hoeven te bespreken bij de ongeboren Jacob. Dat slaat dan nergens op.
[5] Mensen weten wel een plaats te redeneren voor verrichte en te verrichten werken, maar Paulus schrijft hier niet over. We mogen aannemen dat als Paulus dit wist, hij het ook gezegd had. Maar nu eren we dat de grond van de verkiezing Gods voornemen is, Jakob is hier een toonbeeld van.
[6] Maar eerstgeboorterecht is iets anders dan het eeuwige leven. Dat weet Calvijn ok, maar hij volgt de apostel hierin dat dit een aards teken is van de geestelijke verkiezing. Als het een aardse verkiezing was geweest heeft Jakob er niet veel aan gehad, zijn leven is niet echt aards gezegend geweest. Maar Kanaän is ok het onderpand van het hemels koninkrijk, we mogen aannemen dat Jakob is ingelijfd in Christus en dat het gaat over de uitverkiezing. En die uitverkiezing gaat vanuit de barmhartigheid en ontferming naar Gods wil van Hem uit. Zo komen we bij het gedeelte van het volk uit waar Petrus op doelt in Handelingen 2. Die heeft het met voorkennis ook over de predestinatie. God is hierin net zo actief als dat Hij was met het opwekken van Christus.
Paulus laat ons twee volken zien, het nageslacht van Abraham en de anderen die hiervan afgezonderd worden en voor mensenogen verborgen zijn.
[7] Ook Jezus getuigt van de uitverkiezing. Hij laat niemand die aan Hem door de Vader gegeven is verloren gaan. Mensen komen tot Hem als de Vader trekt. Hij bidt niet voor de wereld, maar voor hen die de Vader Hem gegeven heeft. Judas was wel uitverkoren tot apostelschap, wat a een grote gunst is, maar niet tot de zaligheid.
Morgen lezen we boek III.22.8 - III.22.11
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 10 augustus 2015
vrijdag 7 augustus 2015
07-08; Boek III.21.6 - III.22.3
Gister hadden we het over de algemene omlijsting van verkiezing, nu gaan we een steek dieper de uitverkiezing in.
[6] De tweede trap van de uitverkiezing is de verwerping en verkiezing van mensen binnen het nageslacht van Abraham. Dit is al zichtbaar bij Jakob en Esau, daarvoor Izaäk en Ismaël, Saul wordt verworpen, met de eerder genoemde om hun eigen schuld(Calvijn zegt het er maar bij). De twee trappen laten allebei duidelijk zien dat God niet aan regels gebonden is en dat het echt gaat om onverdiende genade.
[7] Het verhaal van de uitverkiezing is pas compleet als we niet alleen het nageslacht van Abraham zien, maar nog meer in het lidmaatschap van Christus' lichaam. God bied aan iedereen Zijn genade aan, maar wijst deze toe aan afzonderlijke personen. Als God in de eerste trap verkiest en niet in de tweede trap is het een verkiezing die het midden houdt tussen en verwering van het menselijke geslacht en het kleine getal van de vromen. Maar toch is het verbond meer gericht op de onverdiende gunst dan op de massa's die trouweloos zijn en afvallen. God bewijst Zijn trouw in de rest die overblijft. Het is sowieso niet onvoordelig om in het verbond te zitten, maar de predestinatie is uiteindelijk voor de restgroep effectief. De uitverkorenen worden dus gekenmerkt door roeping en rechtvaardiging, de verworpenen kenmerken zich door geen kennis van Zijn naam en geen heiliging door Zijn Geest. Calvijn zal kort de discussies langsgaan.
[1] Verkiezing is niet dat God van te voren de verdiensten van mensen ziet, wat Pighius beweert. Dit dicht juist de oorsprong van de uitverkiezing, Gods onverdiende barmhartigheid. Er zijn vaker mensen in de geschiedenis geweest die dit hebben gezegd. Andere zijn zo brutaal om hierom als het ware een rechtszaak te beginnen met God. Het is vergelijkbaar met dieren aan God laten klagen waarom ze tot dieren zijn gemaakt. Maar ook Jezus is in zekere zin uitverkoren, er was geen reden of verdienste bij Hem als sterfelijk mens om als de Zoon van God geboren te worden voor de daadwerkelijke geboorte. Dit bedoelt Augustinus dat Christus een spiegel is van de genadige verkiezing, zodat de leden van Zijn lichaam niet om de verkiezing in de piepzak komen te zitten. Wie dus bij God wil klagen dat Hij niet mag doen wat Hij doet, moet ook bij Christus weghalen wat Hem gegeven is.
