woensdag 9 september 2015

09-09; Boek IV.4.5 - IV.4.10

En dan nu over de diakenen.

[5] Diakenen zijn er geweest om het geld en de kerkelijke goederen te beheren en de armen te verzorgen, onder toezicht van de bisschop. Bisschoppen mochten ook niks financieels doen zonder medeweten van diaken en presbyter. Onderdiakenen zijn later toegevoegd als hulp, maar het onderscheid en tussen onder- en normale diaken is geleidelijk verdwenen. Aartsdiaken was de opzichthouder en waren eindverantwoordelijken. Ook mochten diakenen in de eredienst het Evangelie voorlezen, aansporen tot gebed en de beker aanreiken tijdens het Heilig Avondmaal. Dit om te laten zien dat het zeker wel een geestelijk ambt was.

[6] Vroeger was al duidelijk dat alles wat de Kerk aan land en geld heeft, geldt als vermogen van de armen.  Er is altijd opgeroepen om zuiver met het geld om te gaan en de diakenen zonder aanzien van het persoon uit te delen onder de armen. Dit doen bijvoorbeeld Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus. Ambtsdragers leefden ook van het kerkelijke geld. Het was dan ook niet de bedoeling van ambtsdragers om luxe te leven in weelde. Er zijn presbyters die in vrijwillige armoede leefden door hun erfenis aan de Kerk te geven.

[7] Op een gegeven moment zijn er regels voor het verdelen van geld ingesteld. Het geld had vier doelen. Onderhouding van de geestelijken, van de armen, van de kerkelijke gebouwen en nog een vierde deel voor de armen die van elders kwamen en behoeftigen in de eigen stad. Onder het toezicht van een bisschop waarvan verwacht werd dat hij dit geld niet gebruikte als een leuk zakcentje, maar zelf ingetogen en sober leefde met voedsel en kleding.

[8] Kerk leefde altijd bescheiden. Tijdens een hongersnood in Jeruzalem heeft de bisschop Cyrillus zelfs vaatwerk en kleding van de kerk verkocht om voor de armen te kunnen zorgen. Zo ook verhalen over Ambrosius en een zekere Acatius en een Exuperius. Ambrosius heeft benadrukt dat alles wat de Kerk en bisschop bezit het vermogen van de armen is en daarom mag al het goud gebrukt worden om de armen te onderhouden.

[9] Bovenstaande zijn de ambten van de vroege Kerk. Andere diensten waren een soort voorbereidende diensten voor mensen. Er waren jongens die van jongs af aan geschoold werden om later een ambt goed te kunnen aanvaarden. Deze werden clerici genoemd. Calvijn is ongelukkig met de naam, maar ziet zo'n opleiding van jongs af aan wel zitten. Ze oefenden zo in het geestelijk leven. Eerst werden dit soort jongens aangesteld om deuren te open of te sluiten en heetten ze deurwachters(ostiarii), later werden ze volgelingen(acolieten) genoemd omdat ze altijd bij de bisschop waren en de Schriftlezing mochten doen en onderdiaken werden als oefening. Wat Calvijn hiermee wil aantonen is dat deze functies geen ambten waren, maar voorbereidende oefeningen.

[10] Net als de apostelen deden moeten we ook nu eerbiedig te werk gaan en gelovige vrome mensen tot het ambt kiezen. Op een gegeven moment werd er meer gevraagd dan Paulus de bisschop vraagt, zoals ongehuwd blijven. Wat verschilde tussen gemeentes onderling was de manier waarop de ambtsdragers aangesteld werden. Cyprianus laat in een brief zien dat hij zich grondig verontschuldigt voor het aanstellen van een lector zonder het medeweten van de gemeente. Praktische rompslomp zorgde dat voor kleinere functies de gemeente niet geraadpleegd hoefde te worden. Alle functies behalve bisschop werden door de bisschop en presbyters gekozen. Een presbyter voor een parochie werd wel door de gemeente gekozen.

Morgen lezen we boek IV.4.11 - IV.5.1

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 8 september 2015

08-09; Boek IV.3.16 - IV.4.4

[16] En hoe bevestigen we een ambtsdrager? Met handoplegging, zoals de apostelen dat deden. Waarschijnlijk een uitvloeisel van een gewoonte van de Hebreeën en gebruikten de apostelen die om aan te geven dat ze de onder handen genomen ambtsdrager aan God opdroegen. Dit gebruik mag weer opnieuw ingevoerd worden als betekenis symbool, niet als iets bijgelovigs.

