Het roomse priesterschap wordt ook onderbouwd met het verhaal van Lazarus, waarbij in deze versie de discipelen Lazarus opwekken. Allereerst is dit niet te vinden in de tekst. Maar ook een allegorische uitleg laat geen fundering van priester toe. Calvijn ziet het meer slaan op de barmhartigheid voor Jezus voor zondaren dan voor priesters.
De praktijk van de schuldbelijdenis bij de biecht funderen op de doop van Johannes en de oproep van Jacobus om voor elkaar te bidden na belijdenis kan ook niet. De teksten zeggen simpelweg iets anders. Wie weet van andermans zonden moet voor die persoon bidden.
De biecht is vanouds wel een praktijk geweest, maar nooit een verplichte praktijk. Het zou pas door paus Innocentius III opgelegd zijn tijdens het Vierde Latheraans Concilie in 1215. En in de praktijk van de biecht zit blijkbaar een formulering die doet suggereren dat alleen hermarodieten een keer per jaar moeten biechten. Deze wet om te biechten is niet door Christus opgelegd, maar in tijden van verval van de kerk. Uit het getuigenis van ene Sozomenus is op te maken dat dit gebruik typerend was voor Rome, maar niet voor de hele christenheid, dus niet katholiek. In Constantinopel is de biecht afgeschaft omdat een vrouw de biecht misbruikte voor 'omgang' met een diaken.
Er is zelfs een geschrift op naam van Chrysostomus, later blijkbaar een pseudografie, waarin de biecht wordt gezien als praktijk tussen mens en God.
Calvijn gaat de Bijbelse biecht uit de doeken doen. Allereerst staat in de oude Latijnse vertaling een woord voor biecht dat ook prijzen kan betekenen(of andersom), hier is flink misbruik van gemaakt. De logica is simpel. Aangezien God vergeeft en ons kent, moeten we onze zonden aan Hem opbiechten.
Wie zo belijdt zal ook Gods almacht belijden voor de mensen. Die kan dan getuigen van de eigen schanddaad en van de barmhartigheid van God. Wie aan God in het verborgene zonde heeft beleden heeft , zal dus vrijwillig openbaar verklaren hiervan als het van belang is voor de eer van God of onze eigen verootmoediging.
Volgende week lezen we verder in boek III.4.10 - III.4.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 28 mei 2015
woensdag 27 mei 2015
27-05; Boek III.4.1 - III.4.4
Calvijn schrijft weer eens de scholastici af die ook over de bekering hebben geschreven. Aan de hand van citaten van kerkvaders hebben ze een omschrijving van bekering gemaakt die bestaat uit de verbrijzeling van het hart, belijdenis met de mond en genoegdoening door de daad. Veel wordt er gesproken over uiterlijke bezigheden, maar niet over de vernieuwing van het gemoed. Calvijn ziet dat de bekering zonder belijdenis mogelijk is bij de oude schrijvers. Hij schrijft het af, hij ziet de schrijvers zichzelf verstrikken.
Het is geen scherpslijperij, het gaat uiteindelijk om de vergeving van zonden. De voorwaarden voor vergeving zijn duidelijk, maar hoe bijvoorbeeld de verbrijzeling genoeg is voor de hoeveelheid zonde wordt niet gezegd. De geplaagde gewetens worden dus aan zichzelf overgelaten. Het brengt geen rust.
De leer heeft tot gevolg dat mensen hongeren en dorsten naar verbrijzeling, terwijl ze juist moeten hongeren en dorsten naar Gods barmhartigheid.
Er is een discussie tussen kerkgeleerden van vroeger over waar de biecht vandaan komt. Is het een menselijke inzetting of een goddelijke inzetting? Het goddelijk naar zijn wezen, maar menselijk zoals het vorm heeft gekregen. Ze beroepen zich hier op de mozaïsche wet waarin de theologen een soort priesters zijn die geestelijke melaatsheid kunnen onderscheiden. Maar volgens Calvijn is het priesterschap overgedragen op Christus. Maar als Christus melaatsen geneest en naar de priesters stuurt is dit een getuigenis van Christus. Zo staan priesters tegen Christus, priesters hebben zelfs Christus omgebracht. De roomse priesters moeten ndit wel beseffen als ze het Bijbelse priesterschap op zichzelf toepassen.