[2] Calvijn kijkt even bij wat onderdelen van Efeze 1. Ten eerste is er voor de schepping van de wereld, 'ze' is dan de gelovigen tot wie Paulus zich richt, dus er kan geen waardigheid in acht genomen worden, en het is tot heiliging. Niet omdat mensen heilig zijn, maar zodat ze heilig zijn.
[3] Werken komen niet in aanmerking. Dat is iets wat Paulus op andere plaatsen uitlegt(2 Tim. 1), niet expliciet in dit gedeelte. Dus de verkiezing tot heiliging, niet de verkiezing om heiliging. Ook niet om toekomende werken, wat sommige gebruiken als oplossing. Ook de toekomstige werken hebben hun oorsprong in de uitverkiezing tot heiliging. Ook laat de apostel duidelijk zien dat God bij Zichzelf te rade gaat(Ef. 1) en niet naar een mens kijkt. Het is en blijft onverdiende genade.
Volgende week lezen we boek III.22.4 - III.22.7
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[6] De tweede trap van de uitverkiezing is de verwerping en verkiezing van mensen binnen het nageslacht van Abraham. Dit is al zichtbaar bij Jakob en Esau, daarvoor Izaäk en Ismaël, Saul wordt verworpen, met de eerder genoemde om hun eigen schuld(Calvijn zegt het er maar bij). De twee trappen laten allebei duidelijk zien dat God niet aan regels gebonden is en dat het echt gaat om onverdiende genade.
[7] Het verhaal van de uitverkiezing is pas compleet als we niet alleen het nageslacht van Abraham zien, maar nog meer in het lidmaatschap van Christus' lichaam. God bied aan iedereen Zijn genade aan, maar wijst deze toe aan afzonderlijke personen. Als God in de eerste trap verkiest en niet in de tweede trap is het een verkiezing die het midden houdt tussen en verwering van het menselijke geslacht en het kleine getal van de vromen. Maar toch is het verbond meer gericht op de onverdiende gunst dan op de massa's die trouweloos zijn en afvallen. God bewijst Zijn trouw in de rest die overblijft. Het is sowieso niet onvoordelig om in het verbond te zitten, maar de predestinatie is uiteindelijk voor de restgroep effectief. De uitverkorenen worden dus gekenmerkt door roeping en rechtvaardiging, de verworpenen kenmerken zich door geen kennis van Zijn naam en geen heiliging door Zijn Geest. Calvijn zal kort de discussies langsgaan.
[1] Verkiezing is niet dat God van te voren de verdiensten van mensen ziet, wat Pighius beweert. Dit dicht juist de oorsprong van de uitverkiezing, Gods onverdiende barmhartigheid. Er zijn vaker mensen in de geschiedenis geweest die dit hebben gezegd. Andere zijn zo brutaal om hierom als het ware een rechtszaak te beginnen met God. Het is vergelijkbaar met dieren aan God laten klagen waarom ze tot dieren zijn gemaakt. Maar ook Jezus is in zekere zin uitverkoren, er was geen reden of verdienste bij Hem als sterfelijk mens om als de Zoon van God geboren te worden voor de daadwerkelijke geboorte. Dit bedoelt Augustinus dat Christus een spiegel is van de genadige verkiezing, zodat de leden van Zijn lichaam niet om de verkiezing in de piepzak komen te zitten. Wie dus bij God wil klagen dat Hij niet mag doen wat Hij doet, moet ook bij Christus weghalen wat Hem gegeven is.
[2] Calvijn kijkt even bij wat onderdelen van Efeze 1. Ten eerste is er voor de schepping van de wereld, 'ze' is dan de gelovigen tot wie Paulus zich richt, dus er kan geen waardigheid in acht genomen worden, en het is tot heiliging. Niet omdat mensen heilig zijn, maar zodat ze heilig zijn.
[3] Werken komen niet in aanmerking. Dat is iets wat Paulus op andere plaatsen uitlegt(2 Tim. 1), niet expliciet in dit gedeelte. Dus de verkiezing tot heiliging, niet de verkiezing om heiliging. Ook niet om toekomende werken, wat sommige gebruiken als oplossing. Ook de toekomstige werken hebben hun oorsprong in de uitverkiezing tot heiliging. Ook laat de apostel duidelijk zien dat God bij Zichzelf te rade gaat(Ef. 1) en niet naar een mens kijkt. Het is en blijft onverdiende genade.