[1] Hoe was de kerkregering geregeld voor het pausdom? In de vroege kerk hadden de bisschoppen veel regelingen ingezet die schijnbaar tegen de Schrift ingingen, maar toch stevig door de Bijbel genormeerd was. Bij Hieronymus kom je vijf geledingen in de Kerk tegen, bisschoppen(opzieners), presbyters(ouderlingen of priesters), diakenen, gelovigen en doopleerlingen. Meer geestelijkheid of clerus en monniken kent hij geen plaats toe.

[2] De leerambten was dus de presbyter die uit hun midden per stad een bisschop kozen. Desondanks was de bisschop niet de baas over de priesters, hij was iemand die leiding gaf aan alles wat gebeurde met adviezen, raad en het peilen van meningen. De bisschop is een menselijk besluit om tweedracht in de gemeente te voorkomen. Presbyters moeten weten dat ze ondergeschikt aan de leiding zijn, bisschoppen moeten weten dat ze uit gewoonte boen de presbyters staan. Het is wel een oude gewoonte. Iedere stad had dus een groep presbyters, dus herders en leraren, die de taak die Paulus aan opzieners geeft, op zich te nemen. De bisschop stond er in zekere zin wel boven, maar moest zich toch voegen naar het besluit van deze vergadering. Er waren ook nog landbisschoppen, chorepiscopi, aangesteld als hulp in een groot gebied. Deze vertegenwoordigde de bisschop in minder belangrijke taken.

[3] Presbyters en bisschoppen moesten zich in ieder geval wijden aan de bediening van het Woord en de Sacramenten. Alleen in Alexandrië was een uitzondering omdat Arius daar de kerk in beroering had gebracht. In ieder geval werd van alle ambtsdragers door alle eeuwen heen verlangd dat ze hun taken uitvoerden. Ook in de tijd van Gregorius de Eerste was een niet prekende bisschop niet de bedoeling.

[4] Aartsbisschoppen en patriarchen, weer twee tredes boven de bisschop, werden op het concilie van Nicea ingesteld voor de handhaving van de tucht. Dit had echter beperkt praktisch nut. Zo werd er een hierarchie gekweekt, een woord waar Calvijn niet dol op is. Plus dat het meer is dan de Bijbel leert en meer dan de oude bisschoppen aan wilden.

Morgen lezen we boek IV.4.5 - IV.4.10

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

maandag 7 september 2015

07-09; Boek IV.3.8 - IV.3.15

[8] De termen opzieners, ouderlingen, herders en dienaren worden in de Bijbel zonder onderscheid door elkaar gebruikt, zo doet Calvijn dus ook. Dit zijn de termen voor het ambt van de woordbediening, kortom, de opzieners. In Efeze 4 gaat het ook niet om andere ambten. Andere ambten zijn te vinden in Romeinen en 1 Korintiërs, de zorg voor de armen en de regering van de Kerk. Regeerders waren uit het volk gekozen ouderlingen die letten op de levenswandel en de tucht handhaafde. Kenmerkende aan deze ambten was dat deze eeuwig was, in tegenstelling tot de andere ambten die ook genoemd worden in de twee eerdergenoemde brieven.

[9] Diakenen zijn er voor de zorg voor de armen. Er zijn in de Bijbel twee soorten te onderscheiden; die geld beheren en die voor de armen zorgen. Onder de laatste vielen ook de vrouwen of de weduwen uit 1 Tim. 5:10. Maar in de smalle zin van het woord diaken worden hen bedoeld die aangesteld zijn over de uitdeling van de aalmoezen, de armenkas en de zorg voor de armen.

[10] Voor de goede orde in de inrichting van de heilige vergadering, is het noodzakelijk om niemand een ambt toe te delen die niet geroepen is. Zo deed Paulus het ook, hij legitimeerde zijn apostelambt door te verwijzen naar zijn roeping.

[11] Wat Calvijn hier beschrijft is de uitwendige en ceremoniële roeping. De inwendige roeping van de dienaar wordt hier niet behandeld. Het gaat er dan om dat we het ambt niet uit eerzucht, hebzucht of andere zuchten willen, maar om de opbouw van de gemeente. Er zijn ook mensen met een particuliere roeping tot het ambt. Dat is de ontdekking dat iemand geschikt is voor het ambt, vroomheid en kennis.