Morgen lezen we boek III.4.5 - III.4.9
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Het is geen scherpslijperij, het gaat uiteindelijk om de vergeving van zonden. De voorwaarden voor vergeving zijn duidelijk, maar hoe bijvoorbeeld de verbrijzeling genoeg is voor de hoeveelheid zonde wordt niet gezegd. De geplaagde gewetens worden dus aan zichzelf overgelaten. Het brengt geen rust.
De leer heeft tot gevolg dat mensen hongeren en dorsten naar verbrijzeling, terwijl ze juist moeten hongeren en dorsten naar Gods barmhartigheid.
Er is een discussie tussen kerkgeleerden van vroeger over waar de biecht vandaan komt. Is het een menselijke inzetting of een goddelijke inzetting? Het goddelijk naar zijn wezen, maar menselijk zoals het vorm heeft gekregen. Ze beroepen zich hier op de mozaïsche wet waarin de theologen een soort priesters zijn die geestelijke melaatsheid kunnen onderscheiden. Maar volgens Calvijn is het priesterschap overgedragen op Christus. Maar als Christus melaatsen geneest en naar de priesters stuurt is dit een getuigenis van Christus. Zo staan priesters tegen Christus, priesters hebben zelfs Christus omgebracht. De roomse priesters moeten ndit wel beseffen als ze het Bijbelse priesterschap op zichzelf toepassen.
Morgen lezen we boek III.4.5 - III.4.9
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
dinsdag 26 mei 2015
26-05; Boek III.3.21 - III.3.25
Vandaag even wat later gepost. Gisteravond was ik weg en vanochtend had ik lang en vroeg college. Desondanks gaan we nu weer vrolijk door!
De bekering is een gave van God die bij de zaligheid hoort, niet de reden tot zaligheid. De bekering is eenmalig en opnieuw tot bekering brengen is niet mogelijk. Verharding is er voor de verworpenen. De volgelingen van Novatianus(https://nl.wikipedia.org/wiki/Tegenpaus_Novatianus) begrepen de Hebreeënbrief over de onmogelijkheid van een tweede bekering verkeerd en sloten mensen voorgoed buiten de gemeente. Daardoor kwam de canoniciteit van de Hebreeënbrief ook op de tocht te staan, maar Calvijn ziet de brief als authentiek.
De zonde tegen de Heilige Geest is een zonde die desondanks de kennis van Gods wil vastgehouden wordt, doelbewust rebels tegen God. Als iemand zich verzet zonder dat hij weet dat dit tegen het Evangelie is, dan zondigt hij tegen Vader en Zoon, weet hij dit wel, dan is het tegen de Geest. Het is vechten tegen het werk van de Heilige Geest.
Geen tweede bekering betekent dus dat het onmogelijk is om afvallig te worden en opnieuw tot geloof te komen. Alsof je geloof even in de koelkast kan worden gezet tot je het weer oppakt. Het gaat dus om mensen die doelbewust het werk van de Geest de kiem in smoren terwijl ze het werk van de Geest hebben herkend in zichzelf en hier iets van hebben geproefd. Er is geen tweede offer meer nadat het eerste offer is verworpen.
Sommige mensen vinden dit hard en onrechtvaardig. Maar het is niet dat ze een verzoek plaatsen waaraan niet voldaan wordt, maar de onmogelijkheid wordt benadrukt tot een tweede bekering en ze worden rechtvaardig met blindheid gestraft. De ongelovigen roepen ook niet tot God, maar klagen over wat hun ontnomen is. Bidden en bekering zijn eigenlijk ook niet de goede woorden voor wat de mensen doen in die situatie.
Hoe zit het dan met Achab die zich schijnbaar bekeerde(1 Kon. 21:28-29)? Dat was Gods mildheid en geduld, niet vanwege Achab, maar als voorbeeld. De vloek over Achabs huis is immers niets weggenomen, net als bij Esaus schijnbare bekering. We leren hieruit vurig te bekeren en bidden.