Volgende week lezen we boek III.22.4 - III.22.7
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 6 augustus 2015
06-08; Boek III.21.2 - III.21.5
Gister hebben we een aanloopje genomen naar de uitverkiezing, Calvijn laat ons eerst nog wat passen op de plaats maken voordat we het leerstuk uitgewerkt mogen zien.
[2] We moeten de weg van het geloof wandelen, wat dus betekent dat alles wat we over god horen of willen weten in de Bijbel te vinden is. We moeten dus niets over predestinatie weten dat wat er in de Bijbel staat. Hoogmoed is niet op zijn plaats, dat brengt onheil voor de onderzoeker.
[3] Aan de andere kat heb je mensen die angstvallig zijgen over predestinatie. De terughoudendheid is te prijzen, maar als de predestinatie een weldaad is van God dan is er niet over spreken God Zijn rechtmatige eer roven. God heeft dingen gesproken en heeft over dingen gezwegen, wij moeten Hem daarin navolgen.
[4] Laster van wereldse mensen is geen reden om niet over predestinatie te spreken, ze maken alle leerstukken belachelijk. Anderen willen geen predestinatie bespreken omdat het strijd met de aansporingen om het goede te doen of omdat het geloof ontmoedigt en aan het wankelen brengt. Maar juist daarom moet het wel besproken worden, zoals Augustinus dus vrijmoedig deed. We moeten alleen niet onderzoeken wat God verborgen heeft, of verzwijgen wat God geopenbaard heeft. zo voorkomen we dat we veroordeeld worden wegens ondankbaarheid of nieuwsgierigheid. Mensen die niet over de predestinatie willen spreken zijn feitelijk zo arrogant dat ze God een dwaze onnadenkendheid aanwrijven.
[5] Nu dan inhoudelijk de predestinatie. Niemand ontkent de predestinatie, maar veel mensen maken er wel een speculatief potje van. Predestinatie is niet Gods voorwetenschap, dat is dat in Gods kennen alle dingen tegenwoordig zijn en niet in verleden of toekomst(wat Pighius zei. Pighius kwam uit Kampen trouwens!). Predestinatie is het eeuwige besluit waarin God bij zichzelf heeft vastgesteld wat Hij wil dat er van ieder mens worden zal, tot leven of tot dood. Dit wordt gedemonstreerd in het nageslacht van Abraham, waarin duidelijk wordt dat alleen God beslist hoe het met het volk gaat. Daarom leert Mozes dat God Israël Gods liefde niet heeft verdiend omdat ze zo bijzonder zijn, maar om hun voorvaderen. Daarom is het verwijt aan het volk in het OT zo vaak dat het zo ondankbaar is ten opzichte van de verkiezing. Aan dit welbehagen van God is een hele rits psalmteksten opgedragen. Verkiezing is dan ook bij Jesaja de voortgang van weldaden die God aan Zijn volk geeft. Als het volk verstoten lijkt te zijn of de verkiezing door de ballingschap ongedaan blijkt te zijn gaat God toch door met de verkiezing in een rest.
Morgen lezen we boek III.21.6 - III.22.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalviniblogspot.com
[2] We moeten de weg van het geloof wandelen, wat dus betekent dat alles wat we over god horen of willen weten in de Bijbel te vinden is. We moeten dus niets over predestinatie weten dat wat er in de Bijbel staat. Hoogmoed is niet op zijn plaats, dat brengt onheil voor de onderzoeker.
[3] Aan de andere kat heb je mensen die angstvallig zijgen over predestinatie. De terughoudendheid is te prijzen, maar als de predestinatie een weldaad is van God dan is er niet over spreken God Zijn rechtmatige eer roven. God heeft dingen gesproken en heeft over dingen gezwegen, wij moeten Hem daarin navolgen.
[4] Laster van wereldse mensen is geen reden om niet over predestinatie te spreken, ze maken alle leerstukken belachelijk. Anderen willen geen predestinatie bespreken omdat het strijd met de aansporingen om het goede te doen of omdat het geloof ontmoedigt en aan het wankelen brengt. Maar juist daarom moet het wel besproken worden, zoals Augustinus dus vrijmoedig deed. We moeten alleen niet onderzoeken wat God verborgen heeft, of verzwijgen wat God geopenbaard heeft. zo voorkomen we dat we veroordeeld worden wegens ondankbaarheid of nieuwsgierigheid. Mensen die niet over de predestinatie willen spreken zijn feitelijk zo arrogant dat ze God een dwaze onnadenkendheid aanwrijven.