[12] Wat voor mensen mogen gekozen worden? Dat zijn mensen die gezonf in de leer zijn, een heilige levenswandel hebben en geen feiten aan zich hebben hangen dat het ambt in diskrediet zou brengen. En hij moet geschikt zijn voor de taak. Met een biddende en vastende houding zou men zich moeten toeleggen op de verkiezing.

[13] Het is lastig te bepalen wie de ambtsdragers moeten kiezen. De apostelen werden niet door mensen, maar door God aangesteld, zoals ook Paulus zelf vaak vertelt in zijn brieven. Daarvoor is het dan ook een buitengewoon ambt, apostel.

[14] Het is een Bijbelse manier van doen dor een opzichter mensen aan te laten wijzen voor het ambt. Ook moeten we niet vergeten dat de apostel Paulus na een goddelijke verkiezing ook door een menselijke inzetting is bevestigd. Dat laat zien dat God de menselijke verkiezing ook goedkeurt. Daarom kozen de 11 discipelen ook twee anderen waar het lot over mocht beslissen welke de 12de apostel zou zijn.

[15] De verkiezing tot het ambt kan gebeuren door een persoon zoals ook Titus en Timotheüs doen, maar het is een vergissing om te denken dat ze dit deden naar eigen goeddunken. Ze gaven adviezen aan het volk en konden niet doen wat ze goed dachten. Zo werden ook de nieuwe apostelen verkozen, door het volk dat met een hand laat zien wie ze willen hebben. Net als in een volksvergadering. Op deze manier heeft Cyprianus dan ook gelijk als hij zegt dat het gezag naar God terug te leiden is als een priester voor en door het volk wordt gekozen. Het volk mag kiezen, maar dan wel onder begeleiding van ambtsdragers om de orde en goede bedoelingen te waarborgen..

Morgen lezen we boek IV.3.16 - IV.4.4

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

zaterdag 5 september 2015

04-09; Boek IV.3.1 - IV.3.7

[1] God bestuurt zijn kerk door mensen te gebruiken als instrumenten, omdat Hij niet met een zichtbare tegenwoordigheid onder ons is. Dit doet God allereerst om Zijn goedgunstigheid richting ons, we zijn ècht Gods tempel. Ten tweede is het een oefening in nederigheid om van iemand anders, een mensje uit het stof verrezen, het Evangelie te horen verkondigen. Zo is het ambt door God aangewezen als een middel om de eenheid te bewaren. In deze zin mag Ef. 4:4-16 gelezen worden, dat gaat over het ambt.

[2] Het ambt is gericht op eenheid in de Kerk en is de enige manier om de Kerk ongeschonden te bewaren, steunend op de middelen die God heeft besloten te gebruiken. Zich niet aan deze orde toeleggen is de Kerk vernietigen. Zoals in het dagelijks leven licht, eten en drinken nodig zijn om te leven, zo zijn ambt van apostel en herder hier op aarde om de Kerk in leven te houden.

[3] God acht het ambt hoog. Dit is al te zien hoe Hij spreekt over profeten en over de apostelen, die het zout van de aarde zijn. Wij mogen dan ook niet het ambt laten verachten en geheel laten verdwijnen. Het is een noodzakelijk ambt, Cornelius hoorde van engel dat hij een apostel moest zoeken. Paulus moest ook na het voorval onderweg naar Damascus onderwijs van een mens krijgen. God bewijst zo hoe belangrijk Hij het ambt ziet.

[4] Van de apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars hebben we alleen de eerste twee. De eerste drie waren voornamelijk van de vroegere periode van de Kerk en komen nu nog incidenteel voor als de tijd dat nodig heeft. Apostelen moesten de wereld over en de wereld overtuigen en brengen tot gehoorzaamheid van God en overal de fundamenten van de Kerk leggen. De profeten blonken vroeger uit door bijzondere openbaring, Evangelisten hadden iets minder aanzien dan apostelen en leken qua taak daarop. Het zijn Lukas, Timoteüs, Titus en de zeventig apostelen naast de discipelen. Deze ambten waren voornamelijk ingesteld om niet altijd te zijn, maar om het Evangelie verder te brengen naar plaatsen waar Mozes of Christus nog niet gehoord was. Desondanks zijn er af en toe nog apostelen, of meer evangelisten te vinden in tijden van grote afval in de Kerk. Het zijn buitengewone ambten.
De gewone ambten die de Kerk nooit kan missen, zijn herder en leraar. Leraars zijn er voor de zuivere uitleg van de Schrift en ervoor zorgen dat er geen dwaalleren komen, herders hebben dit ook, maar gaan ook over tuchtoefening, Sacramenten en vermaningen en aansporingen.