Morgen lezen we boek III.4.1 - III.4.4
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
De bekering is een gave van God die bij de zaligheid hoort, niet de reden tot zaligheid. De bekering is eenmalig en opnieuw tot bekering brengen is niet mogelijk. Verharding is er voor de verworpenen. De volgelingen van Novatianus(https://nl.wikipedia.org/wiki/Tegenpaus_Novatianus) begrepen de Hebreeënbrief over de onmogelijkheid van een tweede bekering verkeerd en sloten mensen voorgoed buiten de gemeente. Daardoor kwam de canoniciteit van de Hebreeënbrief ook op de tocht te staan, maar Calvijn ziet de brief als authentiek.
De zonde tegen de Heilige Geest is een zonde die desondanks de kennis van Gods wil vastgehouden wordt, doelbewust rebels tegen God. Als iemand zich verzet zonder dat hij weet dat dit tegen het Evangelie is, dan zondigt hij tegen Vader en Zoon, weet hij dit wel, dan is het tegen de Geest. Het is vechten tegen het werk van de Heilige Geest.
Geen tweede bekering betekent dus dat het onmogelijk is om afvallig te worden en opnieuw tot geloof te komen. Alsof je geloof even in de koelkast kan worden gezet tot je het weer oppakt. Het gaat dus om mensen die doelbewust het werk van de Geest de kiem in smoren terwijl ze het werk van de Geest hebben herkend in zichzelf en hier iets van hebben geproefd. Er is geen tweede offer meer nadat het eerste offer is verworpen.
Sommige mensen vinden dit hard en onrechtvaardig. Maar het is niet dat ze een verzoek plaatsen waaraan niet voldaan wordt, maar de onmogelijkheid wordt benadrukt tot een tweede bekering en ze worden rechtvaardig met blindheid gestraft. De ongelovigen roepen ook niet tot God, maar klagen over wat hun ontnomen is. Bidden en bekering zijn eigenlijk ook niet de goede woorden voor wat de mensen doen in die situatie.
Hoe zit het dan met Achab die zich schijnbaar bekeerde(1 Kon. 21:28-29)? Dat was Gods mildheid en geduld, niet vanwege Achab, maar als voorbeeld. De vloek over Achabs huis is immers niets weggenomen, net als bij Esaus schijnbare bekering. We leren hieruit vurig te bekeren en bidden.
Morgen lezen we boek III.4.1 - III.4.4
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
maandag 25 mei 2015
25-05; Boek III.3.16 - III.3.20
Week 20 van Lectio Calvini. Een kortere week volgens het rooster, Memorial Day. De christelijke feestdagen staan niet op het rooster, ik snap de gedachte er niet helemaal achter...
Hoe meer iemand zich erop toelegt om te leven in overeenstemming met de Wet, des te duidelijker geeft hij tekenen van bekering. Wat wel opvalt is dat in de Bijbel vaak wordt aangedrongen op de innerlijke bekering, de reiniging en zuiverheid van hart, náást de uiterlijke kenmerken. Er zijn ook uiterlijk oefeningen om ons in bedwang te houden, deze vloeien voort uit de wraak in de bekering beschreven in III.3.15, wie God gerechtigheid voelt gaat niet pralen en zoeken naar genoegen, maar zoekt verootmoediging. Dit wordt uitgewerkt tegenover de te strenge kerkleraren die teveel de nadruk op ascese ten koste van innerlijke bekering legden.
Bekering is niet altijd verbonden aan 'vasten en wenen', ook niet in de Bijbel, maar was vastgelegd voor bepaalde gelegenheden. Een aangeklaagde in vroegere tijden probeert medelijden te wekken bij de rechter door te vasten en te wenen en met gescheurde kleren te voorschijn te treden. Zo zou het ook beter zijn vandaag de dag(niet alleen in Calvijns tijd, ik maak de toepassing maar even direct) om bij een groot dreigend onheil door predikanten de nadruk op vasten weer te leggen, zonder hier de hoofdzaak van te maken. Desondanks moet er iets in het leven vromen door soberheid en ingetogenheid iets van vasten aan de dag treden.