[5] Nu dan inhoudelijk de predestinatie. Niemand ontkent de predestinatie, maar veel mensen maken er wel een speculatief potje van. Predestinatie is niet Gods voorwetenschap, dat is dat in Gods kennen alle dingen tegenwoordig zijn en niet in verleden of toekomst(wat Pighius zei. Pighius kwam uit Kampen trouwens!). Predestinatie is het eeuwige besluit waarin God bij zichzelf heeft vastgesteld wat Hij wil dat er van ieder mens worden zal, tot leven of tot dood. Dit wordt gedemonstreerd in het nageslacht van Abraham, waarin duidelijk wordt dat alleen God beslist hoe het met het volk gaat. Daarom leert Mozes dat God Israël Gods liefde niet heeft verdiend omdat ze zo bijzonder zijn, maar om hun voorvaderen. Daarom is het verwijt aan het volk in het OT zo vaak dat het zo ondankbaar is ten opzichte van de verkiezing. Aan dit welbehagen van God is een hele rits psalmteksten opgedragen. Verkiezing is dan ook bij Jesaja de voortgang van weldaden die God aan Zijn volk geeft. Als het volk verstoten lijkt te zijn of de verkiezing door de ballingschap ongedaan blijkt te zijn gaat God toch door met de verkiezing in een rest.
Morgen lezen we boek III.21.6 - III.22.3
Lees deze en andere posts terug op lectiocalviniblogspot.com
woensdag 5 augustus 2015
05-08; Boek III.20.48 - III.21.1
Vandaag lezen we het laatste gedeelte over het gebed en beginnen we met de eerste paragraaf van het hoofdstuk over de predestinatie, ofwel de uitverkiezing.
[48] God heeft ons een regel gegeven hoe te bidden. Dingen erbij bidden die niet in verband met de inhoud van dit gebed kunnen worden gebracht zijn volgens Calvijn goddeloos. Iets erbij vragen is lastering van Gods wil, en je bidt dan niet uit geloof omdat het niet steunt op het Woord.
[49] Nu is het niet de bedoeling dat er helemaal niets qua vorm aan het gebed mag worden veranderd. In de Bijbel staan ook naar de vorm andere gebeden.
[50] Er is eerder gezegd dat we zonder ophouden moeten bidden, de beste manier om dit te bereiken is om vaste tijden aan te houden voor gebed. Calvijn noemt 's morgens en voor en na het eten. Niet dat we deze 'getijden' bijgelovig moeten houden, het is juist om in onze zwakheid ondersteund te worden en te oefenen in gebed. Als we in nood zijn of nood zien moeten we niet snelle voeten hebben, maar snelle harten om tot God te gaan. In goede omstandigheden moet God direct lof en dank gebracht worden en bij alles moeten we oppassen God niet in omstandigheden te willen binden.
[51] Zo geoefend in het gebed zijn mensen ook in staat om te volharden als God niet (direct) antwoord op gebed. Er zijn ook mensen die een dealtje sluiten met God voor hun begeertes en zo God maken tot een sloofje. Als God dit toch niet blijkt te zijn en geen gehoor geeft beginnen ze te te sputteren.
[52] Als we na veel bidden niet krijgen wat we wilden, moeten we in geloof weten dat we dan hebben gekregen wat goed voor ons was. God heeft belooft om te zorgen nadat de zaken Hem in gebed zijn voorgelegd. Ook als God helemaal niet reageert, laat Hij ons op ondoorgrondelijke manier zien dat het gebed niet nutteloos is geweest. God blijft vriendelijk en welwillend.
[1] Het simpele feit dat niet iedereen het Evangelie gepredikt krijgt in zijn of haar leven, is een diep oordeel van God. Dit staat ten dienst van de uitverkiezing. En daarmee beginnen de moeilijkheden. Desondanks is de leer van de uitverkiezing nuttig en draagt een zoete vrucht. In het contrast schittert Gods genade. De zaligheid is ten diepste gefundeerd in Gods loutere milddadigheid. Het niet over deze leer hebben doet geen recht aan God en aan de mens. De uitverkiezing helpt ons in moeilijke omstandigheden doordat het benadrukt dat de Vader ons behoudt en bewaart. De kerk krijgt zo profiel, in de uitverkiezing, maar ook in de verwerping(punt dat Herman Bavinck volgens mij verder uitdiept).