[5] Leraars lijken op oude profeten, herders lijken op apostelen. In feite zijn ook alle dienaren van de Kerk een soort apostel, maar de twaalf+Paulus apostelen zijn toch bijzonder, omdat het duidelijk moest zijn en dat men zekerheid nodig had over de zending van de nieuwe boodschap. De herders zijn ok toegewezen aan een bepaalde gemeente.

[6] De apostelen was opgedragen te evangeliseren, te dopen en brood en wijn te bedienen. Indirect is dit ook de opdracht aan de herders in de Bijbel. Wat apostelen voor de wereld deden, moet de herder voor de gemeente doen.

[7] Herders mogen zich wel af en toe lenen voor bijstand in andere gemeentes, maar in de regel blijven ze bij één gemeente. Herders moeten niet voor hun gemak zich van een gemeente losmaken, ze moeten wachten tot de gezagsdragers hen ergens plaatsen.

Volgende week lezen we boek IV.3.8 - IV.3.15

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

donderdag 3 september 2015

03-09; Boek IV.2.6 - IV.2.12

Vandaag de eerste taalfout/drukfout die ik in De Niet tegenkom, op blz 248. Er staat in de rechterkolom uidrukkelijk in plaats van uitdrukkelijk. Jammer maar helaas. We zullen verder lezen over de Kerk.

[6] Calvijn stemt overeen met Cyprianus in het schrijven over de Kerk, dat de Kerk haar eenheid ontleent aan het bisschopsambt van Christus. Het schrijven De Catholicae Ecclesiae Unitate is hier terug te vinden: http://www.newadvent.org/fathers/050701.htm . Zo beschouwd zijn de protestanten geen ketters en scheurmakers, het is onterecht, laat staan de verwensingen en vervloekingen die erbij horen. Jezus had al gezegd tegen de apostelen dat ze uit de synagogen geworpen zouden worden, die toen beschouwd werden als echte kerken.

[7] De RKK was te vergelijken met het volk in het Oude Israël. Ze hadden de Waarheid in de Wet, de bediening daarvan in priester en profeet en de sacramenten in de besnijdenis. Desondanks is het verval van de Wet en de invoering van afgodendienst een reden geweest om de voorrechten voor een deel te laten vervallen. Aan de ene kant moeten we niet te snel een Kerk geen Kerk noemen als er Woord en Sacrament zijn, aan de andere kant moeten we een Kerk niet te snel Kerk noemen als het Woord wordt vertrapt en de dienst van het Woord prijsgegeven wordt.

[8] Was er helemaal geen godsdienst meer? Er zijn trappen van verval zegt Calvijn. In Israël had Jerobeam afgodendienst ingevoerd. In Juda was de levenswandel goddeloos en onzuiver. In Israël is de godsdienst steeds verder vervallen, in Juda was er tenminste nog onderricht.

[9] De leer en afgoderij van de RKK is nog steeds erg. Wat ze eisen is dat de gereformeerden meedoen aan alle gebeden, sacramenten en rituelen. En dat datalle eer macht en zeggenschap van Christus aan hun kerk wordt overgedragen. Wat het eerste betreft, de profeten hebben nooit een eigen bijeenkomst belegd en zijn altijd naar de tempel blijven komen, maar aan de andere kant zijn ze nooit gedwongen tot afgodendienst, ze deden niets wat God niet geboden had. En de vorm van gemeenschap binnen de RKK is de mis die door gereformeerden wordt gezien als heiligschennis. De gemeenschap betekent niet zoveel dat deze gezegd moet worden als hier onheilige en onreine ceremoniën in plaats vindt.