Maar deze boetedoening en schuldbelijdenis moet niet worden gelijkgesteld met de bekering, het is een veroordeling van onszelf om het oordeel God voor te zijn. Persoonlijke schuldbelijdenis van zonden past wel iedereen. Zuchtend en wenend wordt zo de geestelijke luiheid verdreven, maar waar we het hier over hebben is een berouw voor mensen die door de duivel van de Godsvrucht waren weggerukt of diep waren gevallen. Dit betekent desondanks niet dat de rest achterover kan leunen.
Het Evangelie heeft dan twee hoofddelen, bekering en vergeving van zonden. Zo hebben Christus, Johannes de Doper en de apostelen gepreekt. Bekeer u, want de mens is zondig, en het koninkrijk der hemelen, dat is de vergeving van zonden.
Maar, het is niet dat het haten van de zonde een voorwaarde is, of dat alleen de zuchtende en wenende zondaar het Evangelie te horen krijgt. Als God het Evangelie aanbiedt, moet er ook altijd bekering zijn van de kant van de mens. De mens moet zich hier altijd voor inspannen, heel zijn leven zal in het teken staan van de strijd tegen het vlees. Als je echt haat jegens de zonde heb, moet je wel. Want niemand krijgt een afkeer van de zonde zonder eerst gegrepen te zijn door de liefde voor de gerechtigheid.
Morgen lezen we boek III.3.21 - III.3.25
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Hoe meer iemand zich erop toelegt om te leven in overeenstemming met de Wet, des te duidelijker geeft hij tekenen van bekering. Wat wel opvalt is dat in de Bijbel vaak wordt aangedrongen op de innerlijke bekering, de reiniging en zuiverheid van hart, náást de uiterlijke kenmerken. Er zijn ook uiterlijk oefeningen om ons in bedwang te houden, deze vloeien voort uit de wraak in de bekering beschreven in III.3.15, wie God gerechtigheid voelt gaat niet pralen en zoeken naar genoegen, maar zoekt verootmoediging. Dit wordt uitgewerkt tegenover de te strenge kerkleraren die teveel de nadruk op ascese ten koste van innerlijke bekering legden.
Bekering is niet altijd verbonden aan 'vasten en wenen', ook niet in de Bijbel, maar was vastgelegd voor bepaalde gelegenheden. Een aangeklaagde in vroegere tijden probeert medelijden te wekken bij de rechter door te vasten en te wenen en met gescheurde kleren te voorschijn te treden. Zo zou het ook beter zijn vandaag de dag(niet alleen in Calvijns tijd, ik maak de toepassing maar even direct) om bij een groot dreigend onheil door predikanten de nadruk op vasten weer te leggen, zonder hier de hoofdzaak van te maken. Desondanks moet er iets in het leven vromen door soberheid en ingetogenheid iets van vasten aan de dag treden.
Maar deze boetedoening en schuldbelijdenis moet niet worden gelijkgesteld met de bekering, het is een veroordeling van onszelf om het oordeel God voor te zijn. Persoonlijke schuldbelijdenis van zonden past wel iedereen. Zuchtend en wenend wordt zo de geestelijke luiheid verdreven, maar waar we het hier over hebben is een berouw voor mensen die door de duivel van de Godsvrucht waren weggerukt of diep waren gevallen. Dit betekent desondanks niet dat de rest achterover kan leunen.
Het Evangelie heeft dan twee hoofddelen, bekering en vergeving van zonden. Zo hebben Christus, Johannes de Doper en de apostelen gepreekt. Bekeer u, want de mens is zondig, en het koninkrijk der hemelen, dat is de vergeving van zonden.
Maar, het is niet dat het haten van de zonde een voorwaarde is, of dat alleen de zuchtende en wenende zondaar het Evangelie te horen krijgt. Als God het Evangelie aanbiedt, moet er ook altijd bekering zijn van de kant van de mens. De mens moet zich hier altijd voor inspannen, heel zijn leven zal in het teken staan van de strijd tegen het vlees. Als je echt haat jegens de zonde heb, moet je wel. Want niemand krijgt een afkeer van de zonde zonder eerst gegrepen te zijn door de liefde voor de gerechtigheid.