Twistpunt van de predestinatie is vaak de te grote nieuwsgierigheid van mensen die teveel willen weten. Dat is een brutaliteit omdat een mens niet ongestraft dingen te weten kan komen die God verborgen wil houden.
Morgen lezen we boek III.21.2 - III.21.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[48] God heeft ons een regel gegeven hoe te bidden. Dingen erbij bidden die niet in verband met de inhoud van dit gebed kunnen worden gebracht zijn volgens Calvijn goddeloos. Iets erbij vragen is lastering van Gods wil, en je bidt dan niet uit geloof omdat het niet steunt op het Woord.
[49] Nu is het niet de bedoeling dat er helemaal niets qua vorm aan het gebed mag worden veranderd. In de Bijbel staan ook naar de vorm andere gebeden.
[50] Er is eerder gezegd dat we zonder ophouden moeten bidden, de beste manier om dit te bereiken is om vaste tijden aan te houden voor gebed. Calvijn noemt 's morgens en voor en na het eten. Niet dat we deze 'getijden' bijgelovig moeten houden, het is juist om in onze zwakheid ondersteund te worden en te oefenen in gebed. Als we in nood zijn of nood zien moeten we niet snelle voeten hebben, maar snelle harten om tot God te gaan. In goede omstandigheden moet God direct lof en dank gebracht worden en bij alles moeten we oppassen God niet in omstandigheden te willen binden.
[51] Zo geoefend in het gebed zijn mensen ook in staat om te volharden als God niet (direct) antwoord op gebed. Er zijn ook mensen die een dealtje sluiten met God voor hun begeertes en zo God maken tot een sloofje. Als God dit toch niet blijkt te zijn en geen gehoor geeft beginnen ze te te sputteren.
[52] Als we na veel bidden niet krijgen wat we wilden, moeten we in geloof weten dat we dan hebben gekregen wat goed voor ons was. God heeft belooft om te zorgen nadat de zaken Hem in gebed zijn voorgelegd. Ook als God helemaal niet reageert, laat Hij ons op ondoorgrondelijke manier zien dat het gebed niet nutteloos is geweest. God blijft vriendelijk en welwillend.
[1] Het simpele feit dat niet iedereen het Evangelie gepredikt krijgt in zijn of haar leven, is een diep oordeel van God. Dit staat ten dienst van de uitverkiezing. En daarmee beginnen de moeilijkheden. Desondanks is de leer van de uitverkiezing nuttig en draagt een zoete vrucht. In het contrast schittert Gods genade. De zaligheid is ten diepste gefundeerd in Gods loutere milddadigheid. Het niet over deze leer hebben doet geen recht aan God en aan de mens. De uitverkiezing helpt ons in moeilijke omstandigheden doordat het benadrukt dat de Vader ons behoudt en bewaart. De kerk krijgt zo profiel, in de uitverkiezing, maar ook in de verwerping(punt dat Herman Bavinck volgens mij verder uitdiept).
Twistpunt van de predestinatie is vaak de te grote nieuwsgierigheid van mensen die teveel willen weten. Dat is een brutaliteit omdat een mens niet ongestraft dingen te weten kan komen die God verborgen wil houden.
Morgen lezen we boek III.21.2 - III.21.5
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 4 augustus 2015
04-08; Boek III.20.45 - III.20.47
[45] De vijfde bede, 'Vergeef ons onze schulden'; Deze en de volgende bede hebben betrekking op het hemelse leven, want het nieuwe verbond gaat over de wet in het hart en genade in de ongerechtigheid van de mens. Deze bede bidden en denken dat verdiensten iets kunnen bijdragen is feitelijk vragen om Gods oordeel. De bidder van het Onze Vader belijdt een zondaar te zijn en blijven, zonder zich een volmaaktheid in te beelden. Er blijft altijd een restje ongerechtigheid in ons, desondanks God ons herschept. Daarom heeft God dit gebed aan ons gegeven. Mensen die dit niet geloven halen uit elkaar wat God bij elkaar heeft gevoegd. De ander vergeven is eigenlijk de woede en haat afleggen, alleen God kan vergeven. en dit is niet een voorwaarde voor Gods vergeving, maar een teken. Zoals e zelf vergeeft, zo vergeeft God.