[10] Er is ook geen noodzaak ons aan de RKK te onderwerpen in dit gedachtespoor. De kerken zouden de sleutelmacht moeten hebben als het echte kerken waren, maar dan hadden ze ook de sleutelmacht. Maar met die sleutelmacht stoten ze mensen uit die zich beroepen op het Woord, dus klopt er iets niet. Of de sleutelmachtbelofte van Christus klopt niet, of het is geen kerk.

[11] God heeft nog wel sporen van een Kerk achtergelaten in de roomse kerk. Het volk Israël had ook nog de sporen van het verbond, desondanks hun grote goddeloosheid. De satan heeft de kerk niet tot op het fundament afgebroken.

[12] Calvijn ontkent dus niet dat er hier en daar een Kerk onder de roomsen te vinden is. Het geschil gaat over de wettige inrichting van de Kerk, de Sacramenten en de leer. Paulus en Daniël waarschuwden al dat de Antichrist zich zou zetelen in de tempel. Dit betekent dat het de naam van Christus en Kerk niet zal afschaffen, maar zal ontheiligen. Chrisuts blijft halfbegraven in die kerken. Zo zijn de gelovigen verspreid, hier en daar kentekenen van de Kerk overgebleven. In elke vergadering en in het lichaam in het geheel wordt de hele gestalte van de Kerk gemist.

Morgen lezen we boek IV.3.1 - IV.3.7

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

woensdag 2 september 2015

02-09; Boek IV.2.1 - IV.2.5

Nu gaan we eens kijken wat Calvijn te vertellen heeft over ware en valse kerk.

[1] Zeden zijn geen belemmering om kerk te heten als Woord en Sacrament zuiver bediend worden. Er is een groot gevaar als de leugen de kerk binnen is gedrongen en het sacramentsgebruik in verval is. Bijvoorbeeld als het fundament van de leer van e apostelen en profeten wordt weggenomen. De Kerk is een pilaar van waarheid is kan er geen leugen regeren.

[2] Calvijn vindt dat de lezers zich van de Roomse kerk mogen scheuren omdat de prediking onder de maat is en leugens verkondigt en de sacramenten meer afgoderij zijn dan Sacramenten. Let wel; in die tijd was het inderdaad slecht gesteld met de RKK. MEt veel poeha wordt verkondigd dat de RKK de enige kerk is, maar hun argumenten zijn vooral geschiedenisboeken door kerken die door martelaren zijn opgericht, door een onafgebroken lijn bisschoppen bewaard. Calvijn geeft tegenargumenten. Allereerst geldt de bisschoppelijke opvolging alleen voor wat zij aanvoeren, Italië, Spanje, Frankrijk, maar hielp deze afstammeling niet in Azië, Egypte en Africa. Ten tweede is de Kerk in Griekenland ook een onafgebroken opvolgin, maar toch beweren de roomsen dat de kerk daar ten onder is gegaan, hoe kan dat?

[3] De roomsen zijn te vergelijken met de Joden in het OT die zich beriepen op de tempel, ceremoniën en uiterlijkheden. Met als verschil dat de KErk goed kan bestaan zonder de vormen die de roomsen aandragen. God heeft ook de tempel verlaten toen deze door de priesterdienst werd aangetast (Ez. 10:4). Zo kunnen roomsen niet overtuigen dat God altijd bij hun vast zit. Ook in de Romeinen brief worden de Joden als vijanden van de waarheid geschetst omdat ze Christus verwerpen, terwijl ze alles hebben wat ze zich maar konden wensen als kerk. God zegt dat alleen zij worden beschouwd als Zijn kinderen die geboren zijn uit het zuivere en ware zaad van de leer. God is niet gebonden aan goddeloze priesters, en desondanks de waardigheid van het ambt verdienen ze het dan om afgewezen te worden. Er bestaat niks knulligers dan de opvolging van mensen te verkiezen boven de trouw aan de leer. Dat bedoelde de kerkleraars ook niet. Ze hadden de opeenvolging van de bisschoppen alleen als maar als argument om nieuwe leren te weren. De RKK, vindt Calvijn, moet zich geen kerk noemen. Ook Augustinus had de gestalte van de kerk omschreven als niet altijd even zichtbaar. Ook gingen er soms steunpilaren van de waarheid in ballingschap of hielden ze zich schuil.