Morgen lezen we boek III.3.21 - III.3.25
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
vrijdag 22 mei 2015
22-05; Boek III.3.11 - III.3.15
Calvijn beweert dat wee door wedergeboorte weliswaar niet van de zonde zelf, maar van de schuld van de zonde worden verlost. Dit in aansluiting op Romeinen 7:6. Ook zou dit ontkennen uiteindelijk tot de consequentie moeten leiden dat de overtreding van de Wet geen zonde is. We moeten namelijk met heel hart, ziel en kracht liefhebben. Dit lukt niet, dit bewijst dat de ziel niet helemaal vol is met de liefde tot God.
Maar een mens is toch geschapen door God met begeertes? Ja, zegt Calvijn, maar die zijn tuchteloos en onmatigheid verbonden. Het gaat om de begeertes die natuurlijk zijn èn onbeheersbaar of ongeregeld.
Met Augustinus bewijzen wordt aangetoond dat de wet van de zonde er nog is, maar dat de schuld hiervan vergeven is. Mensen voeren vaak Jac. 1:15 hiertegen in. Maar als de zonde pas de daadwerkelijke zonde is, kan de kwade wil geen zonde meer zijn. De vruchten zijn zonde en niet los te zien van de begeerte die dan ook zonde wordt genoemd.
Er waren in die tijd bepaalde wederdopers die beweerden dat je je geen zorgen hoefde te maken over he beteugelen van het vlees, het onderscheid tussen goed en kwaad is van de zondeval en uit de wereld geholpen door Christus. Dit is een gedachte die vandaag de dag nog steeds wel hier en daar de kop opsteekt. Mensen hoeven niet bang te zijn of ze iets verkeerd doen, de Geest maakt dat wel duidelijk. Maar christenen(zo expliciet door Calvijn genoemd) kennen de Geest uit de Bijbel waarin Hij een Geest van heiliging is en ons gehoorzaam aan God maakt. Hij maakt ons heilig zo lang we leven en helpt ons in de strijd tegen de zondige begeertes.
Calvijn typeert de bekering aan de hand van zeven gemoedsgesteldheden die hij ziet in 2 Kor. 7:11. Droefheid over de zonde, verantwoordelijkheid die een verontschuldiging is in een gebed om vergeving, vrees voor de toorn de ons nederig maakt, verlangen naar gehoorzamen aan God, wraak die de erkentenis is van Gods gerechtigheid. Bij deze laatste moeten we niet vervallen tot wanhoop, dat is een list van de duivel om van de bekering af te brengen.
Volgende week lezen we boek III.3.14 - III.3.20
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Maar een mens is toch geschapen door God met begeertes? Ja, zegt Calvijn, maar die zijn tuchteloos en onmatigheid verbonden. Het gaat om de begeertes die natuurlijk zijn èn onbeheersbaar of ongeregeld.
Met Augustinus bewijzen wordt aangetoond dat de wet van de zonde er nog is, maar dat de schuld hiervan vergeven is. Mensen voeren vaak Jac. 1:15 hiertegen in. Maar als de zonde pas de daadwerkelijke zonde is, kan de kwade wil geen zonde meer zijn. De vruchten zijn zonde en niet los te zien van de begeerte die dan ook zonde wordt genoemd.
Er waren in die tijd bepaalde wederdopers die beweerden dat je je geen zorgen hoefde te maken over he beteugelen van het vlees, het onderscheid tussen goed en kwaad is van de zondeval en uit de wereld geholpen door Christus. Dit is een gedachte die vandaag de dag nog steeds wel hier en daar de kop opsteekt. Mensen hoeven niet bang te zijn of ze iets verkeerd doen, de Geest maakt dat wel duidelijk. Maar christenen(zo expliciet door Calvijn genoemd) kennen de Geest uit de Bijbel waarin Hij een Geest van heiliging is en ons gehoorzaam aan God maakt. Hij maakt ons heilig zo lang we leven en helpt ons in de strijd tegen de zondige begeertes.