[46] De zesde bede, 'Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze'; Gehoorzaamheid aan God is een strijd en we moeten daarom God bidden voor wapens in deze strijd met deze bede. Er zijn veel verzoekingen, niet alleen verkeerde begeertes, maar ook zaken die in zichzelf niet verkeerd zijn, maar toch door de duivel een verzoeking worden omdat ze zorgen dat we van God afgaan of afgetrokken worden. Bijvoorbeeld rijkdom en armoede. We bidden om staande te mogen blijven hierbij. Toch bidden we niet om helemaal geen verzoekingen meer, dan zouden we lui kunnen worden. God beproeft om te snoeien, de satan om te vernietigen. We kunnen tegen de satan geen stand houden, dus bidden we om Gods bescherming. We vragen met de bevrijding van zonde en de satan om verrijking met blijken van Gods genade, net zolang tot we vervuld van genade zullen zegevieren.
Dat God goed is, is geen reden om deze bede niet te bidden. We vallen door onze eigen schuld in verzoeking, al dan niet door toelating van God. God draagt geen schuld. Daarom moeten we het ook als een serieus dreigement nemen als het gaat over de wraak over mensen die met blindheid van het hart geslagen worden.
[47] De laatste drie bede, het slot dus, laten zien dat deze gebeden in het openbaar gebed horen, tot voordeel van de gemeenschap der gelovigen. We bidden niet om persoonlijk dingen te krijgen, maar als gemeenschap. Het rustpunt van het gebed is dus; 'Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Wat dus blijkbaar niet in de Latijnse tekst staat. amen slaat op de vastheid van de zaken die ons gegeven gaan worden en de vurigheid waarmee we deze dingen moeten verlangen. Dit alles wordt gebeden met het oog op Gods eigen wezen, niet om de eigen verdienste.
Morgen lezen we boek III.20.48 - III.21.1
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[46] De zesde bede, 'Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze'; Gehoorzaamheid aan God is een strijd en we moeten daarom God bidden voor wapens in deze strijd met deze bede. Er zijn veel verzoekingen, niet alleen verkeerde begeertes, maar ook zaken die in zichzelf niet verkeerd zijn, maar toch door de duivel een verzoeking worden omdat ze zorgen dat we van God afgaan of afgetrokken worden. Bijvoorbeeld rijkdom en armoede. We bidden om staande te mogen blijven hierbij. Toch bidden we niet om helemaal geen verzoekingen meer, dan zouden we lui kunnen worden. God beproeft om te snoeien, de satan om te vernietigen. We kunnen tegen de satan geen stand houden, dus bidden we om Gods bescherming. We vragen met de bevrijding van zonde en de satan om verrijking met blijken van Gods genade, net zolang tot we vervuld van genade zullen zegevieren.
Dat God goed is, is geen reden om deze bede niet te bidden. We vallen door onze eigen schuld in verzoeking, al dan niet door toelating van God. God draagt geen schuld. Daarom moeten we het ook als een serieus dreigement nemen als het gaat over de wraak over mensen die met blindheid van het hart geslagen worden.
[47] De laatste drie bede, het slot dus, laten zien dat deze gebeden in het openbaar gebed horen, tot voordeel van de gemeenschap der gelovigen. We bidden niet om persoonlijk dingen te krijgen, maar als gemeenschap. Het rustpunt van het gebed is dus; 'Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Wat dus blijkbaar niet in de Latijnse tekst staat. amen slaat op de vastheid van de zaken die ons gegeven gaan worden en de vurigheid waarmee we deze dingen moeten verlangen. Dit alles wordt gebeden met het oog op Gods eigen wezen, niet om de eigen verdienste.
Morgen lezen we boek III.20.48 - III.21.1
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 3 augustus 2015
03-08; Boek III.20.43 - III.20.44
De 31ste week van Lectio Calvini, ik weet niet hoeveel er nog meelezen in de Institutie, maar ik ben onder de indruk van dat je met 5 dagen in de week, een half uurtje ofzo, toch vrij makkelijk en gestadig zo'n dik boek doorkomt. Hoppa!
Anyway, de derde en de vierde bede van het Onze Vader.
[43] 'Uw wil geschiede'; Dit kan niet losgemaakt worden van het Koninkrijk van God. Dit is niet de verborgen wil van God. Het is de vrijwillige gehoorzaamheid aan God. Het is ook de bede om de vernieuwing van de mens, zodat er geen oude begeerte in ons overblijft en leren te haten wat God haat en te liefhebben wat God liefheeft. De eerste drie beden zijn dus compleet gericht op God en mogen niet gebeden worden om ons voordeel.