[4]  We hoeven niet onder de indruk te zijn van de uitwendige poppenkast als we instemmen dat er pas sprake is van de Kerk als Gods Woord er aan te pas komt. Dat is namelijk het kenmerk, dat de stem van Jezus geluisterd wordt. De Kerk is gegrondvest op de leer van profeten en apostelen, de Kerk is het koninkrijk van Christus en Hij regert niet anders dan door Zijn Woord.

[5] Het verwijt aan de gereformeerden is dat ze ketters en scheurmakers zijn. Dat kan niet, want de gemeenschap bestaat uit broedelijke liefde en gezonde leer. Ketters tasten met dwalingen de zuiverheid van het geloof aan en scheurmakers zaaien tweedracht bij eenheid in geloof. Buiten het geloof is er geen samenspannen van gelovigen. Gereformeerden kunnen ketters, noch scheurmakers zijn.

Morgen lezen we boek IV.2.6 - IV.2.12

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com

dinsdag 1 september 2015

01-09; Boek IV.1.22 - IV.1.29

[22] De sleutelmacht is ook gegeven voor de blijvende vergeving. Het is niet alleen tot vergeving voor de mensen die tot geloof komen, maar ook voor de gelovigen die in de Kerk zitten. Ook de vromen kunnen gesterkt worden met de belofte die door de ambtsdragers wordt voorgehouden. Gods kinderen hebben Gods vergeving nodig om voor Zijn aangezicht te kunnen blijven en dit krijgen ze alleen door deel uit te maken van de gemeenschap van de Kerk. Daar wordt deze weldaad gegeven door de ambtsdragers in prediking en Sacrament.

[23]Novatianisme is weer terug in de kerk bij de wederdopers(https://en.wikipedia.org/wiki/Novatianism). Het is de leer dat mensen na hun doop geen smet meer hebben, daardoor is de zonde na de doop een enkeltje oordeel. Het is een dwaalleer, de Bijbel leert namelijk dat we iedere dag het vergeef ons onze schulden uit het Onze Vader moeten bidden. Ook moeten we 7 maal 70 keer onze broeders vergeven. Er is vergeving ook voor de heiligen, hun hele leven lang.

[24] De gelovigen onder het oude verbond deden allemaal rare fratsen en kregen toch vergeving, zoals de gelovige bij uitstek van het OT, David. Ook aartsvaders maakten het behoorlijk bond, nadat ze waren opgenomen in het verbond.

[25] De OT Profeten beloofden veel vergeving voor het volk. Het volk kan nog zo zondig zijn, de profeten blijven barmhartigheid beloven. Salomo liet bij de tempel gebeden inzetten voor vergeving van zonden, ook werden er dagelijks offers ter vergeving geofferd. God zag dat Zijn volk aan ongeneesbare kwalen van de zonde zou lijden en had hierdoor een geneesmiddel ingesteld.

[26] De genadige weldaad is niet weggenomen toen Christus op aarde kwam, maar veel meer toegenomen. Petrus heeft Jezus geloochend en wordt weer vergeven. Zelfs Simon de Tovenaar wordt niet aan wanhoop overgeleverd.

[27] Zelfs hele kerken worden niet uitgesloten van barmhartigheden, de Galaten en Korintiërs maakten zich schuldig aan grote zonden maar werden ook opgeroepen zich te bekeren. We worden dus bepaald dat de genade plaats heeft in de Kerk van Christus. Het gaat namelijk eerst over de Kerk en daarna komt de vergeving van zonden.

[28] Sommigen gaat het novatianisme te ver en zeggen dat alleen onbewuste zonden vergeven kunnen worden. Calvijn weerlegd dit door te zeggen dat het offer van Christus ook hiervoor de kracht heeft en dat de lichamelijke offers er als tekenen naar wezen. Het is ook niet overtuigend als alle voorgenoemde mensen beschouwd werden alsof ze alles onbewust deden. Onze onwelwillendheid staat niet de barmhartige welwillendheid van God in de weg.

[29] Calvijn is bekend met het feit dat in de Oude Kerk de boetedoening eenmalig en onherhaalbaar was, net als de Doop. De dagelijkse vergeving was voor lichte zonden. Dit was niet omdat bij God geen vergeving was, maar om mensen af te schrikken, het was meer pedagogisch, het gaat ook over openlijk bekende misdaden die de Kerk schandalig vond.

Morgen lezen we boek IV.2.1 - IV.2.5

Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com