Calvijn typeert de bekering aan de hand van zeven gemoedsgesteldheden die hij ziet in 2 Kor. 7:11. Droefheid over de zonde, verantwoordelijkheid die een verontschuldiging is in een gebed om vergeving, vrees voor de toorn de ons nederig maakt, verlangen naar gehoorzamen aan God, wraak die de erkentenis is van Gods gerechtigheid. Bij deze laatste moeten we niet vervallen tot wanhoop, dat is een list van de duivel om van de bekering af te brengen.
Volgende week lezen we boek III.3.14 - III.3.20
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
donderdag 21 mei 2015
31-05; Boek III.3.5 - III.3.10
Nu gaat Calvijn de bekering in fijnere lijnen uitwerken. Dat de Bijbel een onderscheid maakt tussen bekering en geloof moet ons niet in de war brengen. Het zijn twee zaken die wel te onderscheiden zijn, maar niet te zaken. De bekering van poenitentia hoort bij de hele bekering(conversio). Calvijn definieert de bekering als volgt:"zij is de ware omwending van ons leven tot God, die voortkomt uit een oprecht en ernstig vrezen van God en die bestaat uit de doding van ons vlees en van de oude mens, en de levendmaking van de geest." Zich bekeren of terugkeren, tot inkeer komen, zich boetvaardig betonen zijn allemaal termen die ook kunnen worden gebruikt in de Schrift voor de bekering.
De bekering is een innerlijke verandering die plaatsvindt voordat er vruchten van werken kunnen komen. Het tweede aspect is het vrezen van God. De gedachte aan het oordelen van God spoort de mens aan om zijn leven anders in te richten. Hierbij hoort ook het verafschuwen van de zonde, de mens heeft droefheid naar God en een afschuw van zonde omdat hij in de zonde de reden voor Gods toorn ziet.
Ten derde komen hier de doding en de levendmaking weer voor de dag. De profeten vertolkten dit in het OT met de simpele woorden stop met slechte zaken, doe goede dingen voor de Heer. Dit betekent dan het doden van de oude mens, zelfverloochening voor de aardse begeertes. En door de vernieuwing van de Geest kan je dan vruchten van het geloof tevoorschijn brengen, daar wezen de profeten ook altijd op. Het woord doding laat zien hoe lastig en radicaal het afleggen van aardse verlangens en begeerte is.
Bekering is wedergeboorte in de ogen van Calvijn. In de doding en de levendmaking van de mens delen we in de dood en opstanding van Christus. In de wedergeboorte worden we vernieuwd tot de oorspronkelijke staat waaruit Adam was gevallen. Bekering is geen moment of een periode, maar een levenslange krijgsdienst. Je bent dus nooit uitbekeerd. De gerechtigheid bezitten is niet alleen voor in de hemel, zoals ene Staphylus tegen Calvijn polemiseert.
Desondanks blijven de gelovigen zonde bezitten. Alle theologen zijn erover eens dat de wedergeboren mens nog steeds in zichzelf een vboedingsbodem voor het kwaad hebben zitten. Hierdoor kunnen christenen tot zondes aangezet en geprikkeld worden. Verschil tussen Calvijn en Augustinus is er over wat nu zonde in de wedergeboren mens is. Calvijn moet de begeerte, het geprikkeld worden tegen de Wet van God in een zonde, Augustinus wil de instemming met de begeerte pas zonde noemen, niet de begeerte op zichzelf. Als je niet kan voorkomen dat een vogel op je hoofd land, maar wel kan voorkomen dat hij daar een nest bouwt, noemt Augustinus pas het nestje de zonde, en Calvijn het landen van de vogel.
Morgen lezen we boek III.3.11 - III.3.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
De bekering is een innerlijke verandering die plaatsvindt voordat er vruchten van werken kunnen komen. Het tweede aspect is het vrezen van God. De gedachte aan het oordelen van God spoort de mens aan om zijn leven anders in te richten. Hierbij hoort ook het verafschuwen van de zonde, de mens heeft droefheid naar God en een afschuw van zonde omdat hij in de zonde de reden voor Gods toorn ziet.