[43] De eerste van de laatste drie beden is 'Geef ons heden ons dagelijks brood'. Deze gaan over de zaken die nuttig voor ons zijn. Desondanks blijven deze zaken ook tot Gods eer strekken, we worden geoefend in vroomheid en daarna mogen we zaken vragen die ons voordeel zijn tot zover ze tot de eer van God zijn. Met deze bede bidden we niet alleen om brood, maar om voedsel, kleding en om dit in vrede te kunnen gebruiken. Het is een oefening in geloof aan Gods voorzienigheid en de zorgen voor het lichaam opzij te zetten. God is niet te min voor aardse zaken, het gaat om echt brood, geen bovennatuurlijk brood. Gods zegen en vaderlijke gunst lichten op in brood.
We laten het brood van God afhangen en moeten dus geen brood zoeken buiten de geoorloofde manieren om wat God ons geeft aan te vullen. En ons eigen werk levert ook niks op als God het niet zegent. Dagelijks betekent dat we beschermd worden tegen het begeerlijk storten op overdaad. We bidden om genoeg, een mens leeft ook niet van brood maar van het woord van Zijn mond. Meer dan genoeg hebben en toch God smeken om meer is spotten met God. Als we bidden dat het ons gegeven wordt, pleiten we niet op een verdienste van ons, maar is het een gaven van God, hoe hard we er ook zelf voor gewerkt hebben. Het is en blijft Gods zegen.
Morgen lezen we boek III.20.45 - III.20.47
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Anyway, de derde en de vierde bede van het Onze Vader.
[43] 'Uw wil geschiede'; Dit kan niet losgemaakt worden van het Koninkrijk van God. Dit is niet de verborgen wil van God. Het is de vrijwillige gehoorzaamheid aan God. Het is ook de bede om de vernieuwing van de mens, zodat er geen oude begeerte in ons overblijft en leren te haten wat God haat en te liefhebben wat God liefheeft. De eerste drie beden zijn dus compleet gericht op God en mogen niet gebeden worden om ons voordeel.
[43] De eerste van de laatste drie beden is 'Geef ons heden ons dagelijks brood'. Deze gaan over de zaken die nuttig voor ons zijn. Desondanks blijven deze zaken ook tot Gods eer strekken, we worden geoefend in vroomheid en daarna mogen we zaken vragen die ons voordeel zijn tot zover ze tot de eer van God zijn. Met deze bede bidden we niet alleen om brood, maar om voedsel, kleding en om dit in vrede te kunnen gebruiken. Het is een oefening in geloof aan Gods voorzienigheid en de zorgen voor het lichaam opzij te zetten. God is niet te min voor aardse zaken, het gaat om echt brood, geen bovennatuurlijk brood. Gods zegen en vaderlijke gunst lichten op in brood.
We laten het brood van God afhangen en moeten dus geen brood zoeken buiten de geoorloofde manieren om wat God ons geeft aan te vullen. En ons eigen werk levert ook niks op als God het niet zegent. Dagelijks betekent dat we beschermd worden tegen het begeerlijk storten op overdaad. We bidden om genoeg, een mens leeft ook niet van brood maar van het woord van Zijn mond. Meer dan genoeg hebben en toch God smeken om meer is spotten met God. Als we bidden dat het ons gegeven wordt, pleiten we niet op een verdienste van ons, maar is het een gaven van God, hoe hard we er ook zelf voor gewerkt hebben. Het is en blijft Gods zegen.
Morgen lezen we boek III.20.45 - III.20.47
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
zaterdag 1 augustus 2015
31-07; Boek III.20.37 - III.20.42
Verder met het Onze Vader.
[37] Een vader is de beste voorvechter en advocaat voor een zoon van hem, dus moeten we niet bang zijn voor God de Vader omdat we zondigen. Tegenover deze wanhoop staat het vertrouwen op de vriendelijkheid en de zachtmoedigheid van God. Verloren zonen moeten als ondankbare en opstandige kinderen geheel verlaten op Zijn ontferming. Daarom is het ónze Vader Om het vertrouwen op God te richten.
[38] 'Onze' benadrukt ook dat we een moeten zijn in de liefde met onze broeders (en zusters). Niet alleen de zichtbare in de directe omgeving, maar alle op de hele wereld, en vanuit de vroomheid het beste voor hen te hopen.
[39] Maar we mogen natuurlijk wel voor onszelf en voor andere in het bijzonder bidden. Het is net als het helpen van armen. Het is niet erg om een arme te helpen desondanks er een besef is dat er altijd armere mensen zijn die je niet kent of niet kunt helpen.
[40] Dat God in de hemel is betekent niet dat God is opgesloten en beperkt tot in de hemel. god doortrekt alles, maar omdat mensen een waarneming op een plaats vaak koppelen aan die plaats, noemt God de hemel als middel om boven elke waarneming uit te stijgen en te wijzen op gods onuitsprekelijke majesteit, onveranderlijkheid en almacht. We worden in de aanspraak van het gebed dus gewezen op de gemeenschappelijke Vader zodat we niet verzonnen afgoden hebben en we worden gewezen op Zijn almacht en allesomvattendheid. Zo worden we aangespoord om Hem te zoeken.
[41] 'Uw naam worde geheiligd', de eerste bede. Dat deze bede nodig is komt dor onze ondankbaarheid en brutaliteit om Gods glorie te verduisteren. We worden in zekere zin opgedragen zorg te dragen voor de heiliging van Gods naam. Het hele menselijk geslacht moet de naam eerbiedigen. De heiligschennis wordt zo ook aan banden gelegd.
[42] 'Uw koninkrijk kome', de tweede bede. Feitelijk niks nieuws. God heerst als Koning waar mensen in zelfverloochening en verachting van de wereld en zich op aarde toewijden aan Gods gerechtigheid met verlangen naar het hemelse leven. Het is een bede om bevrijd te worden van begeertes. God richt Zich in Zijn koninkrijk door nederigheid te brengen. Dat kan voor de een beteugeling zijn,m voor de ander de hoogmoed tenietdoen. Het is dus een verhindering dat de bedorvenheid gestalte krijgt in ons.
Volgende week lezen we boek III.20.43 - III.20.44
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
[37] Een vader is de beste voorvechter en advocaat voor een zoon van hem, dus moeten we niet bang zijn voor God de Vader omdat we zondigen. Tegenover deze wanhoop staat het vertrouwen op de vriendelijkheid en de zachtmoedigheid van God. Verloren zonen moeten als ondankbare en opstandige kinderen geheel verlaten op Zijn ontferming. Daarom is het ónze Vader Om het vertrouwen op God te richten.
[38] 'Onze' benadrukt ook dat we een moeten zijn in de liefde met onze broeders (en zusters). Niet alleen de zichtbare in de directe omgeving, maar alle op de hele wereld, en vanuit de vroomheid het beste voor hen te hopen.
[39] Maar we mogen natuurlijk wel voor onszelf en voor andere in het bijzonder bidden. Het is net als het helpen van armen. Het is niet erg om een arme te helpen desondanks er een besef is dat er altijd armere mensen zijn die je niet kent of niet kunt helpen.
[40] Dat God in de hemel is betekent niet dat God is opgesloten en beperkt tot in de hemel. god doortrekt alles, maar omdat mensen een waarneming op een plaats vaak koppelen aan die plaats, noemt God de hemel als middel om boven elke waarneming uit te stijgen en te wijzen op gods onuitsprekelijke majesteit, onveranderlijkheid en almacht. We worden in de aanspraak van het gebed dus gewezen op de gemeenschappelijke Vader zodat we niet verzonnen afgoden hebben en we worden gewezen op Zijn almacht en allesomvattendheid. Zo worden we aangespoord om Hem te zoeken.
[41] 'Uw naam worde geheiligd', de eerste bede. Dat deze bede nodig is komt dor onze ondankbaarheid en brutaliteit om Gods glorie te verduisteren. We worden in zekere zin opgedragen zorg te dragen voor de heiliging van Gods naam. Het hele menselijk geslacht moet de naam eerbiedigen. De heiligschennis wordt zo ook aan banden gelegd.
[42] 'Uw koninkrijk kome', de tweede bede. Feitelijk niks nieuws. God heerst als Koning waar mensen in zelfverloochening en verachting van de wereld en zich op aarde toewijden aan Gods gerechtigheid met verlangen naar het hemelse leven. Het is een bede om bevrijd te worden van begeertes. God richt Zich in Zijn koninkrijk door nederigheid te brengen. Dat kan voor de een beteugeling zijn,m voor de ander de hoogmoed tenietdoen. Het is dus een verhindering dat de bedorvenheid gestalte krijgt in ons.
Volgende week lezen we boek III.20.43 - III.20.44
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)