Ten derde komen hier de doding en de levendmaking weer voor de dag. De profeten vertolkten dit in het OT met de simpele woorden stop met slechte zaken, doe goede dingen voor de Heer. Dit betekent dan het doden van de oude mens, zelfverloochening voor de aardse begeertes. En door de vernieuwing van de Geest kan je dan vruchten van het geloof tevoorschijn brengen, daar wezen de profeten ook altijd op. Het woord doding laat zien hoe lastig en radicaal het afleggen van aardse verlangens en begeerte is.
Bekering is wedergeboorte in de ogen van Calvijn. In de doding en de levendmaking van de mens delen we in de dood en opstanding van Christus. In de wedergeboorte worden we vernieuwd tot de oorspronkelijke staat waaruit Adam was gevallen. Bekering is geen moment of een periode, maar een levenslange krijgsdienst. Je bent dus nooit uitbekeerd. De gerechtigheid bezitten is niet alleen voor in de hemel, zoals ene Staphylus tegen Calvijn polemiseert.
Desondanks blijven de gelovigen zonde bezitten. Alle theologen zijn erover eens dat de wedergeboren mens nog steeds in zichzelf een vboedingsbodem voor het kwaad hebben zitten. Hierdoor kunnen christenen tot zondes aangezet en geprikkeld worden. Verschil tussen Calvijn en Augustinus is er over wat nu zonde in de wedergeboren mens is. Calvijn moet de begeerte, het geprikkeld worden tegen de Wet van God in een zonde, Augustinus wil de instemming met de begeerte pas zonde noemen, niet de begeerte op zichzelf. Als je niet kan voorkomen dat een vogel op je hoofd land, maar wel kan voorkomen dat hij daar een nest bouwt, noemt Augustinus pas het nestje de zonde, en Calvijn het landen van de vogel.
Morgen lezen we boek III.3.11 - III.3.15
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
woensdag 20 mei 2015
20-05; Boek III.2.43 - III.3.4
Hoop en geloof zijn dus dicht op elkaar betrokken. Ze hebben op hetzelfde hun ogen gericht. Daarom heeft Petrus Lombardus gewoon niet gelijk als hij hoop zonder werken aanmatiging vindt, het is niet aanmatigend om alles van Gods goedheid te verwachten.
Hoofdstuk drie gaat over de bekering, hierin lijkt de ordo salutis, of de heilsorde uitgewerkt te worden. De theologische(belangrijk bijvoeglijk naamwoord!)volgorde van wat er allemaal gebeurt bij een mens in een bekering. Hier zijn boeken vol over geschreven, grote strijden over gestreden, niet alleen tussen Rome en Reformatie, maar ook in de Reformatie onderling tot op vandaag. Daarom is het juist wel verfrissend om de orde die Calvijn geeft eens onder de loep te nemen.
Allereerst stelt Calvijn dat de mens alleen door geloof en louter vergeving gerechtvaardigd wordt. De heiligheid kan ook niet los gezien worden van de toerekening van rechtvaardigheid. In de prediking wordt het evangelie aangeboden aan de zondaar en als deze zich bekeert verlaat hij zijn vroegere doen en laten. Melanchton heeft geen sterke zaak in zijn uitwerking van zijn mening dat bekering aan het geloof vooraf gaat.
Sommige mensen houden op basis van teksten over de prediking van het koninkrijk der hemelen vast aan de bekering voor het geloof. Maar dat vindt Calvijn bijgeloof aan lettergreepvolgorde in de Bijbel. Het koninkrijk gaat ook vooraf in de prediking van Johannes en Jezus Zelf. De bekering heeft geen tijdsduur, benadrukt Calvijn. Er is geen aanvankelijke vrees, zoals bij Thomas van Aquino. Niemand komt tot God zonder de overtuiging dat Deze hem welgevallig is. Jezuïeten en wederdopers die hun bekeerlingen een aantal dagen voor hun bekering voorschrijven zijn pannekoeken.
Een bekering bestaat uit doding en levendmaking. De doding is de droefheid van hart en vrees die voortkomt uit kennis van zonde en het gevoel van Gods oordeel. Die is de doding die in de Middeleeuwse spiritualiteit ook wel vermorzeling/compunctio wordt genoemd. Dan is er de levendmaking, die de vertroosting heeft als werking van geloof, het is de blik richten op Gods goedheid en barmhartigheid, alsof iemand uit de dood opstaat. Levendmaking is niet de opluchting na een angstige aanval of beroering. Het is sterven aan jezelf en leven voor God met het verlangen om dit heilig te doen.
Andere mensen hebben een onderscheid gemaakt tussen een wettische bekering en een evangelische bekering. Wettische bekering is de bekering van Kaïn, Saul en Judas. Mensen worden opgeschrikt door hun zonde en de toorn van God en worden niet uit de strik van de zonde bevrijdt. Een evangelische bekering is er eentje waarin mensen ook verwond raken door de prikkel van de zonde, maar blijven hopen op Gods barmhartigheid. Hier gaat het dan over Hizkia, de bewoners van Ninevé bij Jona en David.
Zien jullie het belang van deze discussie over de bekering? En herkennen jullie iets van de levendmaking en doding in je eigen leven(met of zonder bekeringservaring)?
Morgen lezen we Boek III.3.5 - III.3.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Hoofdstuk drie gaat over de bekering, hierin lijkt de ordo salutis, of de heilsorde uitgewerkt te worden. De theologische(belangrijk bijvoeglijk naamwoord!)volgorde van wat er allemaal gebeurt bij een mens in een bekering. Hier zijn boeken vol over geschreven, grote strijden over gestreden, niet alleen tussen Rome en Reformatie, maar ook in de Reformatie onderling tot op vandaag. Daarom is het juist wel verfrissend om de orde die Calvijn geeft eens onder de loep te nemen.
Allereerst stelt Calvijn dat de mens alleen door geloof en louter vergeving gerechtvaardigd wordt. De heiligheid kan ook niet los gezien worden van de toerekening van rechtvaardigheid. In de prediking wordt het evangelie aangeboden aan de zondaar en als deze zich bekeert verlaat hij zijn vroegere doen en laten. Melanchton heeft geen sterke zaak in zijn uitwerking van zijn mening dat bekering aan het geloof vooraf gaat.
Sommige mensen houden op basis van teksten over de prediking van het koninkrijk der hemelen vast aan de bekering voor het geloof. Maar dat vindt Calvijn bijgeloof aan lettergreepvolgorde in de Bijbel. Het koninkrijk gaat ook vooraf in de prediking van Johannes en Jezus Zelf. De bekering heeft geen tijdsduur, benadrukt Calvijn. Er is geen aanvankelijke vrees, zoals bij Thomas van Aquino. Niemand komt tot God zonder de overtuiging dat Deze hem welgevallig is. Jezuïeten en wederdopers die hun bekeerlingen een aantal dagen voor hun bekering voorschrijven zijn pannekoeken.
Een bekering bestaat uit doding en levendmaking. De doding is de droefheid van hart en vrees die voortkomt uit kennis van zonde en het gevoel van Gods oordeel. Die is de doding die in de Middeleeuwse spiritualiteit ook wel vermorzeling/compunctio wordt genoemd. Dan is er de levendmaking, die de vertroosting heeft als werking van geloof, het is de blik richten op Gods goedheid en barmhartigheid, alsof iemand uit de dood opstaat. Levendmaking is niet de opluchting na een angstige aanval of beroering. Het is sterven aan jezelf en leven voor God met het verlangen om dit heilig te doen.
Andere mensen hebben een onderscheid gemaakt tussen een wettische bekering en een evangelische bekering. Wettische bekering is de bekering van Kaïn, Saul en Judas. Mensen worden opgeschrikt door hun zonde en de toorn van God en worden niet uit de strik van de zonde bevrijdt. Een evangelische bekering is er eentje waarin mensen ook verwond raken door de prikkel van de zonde, maar blijven hopen op Gods barmhartigheid. Hier gaat het dan over Hizkia, de bewoners van Ninevé bij Jona en David.
Zien jullie het belang van deze discussie over de bekering? En herkennen jullie iets van de levendmaking en doding in je eigen leven(met of zonder bekeringservaring)?
Morgen lezen we Boek III.3.5 - III.3.10
Lees deze en andere posts terug op lectiocalvini.blogspot.com
Abonneren op:
Posts (Atom)